Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN8195

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
200.038.511-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letter of Credit + plaats van betaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel, kamer 2

Uitspraakdatum : 27 juli 2010

Zaaknummer : 200.038.511

Rolnummer rechtbank : 08/2883

Arrest

in de zaak van:

1. CONVOI B.V.,

gevestigd te Stein,

2. HCC ROTTERDAM (HUIJSER CERAMIC CONTRACTING) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

hierna te noemen: Convoi en HCC,

advocaat: mr. M. Spanjaart (Rotterdam),

tegen

GENERAL EQUITY BUILDING SOCIETY,

gevestigd te Auckland, Nieuw Zeeland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: General Equity,

advocaat: mr. F.M. Oudolf (Amsterdam).

Het geding

Convoi en HCC zijn bij exploot van 15 juli 2009 in hoger beroep gekomen van het door de Rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 6 mei 2009. Bij memorie van grieven hebben zij zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door General Equity bij memorie van antwoord zijn bestreden. Vervolgens zijn pleidooien gehouden. Na afloop is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Dit hoger beroep betreft een bevoegdheidsincident waarin de vraag is of General Equity, hoewel gevestigd in Nieuw Zeeland, in Nederland kan worden aangesproken tot betaling onder twee standby letters of credit - hierna: SL/C’s - die zij op 11 april 2008 heeft uitgegeven ten gunste van Convoi en HCC.

2. De uitgifte door General Equity van deze SL/C’s vond plaats in opdracht van LC Com Ltd, die daarbij handelde op verzoek van Dennison’s Machinery Movement and Installation Ltd (DMMI). Achtergrond van dit verzoek was dat DMMI wegens financiële problemen de door Convoi en HCC voor geleverde diensten in rekening gebrachte bedragen - Convoi: € 812.642,98 en HCC: € 406.909,01 - niet kon voldoen.

3. De SL/C’s vermelden onder meer het volgende (de nummers voor de regels /

zinnen zijn van het hof):

3.1 “We hereby issue our irrevocable standby letter of credit is detailed as under

[..]

3.2 Issuing bank: General Equity Building Society (private banking), Auckland, New Zealand 3.3 Swift: [..]

3.4 Advising Bank: ING Bank [..] Netherlands

3.5 Swift: [..]

[..]

3.6 Applicant: LC Com, Ltd [..] New York

[..]

3.7 Amount: EUR [€ 812.642,98 voor Convoi en € 406.909,01 voor HCC, opm. hof]

[..]

3.8 Beneficiary:

3.9 [Convoi, respectievelijk HCC, opm. Hof]

[..]

3.10 Payments against this SLC is available against the submission of the following original

documents at our counter at the following address: General Equity Building Society (Private

Banking), Level 27, PWC Tower 188 Quay street, Auckland 1010, New Zealand.

[..]

3.11 All bank charges outside New Zealand are on beneficiary’s account.

[..]

3.12 Available with any bank by negotiation

[..]

3.13 This letter of credit is subject to UCP No. 600.”

4. Convoi en HCC hebben op 4 juni en 9 juli 2008 documenten gepresenteerd aan General Equity en haar om betaling verzocht. General Equity heeft dat verzoek niet gehonoreerd met als reden dat de presentatie niet kredietconform was.

Convoi en HCC zijn het hier niet mee eens en vorderen daarom in rechte dat General Equity wordt veroordeeld tot betaling van de onder de SL/C’s verschuldigde bedragen.

De rechtbank heeft zich echter op vordering van General Equity onbevoegd verklaard. De overwegingen van de rechtbank hierbij zijn: (i) aangezien Brussel I-Vo toepassing mist, dient de bevoegdheid te worden onderzocht aan de hand van het commune Nederlandse recht; (ii) art. 6, aanhef en onder a, Rv verklaart de Nederlandse rechter bevoegd ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst indien de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in Nederland moet worden uitgevoerd; (iii) de verbintenissen van General Equity onder de SL/C’s zijn aan te merken als verbintenissen uit overeenkomst in de zin van art. 6 Rv.; (iv) of de verbintenis tot betaling in Nederland moet worden uitgevoerd moet worden vastgesteld aan de hand van het op de SL/C’s toepasselijke recht; (v) ingevolge het EVO is dit het recht van Nieuw Zeeland; (vi) uit de SL/C’s kan niet worden afgeleid dat (naar dat recht) in Nederland diende te worden betaald, zodat art. 6 Rv geen grond biedt voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter en (vii) omdat geen andere gronden voor rechtsmacht zijn gesteld of gebleken dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren.

