Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN6763

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
13-09-2010
Zaaknummer
22-002004-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne. Het onderhavige delict draagt bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002004-08

Parketnummers: 10-601199-05 en 10-601032-07

Datum uitspraak: 9 juni 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Ecuador) op [geboortedag] 1960,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9 februari 2010 en 26 mei 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit arrest zijn gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 te Rotterdam en/of Hellevoetsluis en/of Etten Leur en/of Utrecht en/of Breda en/of Woerden en/of elders in Nederland en/of in Venezuela dan wel elders in de wereld,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 (oud) en/of het vierde of vijfde lid van artikel 10 (nieuw) van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) (aanzienlijke) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één van) zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

- één of meermalen naar Venezuela gereisd om aldaar ontmoetingen te hebben en/of afspraken te maken met de leveranciers van de deklading en/of voornoemde

handelshoeveelh(i)d(en) cocaine en/of

- één of meer perso(o)n(en) benaderd en/of laten benaderen om hun bedrijf en/of bedrijfspand/loods ([naam 1] en/of [naam 2]) ter beschikking te stellen voor de ontvangst en/of opslag van voornoemde handelshoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

- één of meer document(en), betrekking op (een deklading met daarbij) voornoemde handelshoeveelhe(i)d(en) cocaïne, via de fax en/of computer verzonden en/of laten verzenden en/of in ontvangst genomen en/of

- één of meer telefoon- en/of emailgesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een dekladinq met daarbij) voornoemde handelshoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

- één of meer ontmoeting(en)gehad en/of geregeld met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een dekladinq met daarbij) voornoemde handelshoeveelhe(i)d(en) cocaïne;

(artikel 10a van de Opiumwet - Zaak [naam 3]);

2.

hij op of omstreeks 21 augustus 2004 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 12,79 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2 onder A jo 10 Opiumwet - Zaak [naam 4]);

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 31 december 2005 te Rotterdam,in elk geval in Nederland en/of ItaliÙ, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2, aanhef en onder B/C jo. 10 van de Opiumwet - zaak [naam 5]);

4.

hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2006 tot en met 30 januari 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland en/of BelgiÙ en/of ItaliÙ, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit/die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en aldaar opzettelijk

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) verstuurd met betrekking tot het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland bregen van (een) hoeveelhe(i)(en) cocaïne, en/of

-een of meer ontmoeting(en) gehad en/of geregeld met betrekking tot het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland bregen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne;

(art. 10a van de Opiumwet - zaak [naam 6]).

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak, zodat in het hoger beroep alleen het onder 2 tenlastegelegde - de zaak [naam 4] - aan de orde is.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Hij heeft hiertoe - in de kern weergegeven - het volgende aangevoerd.

Het tenlastegelegde feit dateert van 21 augustus 2004. Verdachtes identiteit was toentertijd reeds bekend. Hij is immers op 24 mei 2005 in de zaak [naam 7] door de rechter-commissaris als getuige gehoord. De rechter-commissaris heeft de verdachte er voorafgaand en tijdens dit verhoor op gewezen dat hij niet verplicht was vragen te beantwoorden waarmee hij zichzelf zou kunnen belasten. Kennelijk heeft men er destijds bewust voor gekozen hem niet te vervolgen. Hoewel er na het sluiten van de onderzoeken [naam 7] en [naam 8], welke onderzoeken aan de zaak [naam 4] ten grondslag liggen, geen nieuwe informatie met betrekking tot de verdachte beschikbaar is gekomen, is de verdachte op 21 november 2006 in voorlopige hechtenis gesteld in de onderhavige zaak [naam 4], waarna hij op 3 april 2008 door de rechtbank te Rotterdam voor dat feit is veroordeeld.

De verdediging is van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden, reden waarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde op 21 november 2006 in verzekering is gesteld, waarna de rechtbank te Rotterdam op 3 april 2008, derhalve binnen twee jaar, vonnis heeft gewezen.

Op 15 april 2008 is namens de verdachte tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Nu het strafdossier eerst

15 maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof is binnengekomen en het hof op 9 juni 2010 arrest wijst, stelt het hof vast dat in deze fase van het proces inderdaad sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens vaste jurisprudentie leidt dit echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof zal met de overschrijding van de bedoelde termijn rekening houden bij de strafoplegging.

