Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN7454

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
200.058.467.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijzigen gezag over minderjarige. BW 1:253 o en 253n

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 juni 2010

Zaaknummer : 200.058.467/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-5305

[appellant],

wonende te [adres],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.W. Hu te [adres],

tegen

[geïntimeerde],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Frissen te [adres].

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

kantoorhoudende te [adres],

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudende te [adres],

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 1 maart 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 februari 2010 van de rechtbank [adres].

De moeder heeft op 7 april 2010 een verweerschrift ingediend.

Op 14 april 2010 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaken bekend onder zaaknummers 200.057.014 en 200.057.009. Verschenen zijn: de advocaat van de vader en de advocaat van de moeder. Namens Jeugdzorg zijn verschenen: mevrouw D.N. van Bergen-van der Grijp (teamleider) en mevrouw E. de Lange (gezinsvoogd). Namens de raad zijn verschenen mevrouw J.J. de Kok en mevrouw J.E. van der Sande. De vader noch de moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, in persoon verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouwe van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - met wijziging in zoverre van de beschikking van de kantonrechter te

[adres] van 8 december 2003 - de moeder -in plaats van de vader- belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] te [adres]. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de wijziging van het gezag over de minderjarige.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de moeder tot wijziging van het eenhoofdig gezag af te wijzen en te verklaren voor recht dat de moeder onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vader.

3. De moeder bestrijdt het beroep.

4. Ter toelichting op zijn hoger beroep voert de vader een aantal grieven aan, die ertoe strekken dat aan hem het eenoudergezag toekomt. Hij stelt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door in de beschikking op te nemen dat de moeder ter terechtzitting heeft gesteld dat zij haar verzoek tevens doet steunen op de stelling dat de omstandigheden na dagtekening van voormelde beschikking zijn gewijzigd. De vader vindt de conclusie van de rechtbank dat het niet onaannemelijk is dat de vader veel invloed heeft op de moeder onbegrijpelijk en deze vindt volgens hem nergens ondersteuning. Verder haalt de rechtbank passages aan uit processtukken van de strafzaak tegen de vader en verbindt daar ten onrechte het oordeel aan dat het opmerkelijk is dat de moeder, zoals de vader stelt, uit vrije wil zou hebben meegewerkt aan het convenant. Voorts meent de vader dat de rechter ten onrechte overweegt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een wijziging in de gezagssituatie zou rechtvaardigen. De rechtbank gaat er volgens hem ten onrechte van uit dat de moeder feitelijk steeds de primair verzorgende ouder is geweest. Hij stelt verder dat de rechtbank ten onrechte niet alle omstandigheden van het geval in acht heeft genomen en een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de afweging van de belangen en bij de invulling van het begrip “het belang van het kind” voor zover de rechtbank het in het belang van het kind heeft geacht dat de status quo gehandhaafd dient te worden. De vader voert verder aan dat de rechtbank haar beslissing (mede) heeft gebaseerd op overwegingen die niet uitdrukkelijk zijn opgenomen in de beschikking. De vader wordt daardoor de mogelijkheid ontnomen zich daartegen in rechte te verweren. Voorts vermoedt de rechtbank dat de vader wel degelijk de moeder tegen haar wil zou hebben gedwongen. Dit is volgens de vader in strijd met artikel 6 EVRM. Ten slotte meent de vader dat de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 8 EVRM heeft afgewezen op grond dat artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) hierop voorrang heeft.

