Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0858

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
22-004906-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is schuldig bevonden aan de handel in cocaine en het bezit van meer dan 30 gram hennep. De raadvrouw van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat de verdachte binnenkort aan het werk kan en zijn woning kan verliezen doordat hij geen huur kan betalen indien er een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Het Hof heeft hieromtrent overwogen dat niet is aangetoond dat de verdachte binnenkort aan het werk kan en dat het niet vaststaat dat de verdachte zijn woning zal verliezen omdat de ouders van verdachte zijn huur betalen. Daarnaast zou de verdachte een gewaarschuwd man zijn gezien het feit dat hij eerder door de politierechter is veroordeeld voor het bezit van harddrugs tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Straf: gevangenisstraf van 2 maanden. Ook TUL: 100 dagen gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004906-09

Parketnummers: 09-926069-08 en 09-407762-08

TUL: 09-926193-06

Datum uitspraak: 6 juli 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 17 september 2009 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een tweetal inleidende dagvaardingen - waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 december 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,2 gram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [straat] heeft weggenomen ongeveer 16 kilo hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door via een ladder die woning naar binnen te gaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 maart 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk ongeveer 16 kilo hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) kilo's hennep verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten op straat gevonden had(den) en aldus onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 maart 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de in beslag genomen voorwerpen en omtrent de vordering tenuitvoerlegging zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 december 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. meer subsidiair

hij op 31 maart 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen van een gebruikershoeveelheid cocaïne. Door de handel in cocaïne wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Bovendien plegen de gebruikers van cocaïne veelal vermogensdelicten om het gebruik te kunnen financieren, welke vermogensdelicten veel schade en onrust in de samenleving tot gevolg hebben.

Voorts heeft de verdachte samen met anderen een aanzienlijke hoeveelheid hennep aanwezig gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat ook softdrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting een strafmaatverweer gevoerd, in welk kader zij heeft verzocht aan de verdachte een werkstraf op te leggen, aangezien hij binnenkort aan het werk kan en overigens ook het gevaar bestaat dat hij, indien hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd, zijn woning verliest, gegeven het feit dat hij dan de huur niet langer kan opbrengen.

Het hof overweegt in dat verband dat de stelling, inhoudende dat de verdachte binnenkort aan het werk kan, op geen enkele wijze - bijvoorbeeld, indien er, zoals de verdachte te kennen heeft gegeven, nog geen arbeidscontract is ondertekend, middels een schrijven van zijn toekomstige werkgever - is onderbouwd. De verdachte heeft daarnaast, waar het zijn woning betreft, verklaard dat de huur de afgelopen periode door zijn ouders is betaald, aangezien hijzelf zonder inkomsten zat. Dat de verdachte zijn woning verliest indien hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, kan dan ook niet zonder meer als een vaststaand gegeven worden aangenomen. Maar al zou in ieder geval rekening moeten worden gehouden met de kans dat de huur wordt of moet worden beëindigd indien aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, dan nog acht het hof - alles overwegende - een dergelijke straf in deze passend en geboden, aangezien een werkstraf naar het oordeel van het hof geen recht doet aan de ernst van de feiten, mede bezien in het licht van hetgeen voor het overige met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte was immers een gewaarschuwd man: bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2007 is hij - zoals hierna ook nog aan de orde zal komen - voor de handel in en het aanwezig hebben van harddrugs tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. De thans bewezen verklaarde feiten zijn begaan in de proeftijd die bij dat vonnis was vastgesteld. Daarenboven was bij dat vonnis de bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd diende te gedragen naar de hem door of namens de reclassering te geven voorschriften. Uit het schrijven van de GGZ Reclassering Palier d.d. 29 april 2009 blijkt dat de verdachte zich niet aan bedoelde voorschriften heeft gehouden en dat de opdracht tot verplicht reclasseringscontact om die reden in februari 2009 negatief retour is gezonden. Bedoeld schrijven betreft een zogeheten "retourzending rapportageverzoek". In dat verband moet worden vastgesteld dat de voorlopige hechtenis, die de verdachte vanwege het onder 1 tenlastegelegde - en thans bewezen verklaarde - feit heeft ondergaan, op 9 januari 2009 is geschorst. Eén van de aan die schorsing verbonden voorwaarden hield in dat hij zijn medewerking diende te verlenen aan de totstandkoming van een reclasseringsrapport. Ook die voorwaarde was door de verdachte, toen hij ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 maart 2009 verscheen, niet nageleefd. Het onderzoek ter terechtzitting is toen geschorst naar aanleiding van het verzoek van de raadsvrouw om alsnog een reclasseringsrapport te doen uitbrengen en nadat de verdachte desgevraagd te kennen had gegeven voornemens te zijn "nu wel contact met de reclassering te onderhouden". Bij dat - beweerdelijk - voornemen is het, gegeven vorenbedoeld schrijven van 29 april 2009, gebleven. De verdachte heeft zich derhalve tot op de dag van vandaag niet gehouden aan eerder bedoelde, aan de schorsing van zijn voorlopige hechtenis verbonden voorwaarde.