Overigens is gesteld noch gebleken dat het optreden van de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Ook in zoverre is er derhalve geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt het verweer.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Dat de verdachte mogelijkerwijs reeds vóór de inverzekeringstelling werd verdacht van de desbetreffende feiten doet daaraan niet af, nu er op dat moment nog geen sprake was van een "vervolging" van de verdachte in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de beperkte opsporingscapaciteit van de justitiële autoriteiten met zich brengt dat niet alle verdenkingen (meteen) tot een vervolging (kunnen) leiden, terwijl voorts het openbaar ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel een hoge mate van vrijheid toekomt ten aanzien van de beslissing welke verdachte wordt vervolgd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 augustus 2004 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 12,79 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft hiertoe - in de kern weergegeven - het volgende aangevoerd:

- De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren ieder anders over de betrokkenheid van de verdachte, waarbij [getuige 2] er belang bij heeft zijn eigen rol zo klein mogelijk te maken. Voorts zijn de verklaringen van [getuige 1] ongeloofwaardig nu hij probeert zichzelf vrij te pleiten door alle verantwoordelijkheid van zich af te schuiven. Deze getuigen zijn derhalve onbetrouwbaar.

- Er zijn aanwijzingen dat niet de verdachte maar iemand anders betrokken was bij het cocaïnetransport. Getuige [getuige 3] heeft namelijk verklaard dat zijn contactpersoon gebrekkig Engels sprak. [getuige 2] heeft op 26 november 2004 tegenover de politie verklaard dat hij op de dag dat [naam 9] de cocaïne van boord haalde een afspraak had met [getuige 1] en 'een man die gebrekkig Engels sprak', dit terwijl de verdachte wèl goed Engels spreekt, zij het met een Spaans accent.

Voorts heeft [getuige 2] op 3 juli 2007 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat die man - eveneens [voornaam] genaamd - niet de verdachte [verdachte] was.

Volgens de raadsman is het dan ook niet uit te sluiten dat er een andere [voornaam] was die - in tegenstelling tot de verdachte - een rol heeft gespeeld in de invoer van de cocaïne.

Het hof stelt vast dat dit verweer ook reeds in eerste aanleg is gevoerd en is van oordeel dat de rechtbank het terecht en op goede gronden heeft verworpen, en sluit zich bij dit oordeel en de motivering ervan aan.

In navolging van de rechtbank overweegt het hof ten aanzien van het verweer als volgt.

Vaststaat dat de medeverdachten [getuige 2] en [getuige 1] voor hun betrokkenheid bij de invoer van cocaïne met het schip de [onderneming] zijn veroordeeld, zij het ten tijde van hun verklaringen bij de rechter-commissaris van respectievelijk 3 juli 2007 en 7 juni 2007 nog niet onherroepelijk.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij wel op de hoogte was van de invoer van de cocaïne maar daar zelf niet actief bij betrokken is geweest. Zowel tegenover de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij voorts verklaard dat de verdachte betrokken was bij de ten laste gelegde invoer van cocaïne. Zijn verklaringen komen er samengevat op neer dat de verdachte samen met de medeverdachte [getuige 2] bezig was met deze invoer van cocaïne. De verdachte zou volgens [getuige 1] in zijn bijzijn telefonisch contact hebben gehad met de mensen

op het schip [onderneming]. In zijn verklaring bij de rechter-commissaris van 7 juni 2007 heeft [getuige 1] voorts verklaard dat hij niet weet of de verdachte werkte voor de leverancier of voor de afnemer van de cocaïne.

Ook al zou moeten worden aangenomen dat [getuige 1] in strijd met de waarheid heeft verklaard omtrent zijn eigen rol bij de invoer van de cocaïne, dan betekent dit nog niet zonder meer dat zijn verklaring omtrent de rol van verdachte eveneens niet op waarheid berust.

Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] is in het onderhavige geval voorts van belang dat deze ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij deze invoer ondersteuning vindt in het dossier.

Ook [getuige 2] heeft bij de politie op 18 januari 2007 verklaard dat de verdachte terzake de ten laste gelegde invoer het contact onderhield met de mensen aan wie de cocaïne toebehoorde.