5. De bezwaren van Convoi en HCC richten zich vooral tegen beide laatstbedoelde overwegingen: 4.(vi) en 4.(vii). Hieronder wordt ingegaan op deze bezwaren, maar eerst verdient opmerking dat in de memorie van grieven geen grief is aangevoerd tegen de - juiste en goed beargumenteerde - conclusie van de rechtbank dat de SL/C’s zijn onderworpen aan het recht van Nieuw-Zeeland. Wel hebben Convoi en HCC aangevoerd dat het in dit geval voor het resultaat niet uitmaakt of het recht van Nederland of dat van Nieuw Zeeland wordt toegepast omdat naar beide rechtstelsels de betaling van een geldsom een brengschuld is, waardoor er, aldus Convoi en HCC, in Nederland diende te worden betaald. Naar aanleiding hiervan het volgende.

6. Wat het Nederlandse recht betreft volgt de karakterisering van de betaling als brengschuld uit de wet: art. 6:116, lid 1, BW. Het voorafgaande art. 6:115 BW houdt evenwel in dat uit wet, gewoonte of rechtshandeling kan voortvloeien dat op een andere plaats moet worden betaald dan die volgens de artikelen 6:116-118 e.v. BW. Het recht van Nieuw Zeeland kent een soortgelijke regeling.

Zie voor bij wet voorziene afwijkingen als bedoeld in art. 6:115 BW bijvoorbeeld de artikelen 143a, lid 1, (de wissel, waarmee het documentair krediet veel gemeen heeft), 176, lid 1, (het orderbriefje) en 218a, lid 1, (de cheque) WvK, ten aanzien waarvan betaling steeds plaatsvindt: “ter woonplaats(e) van den betrokkene”, waarbij “betrokkene” is: “dengene, die betalen moet” (art. 178.3e WvK).

Of uit de rechtshandeling een andere betaalplaats voortvloeit, is een vraag van uitleg. De rechtbank heeft de SL/C’s - waarin de rechtshandeling is neergelegd - zo uitgelegd dat deze een plaats voor nakoming van de betalingsverplichtingen aanwijzen. De rechtbank haalt daarbij de hiervoor als 3.10 genummerde zin uit de SL/C’s als volgt aan:

“payments against this SLC is available [..] at our counter at the following address: General Equity [..], Level 27, PWC Tower 188 Quay street, Auckland, New Zealand”

7. Convoi en HCC maken bezwaar tegen deze onvolledige weergave van de betreffende zin en in het bijzonder tegen het weglaten van het hierna cursief weergegeven gedeelte daaruit:

“payments against this SLC is available against the submission of the following original documents at our counter at the following address: General Equity [..], Level 27, PWC Tower 188 Quay street, Auckland, New Zealand”

Volgens Convoi en HCC ziet de plaatsaanduiding in deze zin slechts op de locatie waar de documenten moeten worden aangeboden en niet tevens op de plaats van betaling. Die plaats wordt in de SL/C’s niet aangewezen, aldus Convoi en HCC.

8. Deze kritiek op de door de rechtbank gevolgde uitleg is ten dele gegrond, want de plaatsvermelding in de betreffende zin kan inderdaad ook en wellicht met meer recht worden gelezen als opgave van de locatie waar de documenten moeten worden gepresenteerd. Er is echter meer. De betreffende SL/C’s verklaren mede van toepassing: de UCP nr. 600 (zie hierboven: 3.13). Art. 6 van die UCP, met als kopje: “Beschikbaarheid, Vervaldatum en Plaats voor Presentatie” bepaalt in onderdeel a.: “Een krediet moet de bank vermelden waar het krediet beschikbaar is of vermelden dat het krediet beschikbaar is bij iedere bank [..]” en in onderdeel d.(ii): “De plaats van de bank waar het krediet beschikbaar is, is de plaats voor presentatie. De plaats voor presentatie onder een krediet dat beschikbaar is bij iedere bank is de plaats van iedere bank. [..]”.