Indien dan voorts nog in aanmerking wordt genomen dat de verdachte niet alleen eerder voor de handel in en het aanwezig hebben van harddrugs is veroordeeld, maar blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2010 ook voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, ziet het hof, in ieder geval waar het het onder 1 bewezenverklaarde betreft, geen enkele aanleiding om qua strafmodaliteit en strafmaat af te wijken van hetgeen doorgaans voor de verkoop van een gebruikershoeveelheid cocaïne wordt opgelegd. Waar het het onder 2 bewezenverklaarde betreft zal het hof daarentegen - ten voordele van de verdachte - rekening houden met de omstandigheid dat hij en zijn medeverdachten de betreffende - aanzienlijke - hoeveelheid hennep slechts gedurende korte tijd onder zich hebben gehad.

Het hof is op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Onder de verdachte zijn een telefoontoestel (Nokia 6210, kleur blauw) en een geldbedrag van in totaal € 75,-- in beslag genomen, welke nog niet aan hem zijn teruggegeven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het telefoontoestel en een bedrag van € 55,-- zullen worden verbeurd verklaard en dat een bedrag van € 20,-- aan de verdachte zal worden teruggegeven.

Het hof zal ten aanzien van het in beslag genomen en aan de verdachte toebehorende telefoontoestel de verbeurdverklaring gelasten, aangezien het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit met behulp van dit telefoontoestel is voorbereid.

Het hof zal eveneens de verbeurdverklaring gelasten van een deel, groot € 55,--, van het in beslag genomen en aan de verdachte toebehorende geldbedrag ad. € 75,--, aangezien deze € 55,-- door middel van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is verkregen.

Ten aanzien van het resterende bedrag ad. € 20,-- zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.

Het hof heeft bij zijn beslissing tot verbeurdverklaring van het telefoontoestel en het geldbedrag ad. € 55,--rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij eerdergenoemd vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2007, gewezen onder parketnummer 09-926193-06, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, met aftrek van voorarrest, met bevel dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 100 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder - voor zover met het oog op de hierna nader te noemen vordering van het openbaar ministerie van belang - de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de niet-tenuitvoergelegde gevangenisstraf van 100 dagen op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers, zoals reeds overwogen, de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van het nog niet-tenuitvoergelegde gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf is derhalve gegrond.

De raadsvrouw heeft er in dit verband - op basis van de argumenten die zij ook bij haar strafmaatverweer heeft aangevoerd - voor gepleit het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf "om te zetten" in een werkstraf. Het hof acht evenwel - mede gelet op hetgeen naar aanleiding van bedoelde argumenten, zo al feitelijk juist, reeds bij de strafmotivering is overwogen - termen aanwezig ten aanzien van de niet-tenuitvoergelegde 100 dagen gevangenisstraf alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het telefoontoestel, kleur blauw, merk Nokia 6210 en een geldbedrag van € 55,--.

Gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 20,--.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2007 onder parketnummer 09-926193-06, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,

mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. A.M.P. Gaakeer,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2010.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.