De verklaringen van [getuige 1] omtrent de betrokkenheid van de verdachte worden voorts ondersteund door de telefoongesprekken die zijn gevoerd met de telefoon met het nummer [telefoonnummer]. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van belang de gebruiker was van dit nummer.

Blijkens de telefoontaps heeft de verdachte immers in de dagen voorafgaand aan, en op de dag waarop de cocaïne van boord van het schip de [onderneming] is gehaald door de op heterdaad aangehouden medeverdachte [naam 9] (21 augustus 2004) regelmatig contact gehad met [getuige 2].

Daarbij is door [getuige 2] aan de verdachte onder meer het tijdstip doorgegeven waarop de [onderneming] in de haven van Rotterdam zou arriveren (tapgesprek 20 augustus 2004 om 16.49 uur in combinatie met het tapgesprek van [getuige 2] en [naam 9] van 20 augustus 2004 om 16.48 uur) en is de verdachte op de hoogte gesteld van de aanhouding van [naam 9] (tapgesprek van 21 augustus 2004 om 19.39 uur in combinatie met het tapgesprek van 21 augustus 2004 om 18.29 uur tussen [getuige 2] en de vriendin van [naam 9]).

De verklaring van de verdachte dat zijn telefoongesprekken met [getuige 2] moeten worden

gezien in het kader van het op zijn verzoek door [getuige 2] regelen van arbeids- en huurcontracten voor buitenlanders die in Nederland wilden werken, welke stelling door de verdachte op geen enkele wijze wordt onderbouwd en ook overigens in het dossier geen enkele steun vindt, wordt als volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven. Dat de gevoerde telefoongesprekken in het licht van die arbeids- en huurcontracten moeten worden bezien is daarmee ook onaannemelijk.

Nu ook overigens geen aanleiding bestaat om de verklaringen van [getuige 1] met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte onbetrouwbaar te achten, zal het hof deze voor het bewijs gebruiken.

Het feit voorts dat de medeverdachten [getuige 1] en [getuige 2] niet geheel eenduidig over de rol van de verdachte verklaren brengt niet mee dat de verdachte daarom vrijgesproken zou moeten worden. Immers uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat de verdachte in ieder geval zodanig betrokken was bij de tenlastegelegde invoer van cocaïne dat hij als medepleger van deze invoer kan worden aangemerkt.

Uit de verklaring van [naam 9] van 1 december 2004 blijkt dat hij door [getuige 2] is gevraagd om de cocaïne van boord te lopen en in ruil daarvoor het geld te overhandigen aan bemanningslid [getuige 3]. De verdachte is vervolgens door [getuige 2] steeds nauwgezet op de hoogte gehouden van de gang van zaken. Aan wie de verdachte die informatie vervolgens precies moest doorspelen, kan in het midden blijven. Duidelijk is in ieder geval geworden dat de verdachte een schakel vormde in de keten en zodoende een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde medeplegen van invoer van cocaïne.

Het ten laste gelegde zal dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Aan het verweer van de verdediging dat er mogelijk een andere - gebrekkig Engels sprekende - [voornaam] in het spel was die - anders dan de verdachte - wel met de invoer van de cocaïne te maken had, gaat het hof voorbij nu het hof de bewezenverklaring ten aanzien van dit aspect baseert op verklaringen waarin duidelijk is aangegeven dat met '[voornaam]' de onderhavige verdachte is bedoeld.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne. Het onderhavige delict draagt bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 mei 2010 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit en is de verdachte ook na het plegen van het onderhavige feit niet in contact geweest met politie en justitie op grond van een overtreding van de Opiumwet.

Voorts houdt het hof er rekening mee dat de door de verdachte in detentie doorgebrachte periode voor hem extra zwaar is geweest nu hij tijdens zijn detentie diverse medische behandelingen heeft ondergaan wegens een ernstige ziekte.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

In de voormelde constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de met dit tijdsverloop samenhangende ouderdom van het feit, ziet het hof evenwel aanleiding om de duur van de gevangenisstraf met zes maanden te bekorten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. A.J.M. Kaptein en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. A.M.F.F. van Rede-van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2010.