Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN7952

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
MHV 200.061.332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht, ontslag executeur, gewichtige redenen, executeur was eerder bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/30.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-Gravenhage

Nevenzittingsplaats 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zevende Kamer

Uitspraak: 21 september 2010

Zaaknummer: HV 200.061.332/01

Zaaknummer eerste aanleg: 193052/09-3821

in de zaak in hoger beroep van:

1. [Appellante sub 1.], wonende te [woonplaats], en

2. [Appellante sub 2.], wonende te [woonplaats], en

3. [Appellant sub 3.], wonende te [woonplaats], en

4. [Appellant sub 4.], wonende te [woonplaats], en

5. [Appellante sub 5.], wonende te [woonplaats], en

6. [Appellante sub 6.], wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: appellanten,

advocaat: mr. N. Cohen,

tegen:

1. [Geintimerde sub 1.], wonende te [woonplaats], en

2. [Geintimeerde sub 2.], wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

tezamen verder te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat mr. Ph. van Kampen,

en de volgende door het hof als zodanig aangemerkte belanghebbenden:

[Belanghebbende sub 1.], wonende te [woonplaats],

[Belanghebbende sub 2.], wonende te [woonplaats], Duitsland,

[Belanghebbende sub 3.], wonende te [woonplaats], Duitsland,

[Belanghebbende sub 4.], wonende te [woonplaats], Duitsland,

[Belanghebbende sub 5.], wonende te [woonplaats],

[Belanghebbende sub 6.], wonende te [woonplaats],

[Belanghebbende sub 7.], wonende te [woonplaats],

en

Associatie Cassa ([belanghebbende sub 8.]) te [vestigingsplaats].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 26 november 2009 en 18 februari 2010, waarvan beroep.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is bij het hof binnengekomen op 31 maart 2010.

Verzocht wordt de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw recht doende, kort gezegd, [geintimeerden] c.s. als executeur te ontslaan, met nevenverzoeken.

2.2. Het verweerschrift met bijlagen is ter griffie van het hof binnengekomen op 21 mei 2010.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van

- de brief met bijlagen van mr. van Kampen d.d. 5 augustus 2010;

- de brief met bijlagen van mr. Cohen d.d. 16 augustus 2010;

- de brief van [belanghebbende sub 8.] van 13 augustus 2010, waarin zij aangeeft niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op maandag 6 september 2010. Daarbij waren aanwezig [appellante sub 1.] en haar echtgenoot de heer [X.], [appellant sub 3.] en [appellant sub 4.], vergezeld van hun advocaat, alsmede [geintimeerden] c.s. , vergezeld door hun advocaten. De advocaten hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Uitspraak is bepaald op heden.

3. De beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1. Op 8 september 2009 is te Vlissingen overleden [Y.], geboren op [geboortedatum] 1915, verder te noemen: erflaatster.

3.1.2. Appellanten sub 1 tot en met 5 zijn kinderen uit haar eerste huwelijk met de heer [Z.]. Appellante sub 6 is de dochter van appellante sub 1 en bij testament tot erfgenaam benoemd.

Erflaatster had uit haar tweede huwelijk, met de heer [A.], twee kinderen. [geïntimeerde sub 2.] is de weduwnaar van de dochter uit dit huwelijk; [geïntimeerde sub 1.] is de dochter van [geïntimeerde sub 2.] en dus kleindochter van erflaatster.

3.1.3. Erflaatster heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. Daarin zijn [geintimeerden] c.s. tot executeur benoemd, waarbij zij zowel tezamen als ieder afzonderlijk bevoegd zijn tot beheer van en beschikking over de nalatenschap. In het testament wordt onder andere verder bepaald:

De executeur moet aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak geven. (…)

De executeur treedt omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking niet in overleg met de erfgenamen. De executeur behoeft voor de tegeldemaking van een goed niet de toestemming van de erfgenamen.

De executeurs hebben hun benoeming aanvaard.

3.1.4. Erflaatster was de pleegdochter en erfgename van de nalatenschappen van het echtpaar [B.] en [C.]. De pleegouders hebben in hun testamenten een testamentair bewind ingesteld over hun vermogen. Bewindvoerder van dit vermogen is thans [belanghebbende sub 8.]. Erflaatster was vruchtgebruikster van de nalatenschap.

