Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN9605

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
BK-10/00104
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Naar oordeel van het Hof brengt de omstandigheid dat het (primaire) taxatieverslag van de waardering van de woning niet voldoet aan de waarderingsinstructies van de Waarderingskamer niet met zich dat de waardebeschikking en de aanslag nietig zijn. Toetssteen voor de rechter is de norm neergelegd in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ. Belanghebbende stelt niet dat de Inspecteur met de door hem vastgestelde waarde die norm heeft miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2352
Belastingblad 2010/1541

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00104

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer d.d. 24 augustus 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2010, nr. AWB 09/3290 WOZ, betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg, heeft bij beschikking van 31 januari 2009 (hierna: de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2008 voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op € 882.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2009 bekendgemaakt.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking en de aanslag bij twee in een geschrift vervatte uitspraken gedagtekend 24 april 2009 gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op het bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 10 augustus 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. Het betreft een vrijstaande woning met garage en tuin. De woonoppervlakte is ongeveer 227 vierkante meter en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 934 vierkante meter.

3.2. De Inspecteur heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 11 augustus 2009 door ing. [A], makelaar en WOZ-taxateur, werkzaam bij [B] te [P]. Volgens dit taxatierapport heeft de taxateur de waarde van de woning getaxeerd op

€ 882.000.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of de WOZ-waarde van de woning op een rechtsgeldig is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende stelt - samengevat - dat bij de waardevaststelling de wet onjuist is toegepast aangezien de instructies van de Waarderingskamer voor de taxatie van woningen in het kader van de Wet WOZ, niet volledig in acht zijn genomen, meer in het bijzonder het voorschrift dat de vergelijkbare woningen in dezelfde buurt moeten zijn gelegen.

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, van de beschikking en de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Het Hof stelt voorop dat de Waarderingskamer belast is met het toezicht op de waardebepaling en de waardevaststelling door het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten. De Waarderingskamer heeft in dit kader waarderingsinstructies uitgevaardigd die hun grondslag hebben in artikel 20, tweede lid, van de Wet WOZ. Deze waarderingsinstructies zijn richtlijnen voor de gemeenten en dienen ter bevordering van de uniformiteit van taxaties.

6.1.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ dient de waarde van een woning te worden bepaald op de daaraan toe te kennen waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de woning meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde wordt betaald.

6.2. Belanghebbende heeft gesteld dat bij de taxatie van de woning de Inspecteur niet heeft gehandeld volgens de waarderingsinstructies van de Waarderingskamer. Zo liggen twee van de vergelijkingsobjecten die in het taxatieverslag zijn vermeld niet in dezelfde buurt als zijn woning.

6.2.1. De Inspecteur heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat als gevolg van de massaliteit van het proces van geautomatiseerde taxatie, het bij de primaire waardebepaling kan voorkomen dat het taxatieverslag niet voldoet aan alle aspecten van de waarderingsinstructies van de Waarderingskamer. In casu doet zich dat voor. Naar aanleiding van het beroep van belanghebbende is een taxatierapport opgesteld dat wel voldoet aan de waarderingsinstructies .

De waarde van de woning is vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ.

6.3. Naar oordeel van het Hof brengt de omstandigheid dat het (primaire) taxatieverslag van de waardering van de woning niet voldoet aan de waarderingsinstructies van de Waarderingskamer niet met zich dat de waardebeschikking en de aanslag nietig zijn. Toetssteen voor de rechter is de norm neergelegd in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ. Belanghebbende stelt niet dat de Inspecteur met de door hem vastgestelde waarde die norm heeft miskend.

6.4. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep faalt. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 24 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is niet ondertekend door de griffier omdat deze daartoe niet in de gelegenheid was.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.