Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0856

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
22-000188-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is schuldig bevonden aan het stichten van brand terwijl gevaar voor goederen, levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten is in de psychiatrische inrichting waar verdachte een patient was. Ook is de verdachte schuldig bevonden aan bedreiging van een medepatient en mishandeling van een medewerker. Het Hof heeft TBS opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000188-08

Parketnummers: 09-655301-05, 09-655361-05, 09-900665-07 en 09-925961-07

TUL: 09-925863-06

Datum uitspraak: 11 juni 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 december 2007 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 oktober 2008 en 28 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een drietal inleidende dagvaardingen - waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd - ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 10 maart 2005 tot en met 19 maart 2005 te 's-Gravenhage (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een of meerdere kamer(s),welke zich bevond(en) in een gebouw/wooncomplex van Parnassia ([afdeling]) ([adres]), immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk een deken en/of een dekbedhoes en/of een of meerdere kledingstuk(ken), in elk geval (telkens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die deken en/of die dekbedhoes en/of één of meerdere kledingstuk(ken), althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (telkens) die deken en/of die dekbedhoes en/of één of meerdere kledingstuk(ken) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan,terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor omliggende kamers in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de medebewoners in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

zij op of omstreeks 22 april 2005 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een of meerdere kamer(s), welke zich bevond(en) in een gebouw/wooncomplex van Parnassia ([afdeling]) ([adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een dekbedhoes en/of een dekbed en/of een of meerdere kledingstuk(ken), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die dekbedhoes en/of dat dekbed en/of een of meerdere kledingstuk(ken), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die dekbedhoes en/of dat dekbed en/of een of meerdere kledingstuk(ken) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar vooromliggende kamers in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de medebewoners in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 juli 2007 tot en met 7 augustus 2007 te 's-Gravenhage [aangeefster 1] en/of haar ongeboren kind heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (een) scheermesje(s) onder de kamerdeur van die [aangeefster 1] door geschoven en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood. Hier, snij je hier maar mee kapot!" en/of voornoemde [aangeefster 1] (zowel in persoon als via (een) ander(en) (telkens) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood" en/of "Ik snij je open" en/of "Ik rijt je open" en/of "Ik vermoord je en stuur mijn familie op je af" en/of "Ik vermoord je [aangeefster 1]!" en/of "Ik stomp je in je buik zodat je je kind verliest" en/of Ik kan heel gemeen zijn. Ik schop haar in het midden van haar buik. Ik schop dat kind eruit en/of Als ik opgepakt word doordat [aangeefster 1] aangifte heeft gedaan dan trap ik haar sowieso in haar buik, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

zij op of omstreeks 26 september 2007 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [aangever 2]), in zijn arm heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde de maatregel van ter beschikking stelling opgelegd met voorwaarden.

Daarnaast is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en is de vordering tenuitvoerlegging afgewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

Ten aanzien van feit 1:

Op 10 maart 2005 is in het [afdeling] van Parnassia aan de [adres] te 's-Gravenhage het brandalarm afgegaan. De medewerkers hebben naar de brandmelders die boven alle kamers hangen gekeken en gezien dat het lampje boven de deur van de kamer van [verdachte]brandde. In haar kamer werd een dekentje aangetroffen dat in brand was gestoken. [verdachte]zat in diezelfde kamer op haar bed met een aansteker nog in haar hand.

Op 11 maart 2005 is in het [afdeling] van Parnassia aan de [adres] te 's-Gravenhage wederom het brandalarm afgegaan.

Daarbij werd [verdachte] in haar kamer aangetroffen al zittende op een dekbedhoes dat in brand was gestoken. De aansteker die zij toen in haar bezit had, is [verdachte] afgenomen.

Op 19 maart 2005 is in het [afdeling] van Parnassia aan de [adres] te 's-Gravenhage in de kamer van [verdachte] nogmaals het brandalarm afgegaan. Het personeel is naar haar kamer gegaan, omdat het lampje boven haar kamer brandde. [verdachte] werd in haar kamer al zittend op de grond in kleermakerszit aangetroffen, met direct voor zich een flinke vuurhaard die was ontstaan door het aansteken van diverse kledingstukken. De aansteker die zij toen in haar bezit had, is [verdachte] afgenomen.1

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 10 maart 2005 in haar kamer in het [afdeling] haar deken in brand heeft gestoken. Op het moment dat de medewerkers haar kamer binnenkwamen, heeft zij geprobeerd ook het bed met een aansteker in brand te steken.

