Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN6713

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
13-09-2010
Zaaknummer
22-005871-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld door zijn toenmalige partner en haar zoon te mishandelen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Dit zijn ernstige feiten, waardoor de slachtoffers pijn hebben ondervonden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 (vijftig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Hiervan is een op 40 (veertig) uren bepaald gedeelte van de taakstraf, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 (twintig) dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Het hof bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005871-09

Parketnummer: 09-407795-09

Datum uitspraak: 12 juli 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1949,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot 1 september 2008 (telkens) te 's-Gravenhage (telkens) opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (telkens) aan haar hoofdhaar heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 (telkens) te 's-Gravenhage (telkens) opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]), tegen zijn lichaam en/of in zijn gezicht heeft geslagen, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, onder verwijzing naar de appelschriftuur van 26 november 2009, aangevoerd dat de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig zijn geweest. De raadsman heeft in dit verband bepleit dat de gevolgen van deze onrechtmatigheden worden gecompenseerd door strafvermindering, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt als volgt.

Het kan de raadsman worden toegegeven dat de Aanwijzing Huiselijk Geweld van het openbaar ministerie niet dwingend voorschrijft om in een geval als het onderhavige tot aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte over te gaan. Dat laat echter onverlet dat de officier van justitie in een voorkomend geval anders kan beslissen, zodat naar het oordeel van het hof niet gezegd kan worden dat om die reden sprake is van een onrechtmatige aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte, zoals door de raadsman betoogd.

Voorts stelt het hof vast dat in casu naar aanleiding van de aangiften jegens de verdachte de verdenking is gerezen dat hij zich schuldig had gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Op basis daarvan kon de (hulp)officier van justitie in redelijkheid beslissen tot aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte terzake.

Het hof verwerpt het verweer.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de inleidende dagvaarding ter zake het onder 1 en 2 tenlastegelegde nietig behoort te worden verklaard, omdat deze niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De aanduiding van tijdsgrenzen van de tenlastegelegde feiten zijn te ruim en willekeurig gekozen, waardoor de verdachte zich niet naar behoren kan verdedigen tegen deze beschuldigingen, aldus de raadsman. De raadsman heeft in dit verband desgevraagd medegedeeld dat hij -anders dan in de appelschriftuur en zijn pleitnota vermeld- niet tevens bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof constateert dat zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde de ruime periode die

in de tenlastelegging is vermeld aansluit bij de periode die in de aangiften worden genoemd. De verdachte is door de politie, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep -in beide instanties in aanwezigheid van een advocaat- met deze aangiften geconfronteerd. Ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte heeft begrepen waarvan hij wordt verdacht en dat hij zich terzake behoorlijk heeft kunnen verdedigen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de tijdsaanduiding in de tenlastelegging voldoende

nauwkeurig is omschreven en dat het voor verdachte duidelijk is ter zake van welke feiten hij terecht staat.

De inleidende dagvaarding is dan ook geldig.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij in de periode van 1 juli 2007 tot 1 september 2008 telkens te 's-Gravenhage telkens opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer 1], telkens aan haar hoofdhaar heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2:

hij in de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 telkens te 's-Gravenhage telkens opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer 2], tegen zijn lichaam en in zijn gezicht heeft geslagen, waardoor deze telkens pijn heeft ondervonden;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis vermelde kwalificaties en de bij dat vonnis opgelegde straf.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld door zijn toenmalige partner en haar zoon te mishandelen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Dit zijn ernstige feiten, waardoor de slachtoffers pijn hebben ondervonden.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof verwerpt het door de raadsman gevoerde strafmaatverweer, nu het verweer aangaande de onrechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling -in welk verband de raadsman strafvermindering heeft bepleit- is verworpen en het hof ook overigens gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan geen aanleiding ziet om aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd en in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderd.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1], in rechte vertegenwoordigd door mr. T. Scholtus, advocaat te

's-Gravenhage, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 (vijftig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Beveelt dat een op 40 (veertig) uren bepaald gedeelte van de taakstraf, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 (twintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. S.J.A.M. van Gend en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juli 2010.