3.1.5. Erflaatster is aanvankelijk wegens verkwisting onder curatele gesteld. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 maart 1988 is de curatele opgeheven en zijn de revenuen van het aan erflaatster toebehorende vermogen onder meerderjarigenbewind gesteld. Tussen 24 juni 1997 en 10 mei 2006 was [geïntimeerde sub 2.] bewindvoerder; tussen 10 mei 2006 en het overlijden van erflaatster op 8 september 2009 was [geintimeerde sub 1.] bewindvoerder. Erflaatster woonde de laatste jaren van haar leven bij haar kleindochter (en gezin) in.

3.1.6. De revenuen (vruchten) uit het onder testament bewind staande vermogen bedroegen in 2008 € 27.277,- en in 2009

€ 13.613,41. Daarnaast genoot erflaatster AOW tot een bedrag van € 9.033,-. Derhalve ongeveer € 3.000,- per maand totaal.

3.2. De procespartijen

3.2.1. In eerste aanleg was appellante sub 5 niet één van de verzoeksters, maar zij was wel door de kantonrechter als belanghebbende aangemerkt. Haar hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

3.2.2. In eerste aanleg was [belanghebbende sub 1.] aangemerkt als verzoekster. In hoger beroep is zij geen appellante. Blijkens haar brief van 12 maart 2010 is haar naam in eerste aanleg ongevraagd genoemd. Een en ander neemt niet weg dat zij in dit geding als belanghebbende moet worden aangemerkt.

3.3. De grondslag voor het verzoek

3.3.1. Het onderhavig verzoek is gegrond op artikel 4:149 lid 2 BW: het ontslag van de executeurs op grond van gewichtige redenen. Het hof heeft in zijn beschikking van 21 november 2006, LJN AZ4506, in de rov. 4.4.1 tot en met 4.4.6, deze maatstaf nader gestalte gegeven. Het hof volhardt bij die uitleg:

Van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 4:149 lid 2 BW kan mede sprake zijn wanneer van een of meer van de erfgenamen niet kan worden gevergd dat de nalatenschap waarin zij deelgenoot zijn nog langer wordt beheerd door de testamentair benoemde executeur.

Tot de gewichtige redenen die aanleiding kunnen geven voor een ontslag behoort een diepgaand, niet aanstonds weg te nemen wantrouwen van de erfgenamen in de executeurs. Dit wantrouwen dient wel gestoeld te worden op concrete en objectieve feiten. Enkel subjectieve belevenissen zijn ontoereikend voor het verlenen van het ontslag. Appellanten doen op dit wantrouwen een beroep.

Het is aan de verzoekers, thans appellanten om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van zodanige gewichtige redenen.

3.3.2. Het hof voegt hieraan toe dat ex nunc wordt geoordeeld. Er wordt derhalve rekening gehouden met feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. In het bijzonder wordt gelet op de fase waarin de afwikkeling van de nalatenschap zich bevindt ten tijde van deze beschikking.

Het hof neemt dienaangaande in aanmerking dat de door [geintimeerde sub 1.] ingeschakelde notaris op 11 juni 2010 een boedelbeschrijving heeft doen opmaken. Deze wordt niet betwist. De voorlopige aanslagen voor de successierechten zijn, conform de aangifte verzorgd door KPMG, ontvangen en betaald. Te verdelen zijn banksaldi, een verhuurde onroerende zaak in Haarlem en inboedel als beschreven door de notaris. Taxatierapporten zijn opgemaakt. De erfgenamen zijn uitgenodigd om hun belangstelling voor de roerende zaken kenbaar te maken. Aldus moet worden geconstateerd dat de taak van de executeurs zich in een eindfase bevindt. Er moeten derhalve steekhoudende feiten en omstandigheden worden aangevoerd die aan afronding van de verdeling door de executeurs in de weg staan.