5. De moeder heeft de grieven van de vader gemotiveerd bestreden.

6. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de wijziging van omstandigheden in ieder geval is gelegen in het feit dat de relatie van partijen verbroken is. Tevens is er sprake van een ondertoezichtstelling van beide kinderen en is voor de minderjarige een machtiging uithuisplaatsing verleend. De moeder ervaart de vader nog steeds als zeer bedreigend. Volgens Jeugdzorg is deze bedreiging reëel, mede gelet op het feit dat de huidige partner van de vader op 30 maart 2010 melding heeft gedaan van huiselijk geweld. Hij is meermalen in verband gebracht met mishandeling. Momenteel zit de vader in bewaring. De communicatie tussen de moeder en de vader verloopt slecht. De vader begrijpt niet dat er een dreiging van hem uitgaat, als hij bijvoorbeeld bij school informatie opvraagt, hetgeen Jeugdzorg zorgelijk acht. De vader begrijpt volgens Jeugdzorg niet dat de belangen van de minderjarige hierdoor worden geschaad. Hij kan zich niet inleven in de moeder of de minderjarige. Jeugdzorg acht het in het belang van de beide minderjarigen dat zij samen opgroeien. De moeder, die feitelijk steeds de primair verzorgende ouders is geweest en bij wie de kinderen thans ook verblijven, verzorgt de kinderen en voedt hen op. De minderjarigen blijven anders betrokken bij de problemen en de ruzies tussen de ouders. Jeugdzorg persisteert bij haar standpunt dat het eenoudergezag bij de moeder dient te berusten.

7. De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige veilig moet kunnen opgroeien, hetgeen in de huidige situatie, waarbij de minderjarige bij de moeder verblijft op een locatie waar zij enige rust en stabiliteit vindt, het geval is. Er is geen communicatie tussen partijen. De vader dient veel WOB-verzoeken in bij de raad, waarbij hij zich zeer argwanend opstelt. De ene procedure volgt de andere op, hetgeen niet in het belang van de minderjarige is. De raad volgt het standpunt van de moeder en van Jeugdzorg.

8. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen beslissingen, waarbij een ouder alleen met het gezag is belast ingevolge het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 2a van titel 14 van boek 1 en het bepaalde in artikel 1:253n op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De verandering van de situatie moet in elk geval zodanig zijn dat het niet langer in het belang van het kind is de bestaande toestand te handhaven.

9. Het hof is van oordeel dat genoegzaam is gebleken van een wijziging van omstandigheden. Deze is hierin gelegen dat na 8 december 2003 de relatie van partijen verbroken is. Daarenboven is het andere kind pas in 2006 geboren. Inmiddels verblijft de moeder met beide kinderen elders vanwege haar gedwongen vlucht. Tevens is er sprake van een ondertoezichtstelling van beide kinderen en is voor wat betreft de minderjarige een machtiging uithuisplaatsing verleend.

10. Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat deze wijziging van omstandigheden een wijziging in het gezag, in die zin dat de moeder met het eenhoofdig gezag over de minderjarige wordt belast, rechtvaardigt. Het hof overweegt daartoe dat de vader er onvoldoende blijk van heeft gegeven de belangen van de minderjarige te allen tijde voorop te stellen. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de minderjarige veel wisselingen van woonplaats en spanningen heeft meegemaakt, en zij bij de moeder, zoals in de crisisopvang is gebleken, thans enige rust en stabiliteit vindt. Gebleken is dat de relatie tussen de moeder en de vader verslechterde in de loop der jaren, zodanig dat de moeder zich genoodzaakt zag om de samenleving te verbreken en haar toevlucht te zoeken in een “blijf van m’n lijf huis”. Communicatie tussen de ouders is er niet of nauwelijks. Aannemelijk is gemaakt dat de minderjarige door de belaste voorgeschiedenis extreem angstig is om door haar moeder verlaten te worden. Alvorens de moeder terecht kon in een “blijf van m’n lijf huis” is er door de raad een risicotaxatie gemaakt. Op basis van die risicotaxatie is voor de moeder gezocht naar een plek waar zij veilig met de minderjarige(n) zou kunnen verblijven. Tijdens het verblijf in het ”blijf van m’n lijf huis” is vervolgens weer een risicotaxatie opgemaakt en die gaf aanleiding om het verblijf aldaar te continueren en het verblijf van de moeder en de kinderen geheim te houden. Het hof acht het in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige dat de huidige situatie, waarin zij rust en regelmaat ervaart en de band met de moeder gehandhaafd blijft, wordt voortgezet en dat de juridische situatie overeenstemt met de feitelijke doordat de moeder belast is met het eenhoofdig gezag. Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank niet buiten de rechtsstrijd getreden, nu zij heeft beslist op een door de moeder aangevoerde grond voor haar verzoek tot wijziging van het gezag. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

11. Voor de verzochte verklaring voor recht bestaat rechtens geen grond.

12. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Bouritius en van der Kuijl, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2010.