Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN6792

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
13-09-2010
Zaaknummer
22-003116-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van de in haar strafzaak bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten. Het hof legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 20.582,00 (twintigduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-003116-08 PO

parketnummer 10-600091-06

datum uitspraak 5 juli 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2008 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1969,

[adres].

Procesgang

Bij arrest van dit hof van 19 augustus 2009 is de veroordeelde onder andere ter zake van het in haar strafzaak onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

Medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde heeft op 24 augustus 2009 tegen bovengenoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 30 mei 2008 het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 90.613,96, en aan de veroordeelde, ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 90.613,96.

Namens de veroordeelde is op 13 juni 2008 tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 5 augustus 2009 en 7 juni 2010.

Vordering van het openbaar ministerie

De vordering van het openbaar ministerie in eerste aanleg hield - na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg - in dat aan de veroordeelde de verplichting zou worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 61.269,89, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in haar strafzaak bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot vaststelling van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 97.401,- en tot oplegging van een betalingsverplichting aan de veroordeelde van dat bedrag.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van de in haar strafzaak bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof stelt vast dat de politie in de onderhavige strafzaak een financieel onderzoek heeft ingesteld. De rechtbank is, met gebruikmaking van de in het politie-onderzoek gehanteerde kasopstelling en de bevindingen daarbij, gekomen tot de schatting van een (zeer) hoog wederrechtelijk genoten voordeel en heeft de ontneming van dat gehele bedrag bevolen.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de rechtbank gevolgde berekeningswijze geen recht doet aan het beeld dat voor wat het hof betreft uit het dossier naar voren komt, namelijk dat het gelet op de bescheiden hoogte van de moneytransfers, die zouden samenhangen met de invoer van harddrugs in Nederland respectievelijk uitvoer van softdrugs naar de Nederlandse Antillen, bepaald niet lijkt te gaan om een omvangrijke drugshandel, terwijl ook anderszins op geen enkele wijze aanzienlijke winsten aannemelijk zijn geworden. Het hof acht het daarnaast niet juist om bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zowel de met de moneytransfers gemoeide bedragen als de waarde van de (als tegenprestatie) geleverde drugs (althans in de periode vanaf 2005) - cumulatief - als onverklaarde uitgaven (die dus met illegale winsten moeten zijn gefinancierd,) aan te merken. Bovendien acht het hof het niet juist om geen rekening te houden met de component huurkosten in de door veroordeelde genoten uitkering. Meer in algemene zin acht het hof daarom de gehanteerde methode van kasopstelling niet bruikbaar in de onderhavige zaak.

Hoewel de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] weinig opening van zaken hebben gegeven, acht het hof aannemelijk geworden dat de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] zich in de periode tot 2005 hebben schuldig gemaakt aan de invoer van verdovende middelen (hard drugs) in Nederland vanuit Aruba, Curaçao, de Dominicaanse Republiek en Colombia. Vanaf dat jaar hebben zij zich ingelaten met de uitvoer van verdovende middelen (softdrugs) vanuit Nederland naar de Nederlandse Antillen. Bovendien kan uit de stukken worden afgeleid dat de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] zich met regelmaat hebben schuldig hebben gemaakt aan het overboeken van gelden via moneytransfers naar derden.

Met betrekking tot een eerdere veroordeling in 2002 is het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de periode waarop die strafzaak betrekking had bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing moet worden gelaten, aangezien die strafzaak niet door een ontnemingszaak is gevolgd. Het hof ziet bovendien aanleiding om het aan bedoelde periode voorafgaande tijdvak (waarop de vordering van het openbaar ministerie mede betrekking heeft) eveneens buiten beschouwing te laten.

Het hof stelt gelet op het voorgaande de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel als volgt vast.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2009 heeft de veroordeelde verklaard dat de medeveroordeelde [medeveroordeelde] tussen juni 2005 en augustus 2006 een bedrag van ongeveer € 55.000,- aan haar heeft overgemaakt; deze verklaring vindt bevestiging in de op voornoemde terechtzitting afgelegde verklaring van de medeveroordeelde [medeveroordeelde] als getuige. Bovendien heeft zij verklaard dat zij van dat geld sofdrugs kocht en via koeriers naar de Nederlandse Antillen heeft gestuurd.

Blijkens een de veroordeelde betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2010 is de veroordeelde bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 13 augustus 2002 veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Op grond van het hierboven overwogene, in samenhang bezien met de bevindingen ten aanzien van de moneytransfers in het ontnemingsproces-verbaal, acht het hof aannemelijk geworden dat de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] in opeenvolgende perioden geld aan elkaar hebben overgemaakt ten behoeve van de inkoop van verdovende middelen.

