Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN9246

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
200.043.351-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7665, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ7061, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ7061
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van gezag over minderjarige, omdat de ouders hun beslissingen laten afhangen van ingevingen, die van God komen. Hiermee brachten zij de minderjarige in een onaanvaardbare situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 augustus 2010

Zaaknummer : 200.043.351/01

Rekestnr. rechtbank : 08-10403

[appellant],

geboren [in] 2006 te [geboorteplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. M.J.W. Hoek,

kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarige,

tegen

de raad voor de kinderbescherming, vestiging Den Haag,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

hierna te noemen: de vader,

en

[belanghebbende 2],

hierna te noemen: de moeder,

beide wonende te [woonplaats],

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

2. de stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,

kantoorhoudende te Assen,

hierna te noemen: Jeugdzorg (de voogdes),

3. [de pleegvader en de pleegmoeder],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders dan wel

respectievelijk de pleegvader en de pleegmoeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 3 september 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 juni 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 15 oktober 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de minderjarige zijn bij het hof op 4 september 2009 en op 18 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 24 juni 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de bijzondere curator en de ouders. Namens de raad is verschenen: mevrouw [V.] en namens Jeugdzorg zijn verschenen: mevrouw [T. ] en de heer [G. ]. Voorts is de pleegvader verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de pleegvader aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De bijzondere curator heeft ter terechtzitting, met instemming van de andere belanghebbenden, een aanvullend stuk overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de ouders, uitvoerbaar bij voorraad, van het ouderlijk gezag over de minderjarige ontheven en is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over de minderjarige.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Bij beschikking van 2 september 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Gouda, is mr. Hoek voornoemd ambtshalve tot bijzondere curator over de minderjarige benoemd, teneinde de minderjarige in en buiten rechte te vertegenwoordigen in de hoger beroepsprocedure bij dit hof. Bij beschikking van dit hof van 10 maart 2010 op een tegen die beschikking door Jeugdzorg ingesteld hoger beroep heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (naar het hof begrijpt:) het verzoek tot ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag af te wijzen en derhalve de benoeming tot een voogdes over de minderjarige achterwege te laten, subsidiair, indien en voor zover een voogdes zou worden bepaald (het hof leest: benoemd), daartoe de stichting Gereformeerde Jeugdzorg te benoemen.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De minderjarige stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ouders van het ouderlijk gezag heeft ontheven. Zij stelt daartoe het volgende. In 2006 is de minderjarige, die toen nog een baby was, uit huis geplaatst vanwege een kwestie met betrekking tot (bij)voeding. De rechtbank had zonder medische rapportage niet mogen vaststellen dat deze situatie levensbedreigend was. Immers, op basis van een verklaring van de oudste broer van de minderjarige kan niet worden uitgesloten dat bij de rechtbank ernstige, doch geheel onjuiste indrukken zijn gewekt als gevolg van de door Jeugdzorg schriftelijk en mondeling gedane uitlatingen over de lichamelijke toestand van de minderjarige. Voorts is onduidelijk waarom de ouders thans niet meer in staat zouden zijn hun opvoedingstaken te vervullen, nu de situatie van 2006 niet meer actueel is en er geen sprake is van een psychische stoornis bij de vader. Dit geldt te meer, nu in het eindverslag van Bureau Stek van september 2008 is vastgesteld dat het gezin geen verdere hulpverlening nodig heeft. Er is sinds de uithuisplaatsing geen onderzoek meer verricht naar de thuissituatie bij de ouders. Los van het feit dat niet gesteld of gebleken is dat er onvoldoende financiële middelen zijn om in het levensonderhoud en de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voorzien, vormt de omstandigheid dat de ouders van giften leven geen grond voor ontheffing van het ouderlijk gezag of uithuisplaatsing van de minderjarige. Ook de overweging van de rechtbank dat de ouders geen invulling hebben gegeven aan een family life met de minderjarige, door geen gebruik te maken van de bezoekregelingen, is geen grond voor ontheffing van het ouderlijk gezag. Daarnaast heeft de raad de taak te onderzoeken in hoeverre, al dan niet met begeleiding en in het kader van de ondertoezichtstelling, tot een terugplaatsing kan worden overgegaan. Niet is gebleken in hoeverre de mogelijkheid tot terugplaatsing of een minder vergaande maatregel is onderzocht. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat met de ontheffing duidelijkheid ontstaat over het toekomstperspectief van de minderjarige alsmede dat ontheffing haar rust en ruimte geeft om een emotionele binding met het pleeggezin aan te gaan. De minderjarige betwist ten slotte dat haar belang zich niet verzet tegen de ontheffing.

