Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0980

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
22-005331-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is voor diefstal d.m.v. braak, vernieling, eenvoudige belediging van een politieambtenaar en wederspannigheid veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005331-08

Parketnummers: 10-661229-08, 10-663420-07 en 10-061333-04 (TUL)

Datum uitspraak: 30 augustus 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats],

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande;

[postadres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 augustus 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Het hof heeft de feiten die in de dagvaardingen met parketnummer 10-661229-08 en 10-663420-07 zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 juli 2008 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een computer (labtop), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming, te weten door de (toegangs)deur van de woning in te trappen en/of te forceren;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2008 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk de (toegangs)deur van een woning, gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Nieuw Unie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door deze in te trappen en/of te forceren;

3.

hij op of omstreeks 19 juli 2007 te Rotterdam opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten

[verbalisant 1], zijnde agent van Politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, die [verbalisant 1] in diens/dier tegenwoordigheid door een feitelijkheid heeft beledigd, te weten door die [verbalisant 1] in/op/tegen het gezicht te spugen;

4.

hij op of omstreeks 19 juli 2007 te Rotterdam, althans in Nederland toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3], zijnde respectievelijk hoofdagent en/of agent en/of hoofdagent van Politie Rotterdam-Rijnmond verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 2 van de Wet Identificatieplicht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau gelegen op de Slotlaan in Capelle aan den IJssel, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in ene richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of een dienstfiets van die [verbalisant 3] op de grond te gooien en/of (hard) te schreeuwen en/of met zijn, verdachtes, hoofd heen en weer te schudden en/of te spugen en/of wild om zich heen te trappen en/of te schoppen en/of (dreigend) met gebalde vuisten op die ambtena(a)r(en) af te lopen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Voorts is in eerste aanleg aan de verdachte de bijzondere voorwaarde opgelegd dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die door of namens de Stichting Reclassering Nederland worden gegeven en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De politierechter heeft tevens de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter d.d. 10 december 2004 opgelegde voorwaardelijke straf, met dien verstande dat in plaats van tenuitvoerlegging van jeugddetentie voor de duur van zes weken, een gevangenisstraf voor eenzelfde duur zal worden tenuitvoergelegd.

Ten slotte zijn in eerste aanleg de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen en is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 juli 2008 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een computer (laptop), toebehorende aan [aangever], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door de (toegangs)deur van de woning in te trappen;

2.

hij op 12 juli 2008 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk de toegangsdeur van een woning, gelegen aan de [adres], toebehorende aan de Nieuw Unie, heeft vernield door deze in te trappen;

3.

hij op 19 juli 2007 te Rotterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], zijnde agent van Politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door een feitelijkheid heeft beledigd, te weten door die [verbalisant 1] in het gezicht te spugen;

4.

hij op 19 juli 2007 te Rotterdam, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3], zijnde respectievelijk agent en hoofdagent en hoofdagent van Politie Rotterdam-Rijnmond, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, althans vast hadden teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau gelegen op de Slotlaan in Capelle aan den IJssel, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden en een dienstfiets van die [verbalisant 3] op de grond te gooien en hard te schreeuwen en te spugen en wild om zich heen te trappen en te schoppen en dreigend met gebalde vuisten op die ambtenaren af te lopen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 12 juli 2008 ingebroken in de woning van aangeefster en uit haar woning een laptop gestolen. Ook heeft de verdachte daarbij de voordeur van de woning van aangeefster vernield. Dergelijke feiten brengen naast ergernis ook financiële schade voor het slachtoffer met zich mee.

De verdachte heeft voorts op 19 juli 2007 op de bewezenverklaarde wijze een politieagent beledigd en zich verzet tegen verbalisanten die hem trachtten aan te houden. Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het ambtelijk gezag en het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 juli 2010, is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is alles afwegend van oordeel dat oplegging aan de verdachte van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden is.

Het hof heeft echter vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is geschonden door het tijdsverloop tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 15 oktober 2008 en de datum van binnenkomst van het dossier ter griffie van het hof op 20 januari 2010.

Deze schending van genoemde verdragsbepaling dient in matigende zin gevolgen te hebben voor de hoogte van de aan de verdachte op te leggen straf. Daarom zal het hof op de overwogen werkstraf van 140 uren voor de schending van de redelijke termijn van berechting 20 uren in mindering brengen, zodat een werkstraf van 120 uren resteert.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 377,95.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 377,95 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [verbalisant 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 150,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter te Rotterdam van 10 december 2004 onder parketnummer 10-061333-04 is de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van twintig weken, met bevel dat een gedeelte, groot zes weken, van die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is nadien met een jaar verlengd.

De advocaat-generaal heeft, op grond van de omstandigheid dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, met dien verstande dat in plaats van tenuitvoerlegging van jeugddetentie voor de duur van zes weken, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 84 uren, subsidiair 42 dagen hechtenis.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

In overeenstemming met de advocaat-generaal zal het hof in plaats daarvan evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 84 uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 180, 266, 267, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe, in die zin dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rotterdam van 10 december 2004 onder parketnummer 10-061333-04, te weten jeugddetentie voor de duur van zes weken, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 84 (vierentachtig) uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van

42 (tweeënveertig) dagen voor het geval die werkstraf niet naar behoren wordt verricht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] tot het gevorderde bedrag van € 377,95 (driehonderdzevenenzeventig euro en vijfennegentig eurocent), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om ten behoeve van aan de Staat een bedrag te betalen van € 377,95 (driehonderdzevenenzeventig euro en vijfennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 (acht) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat laatstgenoemde benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. S.K. Welbedacht en mr. M.P.J.G. Göbbels, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 augustus 2010.