Op 11 maart 2005 bevond de verdachte zich wederom in haar kamer. Zij heeft toen brand gesticht door haar dekbedhoes en de trui, die zij op dat moment aanhad, in brand te steken.

Op 19 maart 2005 heeft de verdachte wederom brand gesticht door verschillende kledingstukken in brand te steken.

De verdachte heeft wel nagedacht over wat de gevolgen zouden kunnen zijn voor anderen wanneer het vuur zou overslaan naar een andere kamer. Maar daar zou zij niet echt spijt van hebben: "dat kan gebeuren".2

Het personeel heeft het vuur alle keren zelf kunnen doven, maar desondanks heeft de brandweer twee keer moeten uitrukken om de omgeving vanwege de rook-ontwikkeling mechanisch te ventileren.3

De verdachte heeft ten tijde van de brandstichting van 19 maart 2005 in kamer 53 verbleven. Het is gebleken dat kamernummer 53 gesitueerd is naast de huiskamer, waar zich gedurende de dag patiënten bevonden. Kamernummer 53 grensde aan de kamer van een medepatiënt. Tegenover kamernummer 53 bevond zich het verpleegkantoor. Hier was bijna altijd personeel aanwezig. Dit in verband met het feit dat er ook nachtdienst werkzaam was.

Op 11 maart 2005 heeft de verdachte verbleven in kamernummer 105 op de gesloten afdeling. Kamernummer 105 is gelegen naast de separeercel. Tegenover kamernummer 105 bevond zich de keuken. Schuin tegenover kamernummer 105 vonden de activiteitenbegeleiding plaats. Hier waren gedurende de dag altijd wel mensen aanwezig.4

Ten aanzien van feit 2:

Op 22 april 2005 is in het [afdeling] van Parnassia aan de [adres] te 's-Gravenhage het brandalarm afgegaan in de kamer van [verdachte]. Zij werd door personeel zittend op de grond aangetroffen in haar kamer. Personeel heeft toen gezien dat zij kleding om haar benen had gewikkeld en dat die kleding in brand was gestoken. Zeker één personeelslid dat ter plaatse was gekomen, heeft door de brand last van ademhalingsmoeilijkheden gekregen.5

De verdachte heeft ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij op 22 april 2005 in haar kamer brand heeft gesticht door zichzelf in een dekbedhoes te wikkelen en deze in brand te steken.6

Tijdens het incident van 22 april 2005 verbleef de verdachte in kamer 50. Het is gebleken dat kamer 50 gesitueerd was naast de huiskamer, waar zich gedurende de dag patiënten bevonden. Naast kamer 50 grensde de kamer van een medepatiënt. Tegenover kamer 50 bevond zich het verpleegkantoor. Hier was bijna altijd personeel aanwezig. Dit in verband met het feit dat personeel ook in de nacht werkzaam was.7

Ten aanzien van feit 3:

Op 30 juli 2007 heeft [aangeefster 1], vanaf de gang voor haar kamer op de afdeling van het [afdeling] te 's-Gravenhage, de stem van [verdachte] gehoord, die riep: "Ik maak je dood". Hier snij je hier maar mee kapot!". Op dat moment heeft zij gezien dat er een scheermesje onder de deur van haar kamer werd geschoven.8

[aangeefster 1] heeft verklaard dat [verdachte] op 7 augustus 2007 naar [persoon 1] en [persoon 2], die eveneens in het [afdeling] verbleven, is gestapt en dat zij tegen hen heeft gezegd dat zij aangeefster in haar buik zou stompen, zodat zij haar kind zou verliezen.9

Op 30 juli 2007 heeft de verdachte - naar eigen zeggen -een scheermesje onder de deur van [aangeefster 1] geschoven. Daarbij heeft zij gezegd: "Ik maak je dood". Voorts heeft de verdachte tegen [aangeefster 1] gezegd dat zij haar in haar buik zou schoppen en/of stompen zodat ze dan haar baby zou kwijtraken. Verdachte heeft ook tegen medepatiënten gezegd dat zij [aangeefster 1] in haar buik zou schoppen en/of stompen zodat zij haar baby zou verliezen.10