Voorts acht het hof aannemelijk dat op de drugstransacties (gefinancierd met de corresponderende moneytransfers) gemiddeld 50% winst is gemaakt. In de omstandigheid dat de veroordeelde en de medeveroordeelde geen inzicht hebben verschaft in de verdeling van de winst ziet het hof aanleiding om ervan uit te gaan dat de helft daarvan aan ieder van hen ten goede is gekomen.

Met betrekking tot de geldbedragen die door veroordeelde aan derden zijn overgemaakt, respectievelijk door haar van derden zijn ontvangen, gaat het hof ervan uit dat het daarbij - zoals veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2009 heeft gesteld - gaat om dienstverlening aan die derden, waarbij de veroordeelde een 'provisie' van 5% van het overgemaakte bedrag heeft ontvangen.

Een en ander resulteert in de volgende berekening:

Moneytransfers in verband met verdovende middelen

Vanaf 7 april 2003 tot en met 28 augustus 2003:

Van [verdachte] naar [medeveroordeelde] € 14.050,00

Vanaf 2005:

van [verdachte] naar [medeveroordeelde] € 6.449,00 +

van [medeveroordeelde] naar [verdachte] € 55.029,00 +

€ 75.528,00

Het totale bedrag aan moneytransfers dat als bestemd voor de inkoop van verdovende middelen valt aan te merken, beloopt derhalve € 75.528,00, waarvan het hof 50% winst: € 37.764,00 aannemelijk acht.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde beloopt alsdan (€ 37.764,00: 2 =)

€ 18.882,00.

Moneytransfers ten behoeve van derden

Op grond van het hierboven overwogene, bezien in samenhang met het overzicht op blz. 26 van het ontnemingsproces-verbaal, komt het hof tot na te melden berekening:

Vanaf 2 november 2002 tot en met 14 november 2006:

Van verdachte] naar derden € 29.136,00

Vanaf 2005

Van derden naar [verdachte] € 4.880,00 +

€ 34.016,00

De totale omvang van de moneytransfers bedraagt (afgerond): € 34.016,00.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel (in de vorm van provisie) ad 5% is dan € 1.700,00.

Het hof stelt het totale bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt geschat vast op

(€ 18.882,00 + € 1.700,00 =) € 20.582,00.

Het hof zal de veroordeelde de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de stukken van het geding niet binnen de termijn van acht maanden ter griffie van het hof zijn ingekomen en de zaak in hoger beroep niet met de nodige voortvarendheid is behandeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 28 augustus 2007 is de veroordeelde door de rechtbank Rotterdam in haar strafzaak veroordeeld. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2007 heeft de officier van justitie aangekondigd voornemens te zijn een procedure ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tegen de veroordeelde te starten. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 augustus 2007 is een conclusiewisseling bevolen. Op 28 maart 2008 heeft de behandeling van de ontnemingsvordering plaatsgehad, waarna op 30 mei 2008 vonnis is gewezen. Tegen dat vonnis is op 13 juni 2008 appel ingesteld.

Op 6 maart 2009 zijn de stukken van het geding bij het gerechtshof ingekomen, derhalve met verwaarloosbare overschrijding van de termijn van acht maanden. Ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2009 is een conclusiewisseling bevolen. De daarbij gestelde termijnen zijn door advocaat-generaal én verdediging niet geheel in acht genomen. Op 7 juni 2010 heeft de behandeling van de ontnemingszaak plaatsgehad, waarna op 5 juli 2010 arrest is gewezen.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgehad binnen de daartoe gestelde termijn van twee jaren na het instellen van het hoger beroep, zodat er sprake is van overschrijding van bovengenoemde termijn.

Het hof is echter met de advocaat-generaal van oordeel dat, gelet op de geringe mate van overschrijding, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de veroordeelde - in verband met de omstandigheid dat zij een traject van schuldbeheer doorloopt en geen relevante opleiding heeft afgerond - geen draagkracht heeft en in redelijkheid in de toekomst ook niet zal hebben.

Naar het oordeel van het hof is redelijkerwijs niet uit te sluiten dat de veroordeelde binnen de wettelijke termijn van invordering voldoende inkomsten zal kunnen genereren om het voordeelsbedrag uit deze inkomsten geheel of gedeeltelijk aan de Staat der Nederlanden te voldoen.

Het hof ziet derhalve geen aanleiding de betalingsverplichting te matigen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 20.582,00 (twintigduizend vijfhondertweeëntachtig euro).

Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 20.582,00 (twintigduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro).

Dit arrest is gewezen door mr. mr. G.P.A. Aler, mr. H.M.A. de Groot en mr. L. Bakker-Splinter in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 juli 2010.

Mr. H.M.A. de Groot en mr. L. Bakker-Splinter zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.