Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5883

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
200.064.184 en 200.063.188.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummers : 200.064.184/01 (ots) en 200.063.188/01 (muhp)

Rekestnrs. rechtbank : JE RK 09-947 (ots) en JE RK 09-948 (muhp)

[appellant],

wonende te [adres]t,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. B.A. Fijma te Zwijndrecht,

tegen

[geïntimeerde],

kantoorhoudende te [adres],

hierna te noemen: de WSS.

Als belanghebbende is aangemerkt:

belangebbende,

wonende te [adres],

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

[belanghebbende],

kantoorhoudende te [adres]t,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 13 april 2010 en 26 april 2010 in hoger beroep gekomen van beschikkingen van 27 januari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

De WSS heeft op 11 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 28 mei 2010 en 16 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaken bekend onder zaaknummers 200.064.180.01, 200.064.182.01 en 200.064.187.01. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de WSS: mevrouw R.E.M. Baas (gezinsvoogd) en mevrouw K. van Hoorn (inhoudelijk manager). De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissingen in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij die beschikkingen zijn - uitvoerbaar bij voorraad - de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een AWBZ voorziening voor gehandicapte jeugdigen ten aanzien van de minderjarige [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] [geboortedatum] te [adres]t (hierna: de minderjarige) met ingang van 2 februari 2010 tot de meerderjarigheid, dat wil zeggen tot [geboortedatum] 2010, verlengd met behoud van de WSS om in opdracht van de Stichting Bureau Jeugdzorg de ondertoezichtstelling uit te voeren.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 21 oktober 2010 en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een AWBZ-voorziening voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen, en, opnieuw beschikkende, de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen, dan wel deze beëindigd te verklaren, dan wel de beslissing te nemen die het hof noodzakelijk acht.

3. De WSS bestrijdt het beroep.

4. De moeder betwist in haar beroepschrift dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige aanwezig zouden zijn, en dat de aan de rechtbank voorgelegde bescheiden en verklaringen (voldoende) aanleiding zouden geven tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige. De thuissituatie bij de moeder is veranderd. Zij heeft een eigen woning in een kindvriendelijke en veilige omgeving, waarbij sprake is van begeleiding in de woonsituatie. Tevens heeft zij een opvoedcursus voor ouders van (puberende) kinderen gevolgd. Ook heeft zij een beter contact opgebouwd met haar kinderen. Er zijn derhalve nieuwe feiten, waardoor de ondertoezichtstelling en de daaraan gekoppelde uithuisplaatsing van de minderjarige niet meer geïndiceerd zijn.

5. De WSS stelt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige nog onverminderd aanwezig zijn. Het ontbreekt de moeder volgens de WSS nog steeds aan inzicht in de behoeften, wensen en mogelijkheden van de minderjarige. De minderjarige is een ( )meisje met een IQ van 63. Zij heeft een ontwikkelingsleeftijd van een kind tussen 7 en 8 jaar. In het dagelijkse leven heeft zij weinig draagkracht en zij is kwetsbaar voor beïnvloeding door anderen. De moeder heeft volgens de WSS totaal geen inzicht in de ernst van de beperking van de minderjarige. Het feit dat de moeder inmiddels een eigen woning huurt, heeft niet als resultaat dat het verblijf van de minderjarige bij de moeder thuis mogelijk is geworden. De WSS stelt dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in stand dienen te worden gehouden om te voorkomen dat het leven van de minderjarige dat zij zo moeizaam heeft opgebouwd, overhoop wordt gehaald.

6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Op grond van de stukken in het geding en naar aanleiding van het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt. De moeder heeft het hof niet ervan kunnen overtuigen dat de ernstige zorgen die de gezinsvoogd heeft over de mogelijkheden die de moeder heeft om voor de minderjarige te zorgen en haar op te voeden, feitelijk niet meer bestaan. Gebleken is dat de minderjarige een belaste voorgeschiedenis heeft in die zin dat zij veel heeft meegemaakt in haar nog jonge leven. Zo is zij getuige geweest van mishandeling van haar moeder en ander huiselijk geweld door de verschillende partners van de moeder en de minderjarige zelf is emotioneel verwaarloosd geweest. Uit rapportage is gebleken dat de moeder, mede door haar verstandelijke beperking, niet over de opvoedingsvaardigheden beschikt die nodig zijn om de minderjarige te kunnen ondersteunen in haar ontwikkeling. De minderjarige is sinds 2005 uithuis geplaatst, mede op haar eigen verzoek omdat zij het thuis niet meer uithield. De minderjarige valt bij spanningen en problemen terug in afhankelijk en passief gedrag, hetgeen haar zeer kwetsbaar maakt voor beïnvloeding door anderen. De moeder heeft geen, althans onvoldoende inzicht in de ernst van de beperking van de minderjarige. Door dit gebrek aan inzicht wordt de minderjarige overvraagd, waardoor zij onzeker wordt en lang blijft piekeren. Het gegeven dat de moeder inmiddels een eigen huurwoning heeft, heeft niet als resultaat dat het verblijf van de minderjarige bij de moeder thuis mogelijk is geworden. Het hof is verder gebleken dat het de minderjarige is gelukt om met begeleiding en ondersteuning een baan in een lunchroom te vinden waar personeel met een beperking werkt. Zij krijgt hierdoor extra aandacht en ondersteuning. Met de huidige begeleiding en ondersteuning is zij in staat een leven te leiden waarin haar veiligheid wordt geboden door voorspelbaarheid. De WSS heeft aannemelijk gemaakt dat de moeder niet in staat is deze voorspelbaarheid te bieden en dat zij door haar gebrek aan inzicht in de beperkingen en mogelijkheden van de minderjarige voor frustraties en onzekerheden bij de minderjarige zorgt. Voorts is gebleken dat de minderjarige, die in oktober 2010 18 jaar wordt, vanaf haar meerderjarigheid zelfstandig, begeleid wil wonen. Het hof acht het in haar belang dat de komende maanden benut worden om de stappen te ondernemen die daarvoor nodig zijn, teneinde de leefomgeving van de minderjarige zo veel als mogelijk stabiel te houden. Het hof is in het licht van bovengenoemde omstandigheden niet gebleken dat van een bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid van de minderjarige thans geen sprake meer is. Het hof acht de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige in een AWBZ-voorziening voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Voor het verzoek van de moeder, alsnog een onafhankelijk onderzoek naar haar opvoedmogelijkheden te doen uitvoeren, oordeelt het hof geen termen aanwezig nu een zodanig onderzoek in dezen niet mede tot beslissing van de zaak kan leiden en – gelet op het voorgaande – het belang van de minderjarige zich, naar het oordeel van het hof, daartegen verzet.

7. Uit het voorgaande volgt dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen zoals de rechtbank heeft bepaald. De bestreden beschikkingen dienen dan ook te worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Mos-Verstraten en Hulsebosch, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.