Op 7 augustus 2007 is gebleken dat [aangeefster 1] zwanger was. [verdachte]heeft dit ook gehoord. Daarna heeft [persoon 1] [verdachte] tegen haar horen zeggen: "Ik kan haar altijd nog in haar buik trappen. Dan verliest ze haar baby", of woorden van gelijke strekking. [verdachte]heeft haar voorts verteld dat zij [aangeefster 1] sowieso in haar buik zou trappen, als zij zou worden opgepakt doordat [aangeefster 1] aangifte had gedaan.11

Op 7 augustus 2007 heeft [persoon 2] gehoord dat [aangeefster 1] zwanger was. Vervolgens heeft zij [verdachte] horen zeggen: "Ik kan heel gemeen zijn. Ik schop haar in het midden van haar buik. Ik schop dat kind eruit".12

Ten aanzien van feit 4:

Op 26 september 2007 heeft [aangever 2] op het terrein van de Parnassia te 's-Gravenhage twee verpleegkundigen bijgestaan om [verdachte] naar een isoleercel te brengen. Hij heeft gehoord dat zijn pieper op de grond viel en hij wilde deze oprapen. Hierna heeft hij een stekende pijn in zijn onderarm gevoeld. Hij heeft gezien dat [verdachte] zijn arm tussen haar tanden hield. Hij heeft gevoeld dat zij haar kaken stevig op elkaar hield.13 [aangever 2] heeft tengevolge van de beet in zijn rechter onderarm hevige pijn gevoeld.14

Op 26 september 2007 heeft [persoon 3] hulp gekregen van [aangever 2] om [verdachte] naar een isoleercel te brengen. [persoon 3] heeft de beveiliging gewaarschuwd dat zij op hun handen moesten letten omdat het bekend was dat [verdachte] kon bijten. [persoon 3] heeft [aangever 2] horen roepen dat hij was gebeten en heeft na afloop gezien dat er een bijtwond op zijn onderarm zat. Zij heeft gezien dat aan de binnenkant van de onderarm tandafdrukken stonden en dat deze blauw kleurden.15

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 10 maart 2005 tot en met 19 maart 2005 te 's-Gravenhage (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in kamers, welke zich bevonden in een gebouw/wooncomplex van Parnassia ([afdeling]) ([adres]), (telkens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een deken en/of een dekbedhoes en/of kledingstukken ten gevolge waarvan (telkens) een deken en/of een dekbedhoes en/of kledingstukken geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor omliggende kamers in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was;

2.

zij op 22 april 2005 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in kamers, welke zich bevond in een gebouw/wooncomplex van Parnassia ([afdeling]) ([adres]), opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een dekbedhoes en/of kledingstukken ten gevolge waarvan die dekbedhoes en/of kledingstukken geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor omliggende kamers in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de medebewoners in dat gebouw/wooncomplex van Parnassia, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was;

3.

zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2007 tot en met 7 augustus 2007 te 's-Gravenhage [aangeefster 1] en/of haar ongeboren kind heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een scheermesje onder de kamerdeur van die [aangeefster 1] door geschoven en (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood. Hier, snij je hier maar mee kapot!" en voornoemde [aangeefster 1] (zowel in persoon als via anderen (telkens) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik stomp je in je buik zodat je je kind verliest" en Ik kan heel gemeen zijn. Ik schop haar in het midden van haar buik. Ik schop dat kind eruit en Als ik opgepakt word doordat [aangeefster 1] aangifte heeft gedaan dan trap ik haar sowieso in haar buik, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

zij op 26 september 2007 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [aangever 2]), in zijn arm heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsvoering

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte ter zake van de tenlastegelegde brandstichtingen, bedreigingen en mishandeling dient te worden vrijgesproken. Ter adstructie van zijn betoog heeft hij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, nu ten tijde van de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis als gevolg waarvan zij beperkt was in haar gedragsuitingen en handelen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen - waaronder de eigen verklaringen van de verdachte - blijkt dat de verdachte met haar handelen het opzet had op het plegen van de tenlastegelegde feiten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij bovendien aangegeven dat zij zich bewust is geweest van haar handelwijze en dat zij door zich zo te gedragen aandacht heeft willen vragen.

