Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN9316

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
200.067.322.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing noodzakelijk: voor de uithuisplaatsing had de minderjarige hoofdverblijf bij de moeder. Er is tussen de ouders daaromtrent niets geregeld terwijl de vader nu plaatsing bij hem vraagt. De minderjarige vraagt bijzondere opvoedingsvaardigheden. Niet duidelijk is of de vader daarover beschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.067.322.01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-598

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. Westendorp te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Zuid,

locatie: ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad,

en

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Diemen,

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

locatie Den Haag Zuid-Rijswijk,

hierna te noemen: de WSS.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de heer [X] en mevrouw [Z],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders,

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 1 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 maart 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De WSS heeft op 16 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 22 en 28 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad is op 16 juli 2010 bij het hof een brief ingekomen waarin de raad het hof bericht af te zien van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen en ter terechtzitting te zullen volstaan met een toelichting.

Op 28 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door mr. M. Krouwel, kantoorgenoot van mr. Westendorp, en de partner van de vader, mevrouw N.M. Verwijk. Namens Jeugdzorg zijn mevrouw A.M.J.D. Hensen en mevrouw I. Smets verschenen en namens de raad is mevrouw C. den Hartog verschenen. De moeder en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om haar mening ten aanzien van de uithuisplaatsing kenbaar te maken.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de hierna te noemen minderjarige onder toezicht gesteld van 16 maart 2010 tot 4 maart 2011 en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin van 17 maart 2010 tot 4 maart 2011. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Aan het verzoek in eerste aanleg, ingediend door de raad, ligt ten grondslag dat is verzuimd tijdig een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in te dienen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin voor de periode van 17 maart 2010 tot 4 maart 2011 van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 1998] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]).

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek tot uithuisplaatsing af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] thuis bij haar vader wordt geplaatst.

3. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat de in artikel 1: 261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog aanwezig zijn. Hij stelt daartoe dat er geen reden is om aan te nemen dat hij [minderjarige] niet zou kunnen verzorgen en opvoeden, zoals volgens hem ook uit het rapport van de WSS van 4 maart 2010 blijkt. De omstandigheid dat [minderjarige] al een lange periode in het pleeggezin verblijft en dat zij zich in die situatie goed ontwikkelt, doet hier volgens de vader niet aan af. De vader is van mening dat het van belang is voor [minderjarige] om een zo intensief mogelijk contact met hem te hebben.

4. De WSS stelt dat [minderjarige] vanwege haar stoornis en licht verstandelijke beperking een vaste structuur, duidelijke grenzen en een prikkelarme omgeving nodig heeft. Voorts dient er niet te veel emotionele betrokkenheid van haar te worden gevraagd. De vader doet volgens de WSS een emotioneel beroep op [minderjarige], waardoor zij in een loyaliteitsconflict komt. De WSS stelt dat het contact tussen de vader en de moeder een punt van zorg is wanneer [minderjarige] bij de vader zou gaan wonen. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder is niet altijd in het belang van [minderjarige] en de vader lijkt dit niet goed te overzien. Voorts stelt de WSS dat [minderjarige] in de vijf jaren bij de pleegouders een positieve vooruitgang heeft laten zien. De pleegouders bieden haar structuur en duidelijkheid en benaderen haar op een manier die haar emotioneel gezien zo min mogelijk belast. Ten slotte stelt de WSS dat er zorgen zijn dat de vader met [minderjarige] naar [buitenland] zal gaan verhuizen wanneer zij weer bij hem komt wonen, aangezien hij daar vermoedelijk een eigen zaak en een huis heeft.

5. De raad heeft ter terechtzitting te kennen gegeven Jeugdzorg te ondersteunen in haar verweer in hoger beroep, omdat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. Toen [minderjarige] in 2005 in het pleeggezin werd geplaatst was haar gedrag zeer zorgelijk. Zij kwam uit een zorgelijke opvoedsituatie en de vader werkte destijds niet mee met de hulpverlening. Het is in het belang van [minderjarige]’s ontwikkeling noodzakelijk dat zij op een stabiele plek blijft. Ook is het van belang dat daar duidelijkheid over wordt geschapen omdat [minderjarige] thans klem zit tussen de vader en het pleeggezin. De raad juicht het toe dat de vader bereid is mee te werken met de hulpverlening. Er dient een duidelijker beeld te komen van de vader.

6. Het hof stelt voorop dat de rechter, op grond van artikel 1:261, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Jeugdzorg op haar verzoek kan machtigen een minderjarig kind gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Voorwaarde hiervoor is dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gezondheid.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de wettelijke gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing ten tijde van de beoordeling van het verzoek door de kinderrechter aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat [minderjarige] een meisje is wier verzorging en opvoeding bijzondere opvoedingsvaardigheden vergt. Voorts is gebleken dat de vader haar reeds enige jaren niet meer heeft verzorgd en opgevoed en dat er in die tijd ook een periode geen contact tussen haar en de vader is geweest. Momenteel vindt er één keer per maand omgang plaats tussen de vader en [minderjarige], bij de vader thuis. Ook tussen Jeugdzorg en de vader is er in de afgelopen jaren niet voortdurend contact geweest. Ter terechtzitting is gebleken dat de recent aangestelde nieuwe gezinsvoogd nog geen contact heeft gehad met de vader, op het maken van een afspraak na, en daarom onvoldoende zicht heeft op de huidige gang van zaken bij de vader. Jeugdzorg heeft nog geen onderzoek kunnen doen naar de pedagogische vaardigheden van de vader. Het hof stelt daarnaast vast dat de vader niet duidelijk maakt hoe hij zich voorstelt de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in te richten en vorm te geven. Ook is niet geregeld bij wie [minderjarige] haar hoofdverblijf zou hebben, indien de uithuisplaatsing eindigt: de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit en ten tijde van de eerste uithuisplaatsing had [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in het pleeggezin noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Daarmee wordt nog altijd voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

8. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.