Ter terechtzitting is door de bijzondere curator aanvullend verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en het onderhavige verzoek gelijktijdig te beoordelen met de procedure ten aanzien van de uithuisplaatsing van de andere kinderen. Daartoe voert hij aan dat de kinderen uit het gezin van de minderjarige een zelfde, complexe problematiek hebben en het derhalve in het belang van de minderjarige is de belangen van haar zusje, dat in hetzelfde pleeggezin zit, in haar verzoek te betrekken.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Vooreerst betwist de raad gemotiveerd de stelling van de minderjarige dat de vaststellingen in rechtsoverweging 11 van de beschikking van 10 juni 2009 van het hof ten aanzien van de thuissituatie van [de oudste broer van de minderjarige] onverkort van toepassing zouden zijn op de situatie van de minderjarige. Immers, zo stelt de raad, de minderjarige is toen zij enkele maanden oud was reeds uit huis geplaatst en zij is gehecht in het pleeggezin waar zij sinds februari 2007 verblijft. Bovendien is zij, gelet op haar jonge leeftijd, zeer kwetsbaar en erg afhankelijk van de personen die de verzorging en opvoeding voor hun rekening nemen. Anders dan haar zestienjarige broer [de oudste broer van de minderjarige], is zij niet in staat een goede inschatting te maken van haar belangen. Voorts blijkt volgens de raad uit de overgelegde stukken dat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. De ouders hebben in 2006 uit geloofsovertuiging geweigerd de minderjarige bijvoeding te geven waardoor een voor haar levensbedreigende situatie ontstond. De minderjarige is hierop onder toezicht van Jeugdzorg gesteld en uit huis geplaatst. Sindsdien is er met behulp van de gezinsvoogd getracht aan de doelen van de ondertoezichtstelling te werken. Deze doelen zijn niet behaald. De gezinsvoogd en de ouders zijn niet tot een samenwerkingsrelatie gekomen; door verschil in visie bleek de communicatie vrijwel onmogelijk. De raad is van mening dat terugplaatsing van de minderjarige bij de ouders niet in haar belang is. De ouders leggen tot op heden de verantwoordelijkheid over te nemen beslissingen en te verrichten handelingen uitsluitend in de handen van God. Hierdoor kan de raad er niet op vertrouwen dat de minderjarige te allen tijde de basale zorg van de ouders zal krijgen en acht haar veiligheid bij de ouders dan ook onvoldoende gewaarborgd. Verder hebben de ouders sinds september 2007 op eigen initiatief geen omgang met de minderjarige en is er derhalve op geen enkele wijze sprake geweest van contactopbouw tussen de minderjarige en de ouders. Nu niet te verwachten is dat hierin op korte termijn verandering zal komen, is er naar het oordeel van de raad geen reëel perspectief op terugplaatsing van de minderjarige bij de ouders en acht de raad een ontheffing geïndiceerd. Bovendien zou een terugplaatsing, gelet op de hechting van de minderjarige in het pleeggezin, een bedreiging in haar ontwikkeling vormen. De minderjarige heeft recht op duidelijkheid over haar toekomstperspectief, continuïteit en ongestoorde hechting in het pleeggezin waar zij verblijft. De raad acht dit in het belang van de minderjarige en een ontheffing draagt hieraan bij. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen de ontheffing. Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

6. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige het goed maakt, dat zij haar plek in het netwerkpleeggezin heeft gevonden en dat het in het belang van de minderjarige is dat haar huidige plaatsing in het pleeggezin met een ontheffing van de ouders uit het gezag wordt gecontinueerd.

7. De vader heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat zijn overtuiging niet is veranderd. Behalve dat hij schuld heeft beleden ten aanzien van de minderjarige, heeft hij dat niet hoeven doen ten aanzien van de andere kinderen. Hij hoopte steeds dat de borstvoeding zou komen, maar deze kwam niet. [de arts] heeft de raad geïnformeerd. Er is een geestelijke reden waarom hij de minderjarige, op een enkele keer na, sinds september 2007 niet meer heeft gezien. Om dezelfde reden zijn de ouders, hoewel zij het niet eens zijn met de beslissing, niet zelf in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het is aan God om duidelijk te maken welke weg open staat en niet aan hem zelf. Desgevraagd heeft de vader verklaard dat hem in het verleden inderdaad een (financiële) handreiking is gedaan die hij toen niet heeft aangenomen. Het kan nog steeds zo zijn dat God zegt dat de weg niet open staat en dat hij een gift niet aanneemt.