9. Niet in geschil is dat de SL/C’s in elk geval de plaats voor presentatie vermelden, te weten het adres van General Equity in Auckland, Nieuw Zeeland. Volgens art. 6.d.(ii) UCP 600 is die plaats tevens de plaats waar het krediet beschikbaar is. Het krediet is dus - kosteloos (zie hierboven 3.11) - beschikbaar bij General Equity in Auckland, Nieuw Zeeland. Een redelijk uitleg van art. 6 (ii) UCP 600 brengt mee dat degene die over het krediet wil beschikken het dan ook - al dan niet langs elektronische weg - daar zal moeten gaan halen. Een en ander geldt ook naar het recht van Nieuw Zeeland, volgens welk recht het eveneens gaat het om een “collecting debt transaction”.

10. Uit de als 3.10 genummerde zin uit de SL/C’s, bezien in samenhang met het ontbreken van de aanwijzing van of overeenstemming over een andere bank voor presentatie en betaling, volgt dan ook genoegzaam dat Convoi en HCC zich voor de door hen verlangde betaling zullen moeten wenden tot het opgegeven adres van General Equity in Nieuw Zeeland. De plaatsaanduiding in de betreffende zin wordt derhalve geacht te zien op zowel de plaats van presentatie als op die van betaling. Voor het geschil over de vraag of de presentatie nu wel of niet kredietconform was en of General Equity uitbetaling mocht weigeren zullen Convoi en HCC zich daarom moeten wenden tot het gerecht van de vestigingsplaats van General Equity, zijnde bovendien het natuurlijke forum.

(Vergelijk in dit verband R.F. Bertrams, Bank Guarantees in International Trade, third revised edition, p. 449.: “As far as reported case law is concerned, beneficiaries and foreign issuing banks have invariably brought proceedings for payment in the (instructing) bank’s place of business, which is universally recognised as a proper forum, cf. art. 2(1) EU Regulation.”)

11. De overige omstandigheden waar Convoi en HCC zich op beroepen, te weten de vermeldingen in de SL/C’s van de Euro als valuta-eenheid, van hun Nederlandse ING-bankfilialen met bijbehorende Swift-codes, van de doorberekening van bankkosten bij transacties buiten Nieuw-Zeeland en van het “available with any bank by negotiation” geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat de bedragen in Euro’s luiden wekt geen verbazing, aangezien de genoemde bedragen met die valuta-aanduiding, de bedragen zijn die Convoi en HCC van DMMI te vorderen hebben, terwijl betaling in euro’s bovendien overal ter wereld kan geschieden. En wat de vermelding van de ING-vestigingen met de Swift-codes betreft, wordt opgemerkt dat de ING, ook volgens Convoi en HCC, geen confirmerende bank was, doch alleen advising bank. Er zijn ook geen rekeningnummers vermeld, IBAN’s (International Bank Account Numbers); wel Swift-codes, tegenwoordig: BIC-codes genaamd. Die zijn bedoeld voor het identificeren van een buitenlandse bank met het oog op het grensoverschrijdende betalingsverkeer (Swift staat voor: Society for Worldwide International Financial Telecommunication en BIC voor: Bank Identifier Code). Vermelding van die Swift-codes betekent niet dat General Equity haar voorwaardelijke betalingsverplichting onder de SL/C’s bij de Nederlandse bankfilialen van Convoi en HCC moest volbrengen. Hetzelfde geldt voor de vermelding over het doorberekenen van bankkosten bij buitenlandse transacties en van de mogelijkheid van (de in de UCP 600 gedefinieerde) negotiatie. In aanmerking nemende de aard van de rechtshandeling en de uitdrukkelijke aanwijzing van in elk geval de plaats waar de documenten moesten worden gepresenteerd en daarmee impliciet van de plaats waar het krediet beschikbaar was, vormen deze vermeldingen geen voldoende aanwijzing dat hier te lande onder de SL/C’s moest worden betaald. Convoi en HCC, aan wie de SL/C’s rechtstreeks zijn toegestuurd, mochten er, gegeven de tekst ervan, waartegen zij niet hebben geprotesteerd, ook niet op vertrouwen dat de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door Convoi en HCC aangevoerde bezwaren ongegrond zijn en dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard. Hieronder volgt daarom een bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van Convoi en HCC, vanwege hun ongelijk, in de proceskosten.

De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Convoi en HCC in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot

op heden aan de zijde van General Equity bepaald op € 313,= aan verschotten en

op € 2.682,= aan salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door J.M. van der Klooster, J.A. van Kempen en A.J. Berends en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2010 in aanwezigheid van de griffier.