Anders dan de raadsman van de verdachte kennelijk meent brengt het enkele feit dat de verdachte gediagnosticeerd is als lijdende aan een borderline persoonlijkheidsstoornis niet zonder meer mee dat van opzet bij het plegen van de tenlastegelegde feiten geen sprake is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen maatregel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde de Reclassering Nederland in de gelegenheid te stellen een rapport op te maken omtrent de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en indien die mogelijkheid haalbaar zou blijken te zijn meer een concretisering van de te formuleren voorwaarden.

Subsidiair heeft zij gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het hof wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak van de verdachte af, nu dat naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk is.

In dit verband heeft het hof belang gehecht aan het adviesrapport gedateerd 1 juli 2009 van Palier dat zich in het dossier bevindt en dat is opgemaakt naar aanleiding van het verzoek van dit hof ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2008 aan de advocaat-generaal om de reclassering de mogelijkheden te doen onderzoeken van behandeling van de verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. In dat rapport, staat - verkort en zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - dat het voor de reclassering onmogelijk is gebleken om mogelijke voorwaarden te onderzoeken als gevolg van de volgende omstandigheden. De verdachte is afgewezen bij het Centrum voor Intensieve Behandeling in Utrecht, de intakeprocedure bij de Forensische Psychiatrische Kliniek in Assen is stopgezet wegens het ontbreken van motivatie van de verdachte, bij de GGZ Parnassia Bavogroep [afdeling] kan de verdachte niet meer worden opgenomen en er zijn aanwijzingen dat de verdachte in het afgelopen jaar opnieuw mensen heeft bedreigd. De rapporteur concludeert dat de verdachte gelet op de persoonlijkheidsstoornis waaraan zij volgens de psychiater Thomassen lijdt, afspraken in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet na kan komen.

Desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2010 heeft de verdachte hetgeen over het nakomen van afspraken is vermeld in voornoemd rapport, bevestigd.

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Ten aanzien van de ernst van de feiten overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een gebouw/wooncomplex van de [afdeling] van Parnassia. De gevolgen van die branden zijn dankzij alert en kordaat ingrijpen door medewerkers van Parnassia beperkt gebleven tot rookontwikkeling, maar hadden in het ongunstige geval kunnen leiden tot grote schade aan de omliggende kamers in dat gebouw/wooncomplex dan wel (levens)gevaar voor andere personen in dat gebouw/wooncomplex. Brandstichting is een zeer ernstig feit, met name vanwege de verstrekkende gevolgen die het met zich mee kan brengen met alle daarmee samenhangende gevoelens van onrust en angst. Dit klemt eens te meer in een omgeving als die van Parnassia waar mensen opgenomen verblijven, soms gedwongen, omdat zij verpleging behoeven.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van een ander met de dood. Door aldus te handelen heeft de verdachte het betrokken slachtoffer niet alleen angst aangejaagd maar ook ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door een ander in zijn arm te bijten toen deze bijstand verleende bij het overbrengen van de verdachte naar een isoleercel. Dusdoende heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van dat slachtoffer.

De door de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, begane misdrijven, behoren tot de misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 mei 2010, eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, dat soortgelijk is aan een van de thans bewezenverklaarde feiten.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de tot het persoonsdossier van de verdachte behorende rapportages, zoals hieronder weergegeven:

- een Pro Justitia rapport d.d. 19 maart 2007 opgemaakt en ondertekend door W.J.L. Lander, psycholoog;

- een Pro Justitia rapport d.d. 2 augustus 2009 opgemaakt en ondertekend door drs. R. Thomassen, psychiater;

- een brief d.d. 21 juli 2009 opgemaakt en ondertekend door A.L. Faas, GZ-psycholoog;

- een Adviesrapport van Palier forensische & intensieve zorg, d.d. 1 juli 2009, opgesteld en ondertekend door dhr. C. Smalt en D.J.M. Boers, respectievelijk unitmanager en reclasseringswerker;

De behandeling van de zaak tegen de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2008 aangehouden teneinde naar aanleiding van het verzoek ter zake van de raadsman van de verdachte gedaan in haar aanwezigheid, door anderen dan de reeds bij de zaak betrokken gedragsdeskundigen Pro Justitia rapportage over de verdachte te doen opstellen.