3.3.3. In grief 4 stellen appellanten dat de kantonrechter van een verkeerde maatstaf is uitgegaan doordat hij wantrouwen, voortkomend uit emotie en gesterkt door een gebrek aan communicatie en inlichtingen niet voldoende te vinden. De grief faalt want de kantonrechter heeft niet geoordeeld dat deze omstandigheden niet tot de maatstaf behoren. Hij oordeelde dat het gestelde wantrouwen en gebrek aan vertrouwen in de onderhavige zaak onvoldoende zijn voor toewijzing van het verzoek. De grond voor de emoties die appellanten jegens [geintimeerden] c.s. koesteren wordt in de stukken niet onderbouwd en is ter zitting niet toegelicht. Enkel subjectief beleefde emoties, waarvoor bovendien geen (redelijke) grond wordt aangevoerd, kunnen inderdaad niet bijdragen aan de hier bedoelde gewichtige redenen. Het aan de executeurs verweten gebrek aan communicatie en het verschaffen van inlichtingen, dat enkel is gegrond op een eigen beleving over hoe gecommuniceerd moet worden en welke inlichtingen wanneer moeten worden verschaft, dragen daar ook niet toe bij. Er zal sprake moeten zijn objectief vast te stellen omstandigheden, zoals de kantonrechter ook overwoog. En zulke omstandigheden heeft hij niet aangetroffen.

3.4. Het bewind

3.4.1. Appellanten voeren als eerste grond aan het wantrouwen in de handelwijze van de executeurs tijdens het bewind. De executeurs hebben, in hun hoedanigheid van bewindvoerder over erflaatster, nog geen rekening en verantwoording afgelegd en zullen dit alsnog moeten doen aan de erfgenamen. In dit verband stellen appellanten dat er aldus een belangen- verstrengeling ontstaat, die reden vormt voor het ontslag.

3.4.2. Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat [geintimeerden] c.s. in hun hoedanigheid van bewindvoerder nog rekening en verantwoording aan de erfgenamen (niet: aan zichzelf in hun hoedanigheid van executeurs, artikel 1:445 lid 1 BW) moeten afleggen, in beginsel geen grond oplevert voor ontslag uit hun testamentaire benoeming tot executeur. Bijzondere, door appellanten te stellen omstandigheden kunnen tot een ander oordeel nopen. De wijze waarop het bewind is gevoerd kan zodanig zijn geweest dat zij grond oplevert voor de conclusie dat van de erfgenamen voortzetting van de afwikkeling van de nalatenschap door de executeurs niet kan worden gevergd.

[Geintimeerde sub 1.] heeft een begin van rekening en verantwoording in het geding gebracht, namelijk over de jaren 2008 en 2009. [Geintimeerden] c.s. hebben gesteld dat zij tijdens hun bewind de revenuen aan erflaatster ten goede hebben doen komen en dat erflaatster die mocht verteren en ook heeft verteerd.

3.4.3. Het hof heeft in de kritiek van appellanten op de wijze waarop de bewindvoering is gevoerd geen grond gevonden om aan te nemen dat [geintimeerden] c.s. hun taak als executeurs niet naar behoren zullen uitvoeren of dat er redenen zijn op grond waarvan zij hun taken niet zouden kunnen voortzetten.

Het hof neemt daarbij in overweging dat erflaatster weliswaar onder bewind stond en dat moet worden aangenomen dat haar geestesvermogens gestoord waren, art. 1:431 BW, maar dat, tegen de achtergrond van de voorafgaande curatele wegens betwisting, deze kennelijk niet zodanig gestoord waren dat erflaatster niet in staat zou zijn geweest om hetgeen haar werd gelaten aan levensonderhoud, naar behoren en verantwoord te besteden. Het hof kan het beleid van de achtereen- volgende bewindvoerders om erflaatster de revenuen van het (aanzienlijke) vermogen zelf en naar eigen goeddunken te laten besteden voorshands billijken. Daarbij komt dat dit beleid, dat kennelijk al van ver vóór 1988 werd gevoerd, door appellanten nimmer, ook niet in deze procedure, ter discussie is gesteld.

De kritiek heeft deze uitgaven niet tot onderwerp, maar spits zich toe op de aan [geintimeerde sub 1.] bestede bedragen, die overigens, behoudens een bijdrage in de woonkosten van € 10.000,- per jaar, beperkt van omvang zijn. De gegrondheid van gestelde verdenking op het ten onrechte ten eigen bate aanwenden van onverteerde revenuen is het hof niet kunnen blijken. De enkele omstandigheid dat appellanten een ander beleid zouden hebben gevoerd, en enkele uitgaven van erflaatster onnodig vinden, is ontoereikend voor afkeuring van het beleid van bewindsvoerders. Daarbij overweegt het hof nog dat zelfs als moet worden aangenomen dat erflaatster [geintimeerden] c.s. heeft willen bevoordelen, dit op zich zelf genomen nog niet ongeoorloofd is.