8. De moeder heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat zij en de vader de minderjarige in augustus 2008 nog eenmaal bij haar ouders hebben gezien en dat zij in de eerste periode na de uithuisplaatsing eenmaal in de vijf à zes weken bij de minderjarige in [woonplaats] op bezoek gingen. De ouders zijn het niet eens met de ontheffing uit het ouderlijke gezag; zij zijn het met geen enkele rechtszaak eens geweest. Voorts heeft zij verklaard dat in de pedagogische rapporten staat dat de kinderen emotionele schade wordt aangedaan, maar dat de kinderen ook schade wordt berokkend door de uithuisplaatsing. Daar wordt niet over gesproken. Bij [de oudste broer van de minderjarige] is geen emotionele schade, omdat hij langer bij de ouders is geweest en weer terug is.

9. De pleegvader heeft ter terechtzitting verklaard aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotitie. Hij is van mening dat huidige plaatsing dient te worden gecontinueerd en de ouders ontheven dienen te blijven van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

10. Het hof overweegt als volgt.

Verzoek tot aanhouding van de zaak

11. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de bijzondere curator namens de minderjarige heeft verzocht, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de zaak te voegen met de zaken betreffende de uithuisplaatsing van andere kinderen van de ouders, nu het in die zaken om een andere vraagstelling gaat en voorts ten aanzien van ieder kind een individuele beoordeling dient plaats te vinden. Dit verzoek wordt derhalve afgewezen.

Ontheffing van het ouderlijk gezag

12. Het hof stelt voorop dat de wetgever het gezag niet onvoorwaardelijk aan een ouder toevertrouwt, maar het beschouwt als een plicht van een ouder om de minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijke en lichamelijke welzijn en de veiligheid van de kinderen. Indien een ouder daartoe onmachtig of ongeschikt is en het belang van de minderjarige zich daartegen niet verzet, kan een ouder krachtens artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) van het gezag worden ontheven.

13. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ouders op basis van hun geloofsovertuiging de verantwoordelijkheid voor het nemen van beslissingen of het verrichten van handelingen buiten zichzelf en uitsluitend bij hun geloof leggen. Zij nemen een afwachtende houding aan in die zin dat zij wachten op ingevingen van God die hen duidelijk maken wat zij in een bepaalde situatie moeten doen. Aldus is de situatie ontstaan dat in gevallen waarin een snel en adequaat optreden van de ouders is geboden, zij niet bij machte zijn om daarnaar te handelen. Zo is gebleken dat de ouders de minderjarige niet hebben bijgevoed, terwijl de borstvoeding van de moeder onvoldoende bleek te zijn. Het hof is van oordeel dat zij hierdoor een onaanvaardbaar risico hebben genomen. De minderjarige heeft via de maatregel van voorlopige voogdij in het ziekenhuis bijvoeding gekregen. In de periode die volgde op de ziekenhuisopname van de minderjarige hebben de ouders geen garanties kunnen geven aangaande de voeding van de minderjarige, waardoor de gezondheid van de minderjarige ernstig werd bedreigd. Door het verschil in visie tussen de ouders en de gezinsvoogdij-instelling bleek een samenwerkingsrelatie niet mogelijk en werden de doelstellingen van de ondertoezichtstelling niet behaald. Voor zover de minderjarige stelt dat vanuit de hulpverlening onvoldoende inspanningen zijn verricht om aansluiting te zoeken bij de religieuze achtergrond van de ouders, is het hof uit de stukken het tegendeel gebleken. Echter, doordat de vader zich niet bij enige geloofsgemeenschap heeft aangesloten, is het ook niet mogelijk gebleken met behulp van een theoloog een verandering in de zienswijze van de ouders teweeg te brengen. De ondertoezichtstelling is derhalve onvoldoende gebleken om de ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarige af te wenden en om die reden is de minderjarige sinds februari 2007 uit huis geplaatst in het huidige pleeggezin. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ouders, ondanks de uithuisplaatsing van inmiddels vrijwel al hun kinderen, geen verandering in de situatie hebben gebracht. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er hierdoor onvoldoende van kan worden uitgegaan dat de ouders in het belang van de minderjarige handelen, dat zij beslissingen op rationele en weloverwogen wijze zullen nemen dat zij daarbij in de basale levensbehoeften van de minderjarige kunnen voorzien. Daarnaast hebben zij sinds september 2007 – op een enkele keer na - geen contact meer gehad met de minderjarige. Zij willen contact met de minderjarige, maar leggen het initiatief daarvan bij God. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders niet in staat zijn gebleken feitelijk invulling te geven aan het ouderlijk gezag. Het hof acht de ouders derhalve onmachtig hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Niet valt te voorzien dat hierin binnen een afzienbare tijd een wijziging zal optreden. Van belang is dat de minderjarige recht heeft op en belang heeft bij contact met de ouders, maar aan de realisering van dit contact staat een ontheffing niet in de weg. Het belang van de minderjarige verzet zich dan ook niet tegen een ontheffing.