De psychiater drs. R. Thomassen heeft bij rapport gedateerd 2 augustus 2009 verkort en zakelijk en voor zover hier van belang weergegeven, het volgende geconcludeerd. Bij de verdachte is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten was er bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling en/of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van die borderline stoornis en het symptomencomplex vanuit die stoornis heeft een causale relatie met de tenlastegelegde feiten. De situatie van de verdachte is complex en zorgelijk geworden. Zoals vaker bij een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis is het niet gelukt een stabiele situatie voor de verdachte te realiseren. De gedragsescalaties nemen toe en uiteindelijk is zij nog slechts op weinig plaatsen welkom. De afwijzingen zijn dan een feit, op onbewust niveau door de verdachte zelf geluxeerd door steeds de grenzen op te zoeken in contacten en gedrag. In de afgelopen jaren is een escalatie binnen dit model gezien. Die gedragsescalatie duren voort en er bestaat een hoog risico op delictrecidive.

Vanwege de voorgeschiedenis van de verdachte en de voorhanden gegevens over het verloop van haar behandeling en begeleiding adviseert hij om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Vanwege de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis is het opleggen van voorwaarden aan de verdachte ongeschikt om tot een veilig behandel- en begeleidingsprogramma te komen. Het doel van behandeling is het stabiliseren van het gedrag door een voor betrokkene als veilig ervaren omgeving te realiseren. Dit is tot nu toe - ook na intensieve interventies - niet mogelijk gebleken. Alleen met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt voldoende veiligheid voor betrokkenen zelf en haar omgeving geboden om haar verder te kunnen begeleiden en behandelen.

De psycholoog A.L. Faas heeft bij brief van 21 juli 2009 aan de advocaat-generaal te kennen gegeven dat de verdachte - verkort en zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - dat hij de opdracht retourneert omdat de verdachte niet meewerkt aan een onderzoek. De verdachte heeft hem te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een onderzoek.

Desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep op 28 mei 2010 heeft de verdachte dat beaamd en heeft zij - ook na een onderbreking van de zitting waarin zij ter zake overleg heeft gevoerd met haar raadsman - volhard in haar weigering om alsnog haar medewerking te verlenen aan een onderzoek door een psycholoog.

De psycholoog W.J.L. Lander heeft in zijn rapport gedateerd 19 maart 2007 verkort en zakelijk en voor zover hier van belang weergegeven, het volgende geconcludeerd.

De persoonlijkheid van betrokkene wordt gekenmerkt door borderline trekken die zodanig vanuit de ontwikkeling in de persoonlijkheid van de verdachte zijn verankerd, dat er bij haar sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheids-stoornis waaruit het plegen van de tenlastegelegde feiten kunnen worden verklaard. De kans op herhaling is reëel aanwezig en verdere psychiatrische behandeling is noodzakelijk. Daarvoor is een strakke behandelstructuur onontbeerlijk.

Het hof maakt op grond van artikel 37, derde lid van het Wetboek van Strafrecht gebruik van laatstgenoemd rapport ondanks het feit dat de verdachte daartoe geen toestemming heeft gegeven en dat rapport langer dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, nu de verdachte uitdrukkelijk weigert medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 37, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het reeds eerder genoemde rapport van GGZ Reclassering Parlier van 1 juli 2009.

Het hof neemt de conclusies van eerdergenoemde psychiater en psycholoog over en maakt die tot de zijne. Ook het advies van voornoemde psychiater neemt het hof over.

Nu het gevaar dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten opnieuw zal plegen - ook naar het oordeel van het hof - groot is, eist het belang van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld.

