Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN7298

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
17-09-2010
Zaaknummer
22-000096-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zijn toenmalige echtgenote en zijn toenmalige zwager, de broer van zijn echtgenote, mishandeld, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Voorts heeft de verdachte zich -op de hiervoor bewezen verklaarde wijze- schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige echtgenote. Dit zijn ernstige feiten, waardoor de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers heeft geschonden. De omstandigheid dat verdachtes ex-echtgenote geen ernstiger of blijvend letsel heeft opgelopen ten gevolge van het jegens haar gepleegde geweld is geenzins aan de verdachte te danken. Daarnaast heeft de verdachte een auto, die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, verduisterd. Dit is een ergerlijk feit. Door zijn brutale handelwijze heeft de verdachte het door zijn toenmalige werkgever in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast wijst het hof de vordering tot tenuitvoerlegging toe, in die zin dat in plaats van de voorwaardelijk opgelegde straf, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000096-09

Parketnummers: 09-900700-08 en 09-411113-08

Rolnummer TUL: 22-005031-06

Datum uitspraak: 12 juli 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

22 december 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 25 september 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2:

hij op of omstreeks 25 september 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], meermalen, althans eenmaal heeft gestompt/geslagen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of meermalen, althans eenmaal de keel heeft dichtgeknepen en/of aan de haren heeft getrokken en/of van de trap heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 aht7sub 1 Wetboek van Strafrecht

3:

hij op of omstreeks 25 september 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 september 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een kopstoot heeft gegeven, en/of met zijn ring boven zijn oog te hebben geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4:

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2008 tot en met 20 augustus 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een personenauto (merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [onderneming 1] en/of [betrokkene 1] en/of [onderneming 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als uitzendkracht/werknemer van [onderneming 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2008 tot en met 20 augustus 2008 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [onderneming 1] en/of [betrokkene 1] en/of [onderneming 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde, zoals in het vonnis omschreven. Voorts is de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf onder rolnummer 22-005031-06 toegewezen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 25 september 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op 25 september 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot te weten [slachtoffer 1], meermalen heeft geslagen tegen het hoofd en het lichaam en aan de haren heeft getrokken en van de trap heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3 subsidiair:

hij op 25 september 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer 2] met zijn ring boven zijn oog heeft geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4 primair:

hij in de periode van 19 juni 2008 tot en met 20 augustus 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een personenauto (merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken]), die toebehoorde aan [onderneming 2], en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als uitzendkracht van [onderneming 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde:

Mishandeling.

Ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde en dat hij ter zake van het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdentachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zijn toenmalige echtgenote en zijn toenmalige zwager, de broer van zijn echtgenote, mishandeld, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Voorts heeft de verdachte zich -op de hiervoor bewezen verklaarde wijze- schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige echtgenote. Dit zijn ernstige feiten, waardoor de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers heeft geschonden. De omstandigheid dat verdachtes ex-echtgenote geen ernstiger of blijvend letsel heeft opgelopen ten gevolge van het jegens haar gepleegde geweld is geenzins aan de verdachte te danken.

Daarnaast heeft de verdachte een auto, die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, verduisterd. Dit is een ergerlijk feit. Door zijn brutale handelwijze heeft de verdachte het door zijn toenmalige werkgever in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2010, is de verdachte eerder, zij het in een verder verleden, meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarnaast acht het hof het passend en geboden om aan de verdachte -uit een oogpunt van speciale preventie- een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. Het hof zal aan die straf - gelet op de wijzigingen in verdachtes persoonlijke situatie, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - niet de door de politierechter op advies van de reclassering verbonden bijzondere voorwaarde verbinden.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 februari 2007 onder rolnummer 22-005031-06 is de verdachte onder meer veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van één maand, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet-tenuitvoergelegde straf, in dier voege dat zij heeft gevorderd dat het hof een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zestig uren zal gelasten.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie is derhalve gegrond. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - zal het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, in plaats van de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te gelasten, een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zestig uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 300, 302, 304, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 90 (negentig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van

1 (één) maand.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe, in die zin dat in plaats van de bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 februari 2007 onder rolnummer 22-005031-06 voorwaardelijk opgelegde straf, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van

60 (zestig) uren,

te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (dertig) dagen voor het geval die werkstraf niet naar behoren wordt verricht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. S.J.A.M. van Gend en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juli 2010.

Mrs. M.P.J.G. Göbbels en J.C.F. van Gelder zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.