Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN6017

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
200.063.971/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Overheidsaanbesteding; incident; artikel 217 Rv; tussenkomst; belang; voornemen tot gunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/400

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.063.971/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 347642 / KG ZA 10-68

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 24 augustus 2010

in het incident tot tussenkomst/voeging (artikel 217 Rv)

inzake

GOM SCHOONHOUDEN B.V.,

gevestigd te Schiedam,

verzoekster in het incident,

hierna te noemen: GOM,

advocaat: mr. M. Semmekrot te Utrecht,

in de zaak van

de stichting HOGESCHOOL ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: Hogeschool Rotterdam,

advocaat: mr. J.J. Feenstra te Rotterdam,

tegen

CSU TOTAL CARE B.V.,

gevestigd te Uden,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: CSU,

advocaat: mr. S.C. Brackmann te Rotterdam.

Het verloop van het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 23 april 2010 is de Hogeschool Rotterdam (met vijf grieven) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, van 30 maart 2010, tussen de Hogeschool Rotterdam en CSU gewezen. Op de rol van 18 mei 2010 heeft CSU een memorie van antwoord genomen waarin zij de grieven heeft bestreden. Op die rol heeft GOM een incidentele memorie houdende verzoek tot interventie (met producties) genomen en primair tussenkomst en subsidiair voeging aan de zijde van de Hogeschool Rotterdam gevorderd. De Hogeschool Rotterdam heeft bij memorie van antwoord in het incident tot tussenkomst daartegen geen bezwaar geuit en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is de Hogeschool Rotterdam in die memorie ingegaan op de grieven van GOM tegen het vonnis, alsmede op de vorderingen van GOM in de hoofdzaak.

CSU heeft zich bij memorie van antwoord in het incidentele verzoek tot tussenkomst niet verzet tegen de tussenkomst c.q. voeging voor zover GOM de vorderingen van de Hogeschool Rotterdam ondersteunt, maar zich verzet tegen de vordering van GOM in de hoofdzaak om de inschrijving van CSU ongeldig te verklaren en CSU uit te sluiten van de aanbestedingsprocedure. CSU is daarbij ingegaan op de grieven van GOM tegen het vonnis en heeft voor het geval dat het verzoek tot tussenkomst (deels) wordt toegestaan, geconcludeerd.

Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en daartoe een kopie van hun procesdossier overgelegd.

Beoordeling van de incidentele vordering

1. Ingevolge artikel 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Als belang bij interventie heeft GOM aangevoerd dat, wanneer de vorderingen van de Hogeschool Rotterdam in hoger beroep worden afgewezen, de rechtspositie van GOM nadelig kan worden beïnvloed. De Hogeschool Rotterdam heeft de aan de orde zijnde opdracht voor schoonmaakwerkzaamheden en glasbewassing voorlopig aan GOM gegund. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van CSU gedeeltelijk toegewezen, waardoor de Hogeschool Rotterdam op grond van dit vonnis gehouden is alle inschrijvingen te herbeoordelen en een nieuwe gunningbeslissing te nemen. De vorderingen van de Hogeschool Rotterdam in hoger beroep zijn gericht op vernietiging van het vonnis. Wanneer deze vorderingen van de Hogeschool Rotterdam worden afgewezen leidt dit er voor GOM toe dat zij de voorlopige gunning aan haar verliest en dat zij het risico loopt dat na herbeoordeling de opdracht niet aan haar wordt gegund. Dit heeft GOM ertoe gebracht tussenkomst te verzoeken en voorts de volgende vorderingen in de hoofdzaak te formuleren: I. vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, alsnog afwijzing van de vorderingen van CSU en II. ongeldig verklaring van de inschrijving van CSU en uitsluiting van CSU van de aanbestedingsprocedure, met III. veroordeling van CSU in de proceskosten.

2. Als enige heeft CSU zich verzet tegen de tussenkomst van GOM met slechts het argument dat het instellen van een zelfstandige vordering door GOM tot vertraging zal leiden, die niet verenigbaar is met het karakter van een spoedappel. Vooral nu GOM niet in eerste aanleg een verzoek tot tussenkomst heeft gedaan moet het in hoger beroep instellen van een eigen vordering door GOM in strijd met een goede procesorde worden geacht en worden afgewezen.

3. Het hof overweegt het volgende.

Het belang van GOM in de onderhavige zaak is er in gelegen dat er (alsnog) geen wijziging wordt gebracht in haar positie als inschrijver op de Europese aanbesteding Schoonmaak en glasbewassing 2009/S001, aan wie de aanbestedende dienst, de Hogeschool Rotterdam, voornemens is de onderhavige opdracht te gunnen (onder specifieke opschortende voorwaarden).

De voorzieningenrechter heeft de Hogeschool Rotterdam veroordeeld om (voor zover nodig) bij alle inschrijvingen de onbedoelde/onjuiste koppeling te herstellen c.q. te verwijderen en de inschrijvingen daarna te herbeoordelen, en voor zover zij dit verder nog wenst, een nieuwe gunningbeslissing te nemen. Dit treft het belang van GOM. Zij kan dus op de voet van artikel 217 Rv vorderen zich te mogen voegen of in het geding te mogen tussenkomen. Dat dit eerst in hoger beroep geschiedt, staat aan zo een vordering niet in de weg.

Het argument van CSU dat tussenkomst in strijd is met de goede procesorde wijst het hof van de hand, immers gelet op de wijze waarop GOM tussenkomst met een eigen vordering heeft verzocht en de daarop volgende procesvoering tot nu toe, heeft dit niet tot onnodige vertraging geleid die niet verenigbaar is met de onderhavige hoger beroepsprocedure. Ook overigens valt niet in te zien, waarom GOM een afzonderlijke procedure zou moeten beginnen, wat op zichzelf veeleer tot vertraging aanleiding kan geven en een risico van tegenstrijdige beslissingen in zich draagt.

4. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

5. Het hof gaat er gelet op hetgeen onder het verloop van het geding is vermeld van uit dat in de hoofdzaak is afgeconcludeerd. Vervolgens kan op 1 november 2010 om 13.30 uur het pleidooi in de hoofdzaak plaatsvinden.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- laat GOM toe als tussenkomende partij in de tussen de Hogeschool Rotterdam en CSU aanhangige hoofdzaak;

- houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

- bepaalt de datum en plaats voor het pleidooi op maandag 1 november 2010, om 13.30 uur in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, J. Kramer en G. Dulek-Schermers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2010 in aanwezigheid van de griffier.