Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN6289

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
200.067.603-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stukken te laat overgelegd (vijf kalenderdagen voor de zitting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 augustus 2010

Zaaknummer : 200.067.603/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-541

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.N.G.N.H. Brech te ’s-Gravenhage,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.H. Kramer te Bergen op Zoom.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

Locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 april 2010 van de kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 2 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

De vader heeft op 30 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 10 juni 2010 en 2 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 5 juli 2010 een brief ingekomen waarin wordt verzocht de aanvullende stukken van de zijde van de moeder, ingekomen bij het hof op 2 juli 2010, buiten beschouwing te laten, aangezien deze in strijd met het toepasselijke procesreglement zijn ingediend.

De raad heeft het hof bij brief van 11 juni 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen en bij brief van 29 juni 2010 verklaard niet te beschikken over recente rapportage betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van de nader te noemen minderjarige.

Op 7 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw [naam] en [naam]. Voorts is verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Ter terechtzitting zijn namens de moeder, met goedvinden van de wederpartij, de schoolresultaten van de nader te noemen minderjarige overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad – de ondertoezichtstelling van de nader te noemen minderjarige verlengd van 28 april 2010 tot 28 augustus 2010 met behoud van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. De behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Nu de vader bezwaar maakt tegen de late overlegging van de stukken die door de moeder op 2 juli 2010 zijn overgelegd en deze stukken dermate oud zijn dat ze bij de beoordeling van de zaak geen rol spelen, zal het hof geen acht slaan op die stukken.

2. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige:

[naam], geboren op [geboortedatum in] 2000 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige.

De vader en de moeder hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige, die bij de moeder verblijft.

3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een ondertoezichtstelling van de minderjarige nog aanwezig zijn. Daartoe voert zij het volgende aan. Nu na een jaar ondertoezichtstelling niet is gebleken van zorgelijke signalen - de minderjarige doet het immers goed op school en neemt deel aan allerlei buitenschoolse activiteiten - had deze maatregel niet verlengd mogen worden. Daarnaast is er geen enkele aanleiding om het door de kinderrechter gelaste externe onderzoek te laten plaatsvinden, aangezien de moeder alle openheid van zaken heeft gegeven en er voldoende gelegenheid is geweest om de interactie tussen de moeder en de minderjarige, alsmede de opvoedingscapaciteiten van de moeder, te beoordelen. Daarbij komt dat een dergelijk onderzoek zeer ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van de moeder en de minderjarige. De moeder heeft geen specifieke informatie gegeven omtrent de vrijetijdsbesteding van de minderjarige aangezien zij bang is dat die informatie bij de vader terecht komt en hij hen daarmee zou kunnen opsporen. De moeder is er van overtuigd dat de vader de minderjarige seksueel heeft misbruikt en acht het in het belang van de minderjarige dat zij derhalve wordt beschermd tegen de vader. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

6. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. Gedurende het afgelopen jaar is er een te beperkt zicht geweest op de wijze waarop de minderjarige zich heeft ontwikkeld, zodat niet gesteld kan worden dat de ontwikkelingsbedreigingen van de minderjarige zijn opgeheven en zij zich thans op sociaal en emotioneel gebied positief ontwikkelt. Dat er momenteel geen grote zorgen worden gemeld vanuit de school van de minderjarige, geeft volgens Jeugdzorg nog niets aan over haar ontwikkelingsverloop in deze situatie. De minderjarige groeit op in een jarenlange strijd tussen haar ouders en met een negatief beeld van haar vader, hetgeen schadelijk voor haar ontwikkeling is. Verder bestaan er bij Jeugdzorg zorgen omtrent de psychische gesteldheid van de moeder. Zo is zij wantrouwend jegens de vader en hulpbiedende instanties en vertoont zij sterke wisselingen in haar stemmingen. Jeugdzorg is van mening dat een extern onderzoek noodzakelijk is. Op die wijze kan er meer inzicht worden gegeven in de opvoedingssituatie van de minderjarige. Gelet op het voorgaande dient de ondertoezichtstelling te worden gehandhaafd.

7. De vader stelt zich op het standpunt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog immer aanwezig zijn en voert daartoe het volgende aan. Sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken, heeft de moeder nauwelijks meegewerkt aan de uitvoering daarvan. Zij heeft geen openheid van zaken gegeven en tot op heden niet meegewerkt aan het door de kinderrechter gelaste externe onderzoek. Volgens de vader bestaat er gegronde vrees dat de minderjarige in een isolement opgroeit en een juiste ontwikkeling ter zake van normen en waarden mist. Verder is de vader van mening dat het in het belang van de minderjarige is dat zij zich zelfstandig een beeld van hem gaat vormen. De vader betwist het door de moeder gestelde seksuele misbruik. Zij heeft daartoe nimmer enig objectief bewijs geleverd.

8. Het hof overweegt als volgt. Gelet op artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ondertoezichtstelling slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of nog steeds sprake is van de situatie dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

9. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling ten tijde van de beoordeling van het verzoek door de kinderrechter aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking. Het is het hof gebleken dat de belevingswereld van de moeder gedomineerd wordt door angst en wantrouwen ten opzichte van hulpverlenende instanties en de vader. Zij heeft er veel moeite mee om informatie omtrent de ontwikkeling van de minderjarige aan derden te verstrekken. De minderjarige wordt door de moeder beperkt in het vertellen van informatie op school en mag geen vriendjes of vriendinnetjes mee naar huis nemen. Voorts heeft de moeder een zeer negatief beeld over de vader ontwikkeld, welk beeld zij blijkt te hebben overgebracht op de minderjarige. De moeder stelt dat er sprake is van seksueel misbruik van de minderjarige door de vader. Als gevolg hiervan is er inmiddels meerdere jaren geen contact meer geweest tussen de vader en de minderjarige. Het hof is van oordeel dat de moeder door haar angst en wantrouwen de minderjarige onnodig belast met volwassenenzaken, waardoor het risico bestaat dat de minderjarige in de toekomst identiteitsproblemen krijgt. Doordat de moeder haar eigen aandeel hierin nauwelijks erkent, houdt zij deze, voor de ontwikkeling van de minderjarige bedreigende, situatie in stand. Het hof acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden nu bovendien is gebleken dat er binnenkort een extern gezinsonderzoek via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie gaat plaatsvinden teneinde meer zicht op de opvoedingssituatie van de minderjarige te verkrijgen. Nu de moeder daartoe een schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:258 BW heeft ontvangen, acht het hof hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend. Het hof is van oordeel dat alle feiten en omstandigheden tezamen een ondertoezichtstelling van de minderjarige rechtvaardigen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

10. De moeder stelt in haar vijfde grief dat de kinderrechter de moeder niet in de gelegenheid heeft gesteld apart gehoord te worden. Het hof zal deze grief passeren, aangezien het de rechtbank vrij staat een dergelijk verzoek af te wijzen. Dit geldt eveneens met betrekking tot de zesde grief van de moeder, waarin zij stelt dat de minderjarige ten onrechte niet door de kinderrechter is gehoord.

11. Het hof ziet geen aanleiding om de minderjarige thans te doen horen, gezien haar jonge leeftijd en de extra belasting die dit voor de minderjarige met zich brengt.

12. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, De Haan-Boerdijk en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2010.