3.5. De executele

3.5.1. Appellanten voeren als tweede grond voor wantrouwen aan de wijze waarop de executele tot op heden is gevoerd.

3.5.2. Appellanten noemen eerst dat de boedelbeschrijving niet tijdig is opgemaakt, namelijk niet binnen twee maanden. Zij verwijzen kennelijk naar de door de boedelbeschrijving van de notaris van 11 juni 2010. Appellanten beklagen zich er ook over dat [geintimeerden] c.s. nog in de maand van overlijden de woonruimte van erflaatster heeft ontruimd, haar inboedel heeft laten taxeren en de inboedel heeft laten opslaan. Er zouden kosten voor niets zijn gemaakt.

Naar het oordeel van het hof hebben de executeurs juist en met een vooruitziende blik gehandeld door een taxatierapport op te laten maken en de boedel te laten opslaan. Gelet op de thans tentoongespreide achterdocht van appellanten jegens [geintimeerden] c.s. is als gevolg van deze handelwijze geen discussie meer mogelijk over de omvang en plaats van de inboedel en de waarde daarvan. Aan de verplichting een boedelbeschrijving van de inboedel op te maken is hiermee ruimschoots voldaan. De kosten zijn dan ook niet nodeloos gebleken. Bovendien valt niet in te zien dat [geintimeerden] c.s. de inboedel van erflaatster zou moeten laten staan ten behoeve van appellanten en zelf niet zou mogen beschikken over de woonruimte, die van haar woning deel uitmaakt.

3.5.3. Appellanten nemen het executeur voorts kwalijk dat zij niet meteen en spontaan appellanten hebben geïnformeerd over het bestaan van een hypothecaire geldlening door erflaatster aan [geintimeerde sub 1.] verstrekt. Het hof acht deze klacht ongegrond. Al op 12 november 2009 zijn appellanten op de hoogte geraakt van het bestaan van de hypotheek (door een eigen onderzoek in het kadaster). Doordat zij zelf bekend waren met het bestaan daarvan hoefde [geintimeerde sub 1.] appellanten niet nader te informeren. [geintimeerde sub 1.] behoefde bovendien niet spontaan te informeren, omdat dit in het testament zo was bepaald, zie rov. 3.1.3. Er bestaat geen enkele grond – en op geen enkele wijze is die door appellanten aannemelijk gemaakt - om aan te nemen dat [geintimeerde sub 1.] het bestaan van deze geldlening heeft willen verzwijgen. Overigens is de lening in maart 2010 door [geintimeerde sub 1.] afgelost zodat zij voor de afwikkeling van de nalatenschap geen rol meer speelt.

3.5.4. Appellanten verwijten executeurs voorts in gebreke te zijn gebleven om de onmiddellijk (dat wil zeggen daags na het overlijden van erflaatster op 8 september 2009) opeisbare geldlening (tegen een rente van 4,5%) van € 175.000,- te incasseren. Deze klacht faalt omdat die verplichting niet bestaat. De omstandigheid dat een geldlening opeisbaar is maakt nog niet dat deze ook moet worden opgeëist. Het is gebruikelijk dat een dergelijke geldlening wordt verrekend met de te ontvangen erfenis (die daarvoor ruim toereikend is) om de hypotheekgever niet op kosten te jagen. Daarbij komt dat het rendement veel hoger zou zijn geweest als [geintimeerde sub 1.] niet tot aflossing zou zijn overgegaan (het geld staat nu op een bankrekening en levert 0,25% op). Het was dus onterecht van appellanten om op aflossing aan te dringen.

3.5.5. Appellanten menen dat executeurs niet toereikend hebben voldaan aan hun inlichtingenplicht. Zo verwijten zij executeurs van plan te zijn de onroerende zaak in Haarlem in verhuurde staat te willen verkopen. Deze klacht faalt. Executeurs waren daartoe bevoegd ook zonder overleg met appellanten (rov. 3.1.3). De omstandigheid dat de bank en de notaris erfgenamen hebben geadviseerd van dit plan af te zien, waarna executeurs hebben afgezien van de uitvoering van het plan, levert geen omstandigheid op die het wantrouwen van appellanten rechtvaardigt.