Ook aan de overige wettelijke voorwaarden als bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, met bevel dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van de onder feit 4 bewezenverklaarde mishandeling overweegt het hof dat zij het raadzaam acht te bepalen, in verband met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de ter zake van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, dat ter zake geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage van 15 maart 2007 onder parketnummer 09-925863-06 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens de Reclassering te Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dat een opname bij het [AFDELING] van GGZ Parnassia inhoudt. Aan de Reclassering is voorts de opdracht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht verstrekt.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot afwijzing van de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering is derhalve gegrond.

Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel geen termen aanwezig om die vordering toe te wijzen.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 37a, 37b, 157, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Gelast met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Bepaalt dat aan de verdachte met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage van 15 maart 2007 onder parketnummer 09-925863-06 opgelegde voorwaardelijke straf.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. Chr.A. Baardman en mr. C.G.M. van Rijnberk, in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni 2010.

Mr. C.G.M. van Rijnberk is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van aangifte van de Politie Haaglanden, nummer PL1532/2005/13876-1, d.d. 25 maart 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende de op 25 maart 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [verbalisant 2] (dossierpagina's 11-12).

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Politie Haaglanden, nummer PL1532/2005/13876-7, d.d. 14 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], inspecteur van politie, inhoudende de op 14 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte (dossierpagina's 15-17), en de bekennende verklaringen van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 mei 2007.

3 Het proces-verbaal van aangifte van de Politie Haaglanden, nummer PL1532/2005/13876-1, d.d. 25 maart 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende de op 25 maart 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [verbalisant 2] (dossierpagina 12), en het proces-verbaal van de Politie Haaglanden inclusief bijlagen inhoudende brandrapporten, nummer PL1532/2005/13876-16, d.d. 2 februari 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, inhoudende een relaas van deze opsporingsambtenaar (dossierpagina's 24-29).

4 Het proces-verbaal van bevindingen van de Politie Haaglanden met als bijlage een plattegrond van de Parnassia [afdeling], nummer PL1532/2005/13876-17, d.d. 2 februari 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, inhoudende een relaas van deze opsporingsambtenaar (dossierpagina's 30-32)

5 Het proces-verbaal van verhoor aangever van de Politie Haaglanden, nummer PL1532/2005/19588-1, d.d. 27 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, inhoudende de op 27 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [verbalisant 2] (dossierpagina's 5-6).

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Politie Haaglanden, nummer PL1532/2005/19588-5, d.d. 28 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], hoofdagent van politie, inhoudende de op 28 april 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte (dossierpagina's 7-8), en de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 mei 2007.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van de Politie Haaglanden met als bijlage een plattegrond van de Parnassia [AFDELING], nummer PL1532/2005/13876-17, d.d. 2 februari 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, inhoudende een relaas van deze opsporingsambtenaar (dossierpagina's 30-32).

8 Het proces-verbaal van aangifte van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/45050-2, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, [verbalisant 5], brigadier van politie, inhoudende de op 4 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [aangeefster 1] (dossierpagina's 16-17).

9 Het proces-verbaal van aangifte (vervolg aangifte) van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/45050-5, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, [verbalisant 5], brigadier van politie, inhoudende de op 8 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [aangeefster 1] (dossierpagina's 19-20).

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/45050-10, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, [verbalisant 5], brigadier van politie, inhoudende de op 8 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte (dossierpagina's 29-31), en het proces-verbaal van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/45050-11, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], inspecteur van politie, inhoudende de op 8 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte (dossierpagina's 13-14).

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/45050-6, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], brigadier van politie, inhoudende de op 8 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [persoon 1] (dossierpagina's 27-28).

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de politie, nummer PL1534/2007/45050-7, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], brigadier van politie, inhoudende de op 8 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [persoon 2](dossierpagina's 23-24).

13 Het proces-verbaal van aangifte van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/58102-3, d.d. 19 oktober 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], adspirant van politie, inhoudende de op 19 oktober 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [aangever 2] (dossierpagina's 14-16).

14 Het proces-verbaal van aangifte (vervolg aangifte) van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/58102-9, d.d. 24 oktober 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8], brigadier van politie, inhoudende de op 24 oktober 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [aangever 2] (dossierpagina's 17-19).

15 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de Politie Haaglanden, nummer PL1534/2007/58102-7, d.d. 24 oktober 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9], hoofdagent van politie, inhoudende de op 24 oktober 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [persoon 3] (dossierpagina's 20-22).