14. Nu de ouders zich tegen de verzochte ontheffing verzetten, kan de ontheffing slechts worden uitgesproken indien zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 BW zich voordoet. Ter toetsing van het hof ligt derhalve voor de vraag of er gegronde vrees bestaat dat, na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan één jaar en zes maanden, deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de ouders om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen – onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke en geestelijke belangen of van de gezondheid van de minderjarige weg te nemen.

15. Aangezien de ouders tot op heden geen wijziging hebben gebracht in hun leefwijze en, gelet op de ter terechtzitting door de ouders gedane verklaringen, niet te verwachten is dat zij hierin in de toekomst verandering zullen brengen, is het hof van oordeel dat er geen enkel perspectief is op een terugplaatsing van de minderjarige bij de ouders binnen afzienbare tijd. Daartegenover is gebleken dat het goed gaat met de minderjarige in het pleeggezin. Zij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat, groeit op in een gestructureerde en veilige opvoedingssituatie en heeft op regelmatige basis contact met haar broers en zussen. Het hof acht een continuering van de huidige plaatsing in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige. Er is echter geen sprake van een duurzame bereidheid van de ouders om de minderjarige in het pleeggezin te laten; zij hebben ter terechtzitting verklaard op termijn weer zelf voor de minderjarige te willen zorgen. Het is het hof gebleken dat de jaarlijkse verlengingen van de maatregelen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor spanningen zorgen in het pleeggezin. Alhoewel de minderjarige nog jong is, acht het hof het aannemelijk dat die spanningen voelbaar zijn voor de minderjarige. Door het laten voortduren van de onzekerheid over haar toekomstperspectief wordt haar ontwikkeling, door de daarmee gepaard gaande spanningen, reeds nu ernstig bedreigd. De pleegouders hebben uiteengezet dat de spanning die de situatie met zich meebrengt, zwaar op hen drukt. Het is in het belang van de minderjarige dat deze wordt weggenomen zodat de pleegouders ten volle beschikbaar zijn en kunnen blijven als opvoeders voor de minderjarige. Het hof acht het voorts in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige dat zij duidelijkheid verkrijgt over haar toekomstperspectief.

Naar het oordeel van het hof staat derhalve vast dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Hiermee is voldaan is aan de wettelijke gronden voor ontheffing van het ouderlijk gezag.

16. Ten aanzien van het verzoek van de minderjarige om de Stichting Gereformeerde Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarige te benoemen, overweegt het hof als volgt. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep aan de orde is gekomen. Kennelijk beoogt de bijzondere curator met zijn verzoek te stellen dat vanuit de hulpverlening aansluiting dient te worden gezocht bij de religieuze achtergrond van de ouders. Los van de vraag of een dergelijk verzoek voor het eerst in hoger beroep kan worden ingediend, ziet het hof geen aanleiding tot toewijzing van het verzoek. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat op basis van de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat Jeugdzorg rekening heeft gehouden met de religieuze achtergrond van de ouders en de minderjarige niet heeft aangetoond dat dit niet het geval is of dat zij hiervan schade ondervindt. Het hof ziet derhalve geen meerwaarde in benoeming van een andere voogdes zoals door de minderjarige voorgesteld. Het vorenstaande leidt tot afwijzing van het subsidiaire verzoek.

17. Het vorenstaande leidt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van de Poll, van Nievelt en Mink, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2010.