Het hof acht het bovendien, in aanmerking nemende de wijze waarop appellanten [geintimeerden] c.s. bejegenen – namelijk met achterdocht en wantrouwen en beschuldigingen waarbij elke vorm van normale emotieloze communicatie door hen lijkt te worden gefrustreerd; het inleidend verzoekschrift is gedateerd op 5 oktober 2009, nog geen maand ná het overlijden van erflaatster -, begrijpelijk dat [geintimeerden] c.s. huiverig zijn geworden informatie te verschaffen. Overigens blijkt uit de in geding gebrachte correspondentie dat [geintimeerden] c.s. appellanten toereikend, en vooral behoorlijk, hebben geïnformeerd. Dat die informatie vragen oproept, is niet te voorkomen ([geintimeerden] c.s. zijn immers geen professionals) en levert geen grond voor wantrouwen.

Veelzeggend voor de houding van appellanten jegens [geintimeerden] c.s. is dat zij er een punt van maken of de door [geintimeerden] c.s. ingeschakelde notaris nu al dan niet moet worden aangemerkt als boedelnotaris. Zijn onafhankelijkheid wordt in twijfel getrokken. De notaris heeft overigens verklaard door executeurs te zijn aangezocht als boedelnotaris te fungeren. Appellanten verwijten de notaris tekort te schieten in de communicatie. Naar het oordeel van het hof is het door appellanten gestelde maar niet aannemelijk gemaakte disfunctioneren van de notaris geen grond voor toewijzing van het verzoek. Het is voor partijen de aangewezen weg om een afspraak maken met de notaris voor de verdere afwikkeling van de nalatenschap.

Ter zitting is het hof nog gebleken dat [geintimeerde sub 1.] huiverig is met afgifte van afschriften van de bank- en girorekeningen van erflaatster en de rapporten van KPMG. Zij heeft ter zitting toegezegd alsnog de afschriften en de rapporten aan appellanten ter hand te zullen stellen. Daarmee is dit aspect voor het hof afgedaan.

3.5.6. Appellanten nemen executeurs kwalijk dat zij in oktober 2009 de volledige effectenportefeuille (waarde van ongeveer 2 miljoen euro) in een keer hebben laten liquideren en op een laag rentegevende bankrekening hebben geparkeerd. Executeurs hebben evenwel aangetoond dat zij met de verkoop hebben gehandeld overeenkomstig de wijze waarop de bank zelf handelt. Tot uitkering van voorschotten is het nog niet gekomen. De onderhavige procedure lijkt daarin een rol te spelen. Voor [geintimeerden] c.s. zijn de gemaakte aantijgingen en het boven hun hoofd hangende ontslag - begrijpelijkerwijze - aanleiding geweest om haar werkzaamheden te beperken en zoveel mogelijk over te laten aan de notaris en KPMG. Het hof ziet geen aanleiding om op deze grond het verzoek tot ontslag toe te wijzen. Partijen doen er raadzaam aan zich te wenden tot de notaris - of een mediator - teneinde de afwikkeling van de nalatenschap af te ronden.

3.5.7. Het hof ziet in de wijze van optreden van executeurs geen grond voor een objectief te rechtvaardigen wantrouwen van appellanten en derhalve voor toewijzing van het verzoek.

3.6. De conclusie is dat de grieven niet kunnen leiden tot een andere beslissing.

3.7. Ter gelegenheid van de zitting is nog de asbestemming ter discussie gesteld. [Geintimeerde sub 1.] beschikt over de urn en de as. Zij heeft ter zitting haar medewerking toegezegd aan verdeling, door het crematorium, van de as in twee gelijke delen waarna één deel in Nederland en één deel in Ierland op de door appellanten aangewezen plaats (mits toestemming wordt verleend) kan worden verstrooid. Op dit punt bestaat daarmee geen geschil meer.

3.8. Het hof zal de kosten compenseren.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

compenseert de kosten aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Schaafsma-Beversluis en Van Ham en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2010.