Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5882

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
200.055.252.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie: behoefte, verdiencapaciteit verzorgende ouder, draagkracht alimentatieplichtige niet vast te stellen door ontbrekende gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.055.252/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-550

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. Dijkstra-Schellekens te Alphen aan den Rijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 22 januari 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 oktober 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 15 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 17 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 18 juni 2010 en 22 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Nadien zijn van de zijde van de vader op 22 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen, zijnde zittingsaantekeningen uit eerste aanleg van 29 september 2009 van de rechtbank Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de door de vader met ingang van 21 januari 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen: [minderjarige sub a], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], en [minderjarige sub b], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), bepaald op € 350,- per maand per kind, vanaf de datum van die beschikking telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, (hierna ook: kinderalimentatie).

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, althans de daarin opgenomen eindbeslissing, te vernietigen en voor zover van belang te bepalen dat de vader met ingang van 21 januari 2009 geen bijdrage behoeft te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, dan wel met ingang van een door het hof te bepalen datum en hoogte die het hof in goede justitie juist acht en de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, alsook in de kosten van het geding in hoger beroep.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de vader ten aanzien van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de behoefte van de minderjarigen € 350,- per maand per kind bedraagt. De vader voert daartoe aan dat het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie van partijen € 2.484,03 per maand bedroeg en dat de behoefte op € 270,- per kind per maand dient te worden vastgesteld. Daarnaast stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder niet in staat kan worden geacht om een aandeel te leveren in de kosten van de kinderen. Voorts stelt de vader dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen.

5. Volgens de moeder heeft de rechtbank terecht bepaald dat de vader gedurende de relatie van partijen € 200,- a € 250,- per dag verdiende met zijn glazenwassersbedrijf. De moeder is van mening dat niet van haar kan worden verwacht dat zij fulltime gaat werken aangezien zij de volledige zorg heeft voor de minderjarigen. Bij een parttime baan zal het inkomen van de moeder niet meer bedragen dan de bijstandsgrens. Verder stelt de moeder dat de vader over voldoende draagkracht beschikt om de kinderalimentatie te voldoen.

6. Het hof overweegt als volgt.

Behoefte van de minderjarigen

7. Het hof is op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de behoefte van de minderjarigen € 350,- per kind per maand bedraagt. Door de vader is in hoger beroep onvoldoende weersproken dat hij gedurende de relatie van partijen tenminste € 200,- á € 250,- per dag verdiende uit werkzaamheden van het glazenwassersbedrijf en het verpachten van de wijken. De vader verwijst voor zijn stelling, dat het netto gezinsinkomen tijdens de relatie € 2.484,03 bedroeg, slechts naar de definitieve aanslag 2005 en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Ook in hoger beroep heeft de vader echter niet de stelling van de moeder - dat zij tijdens de relatie dagelijks het geld dat de vader en zijn drie personeelsleden die dag verdiend hadden, heeft geïnd en derhalve volledige inzage had in zijn inkomsten - betwist. Evenmin heeft de man betwist dat dit een omzet van € 200,- à € 250,- per dag, exclusief inkomsten van werknemers en pachtopbrengsten, opleverde. Het hof neemt deze feiten op die grond als vaststaand aan. De door de vader overgelegde jaarstukken komen hiermee niet overeen. Het hof passeert derhalve de eerste grief van de vader.

Verdiencapaciteit van de moeder

8. De moeder heeft gesteld dat zij met ingang van augustus 2010 een sollicitatieplicht heeft en dat zij met behulp van de sociale dienst een werk-/leertraject zal gaan volgen voor het schoonmaken van operatiekamers. Gelet hierop en op de leeftijd van de minderjarigen gaat het hof ervan uit dat de moeder vooralsnog niet een zodanig inkomen zal genereren, dat zij in staat zal zijn om bij te dragen in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen. De tweede grief faalt derhalve.

Draagkracht van de vader

9. Het hof is van oordeel dat, nu de vader heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen, het op zijn weg had gelegen om zijn stelling deugdelijk – met relevante stukken en cijfers – te onderbouwen. Het hof overweegt daartoe dat bij het door de man overgelegde “persoonlijk rapport over het jaar 2008” de balans en de verlies – en winstrekening ontbreken en dat de aangifte inkomstenbelasting incompleet is. Jaarstukken over 2009, die volgens mededeling van de man wel zijn opgemaakt, zijn evenmin overgelegd. Voorts ontbreken bewijsstukken van de door de man gestelde inkomsten uit verpachting van het glazenwassersbedrijf. De man heeft nog aangevoerd, door ziekte minder inkomsten te hebben genoten, maar heeft ook deze stelling niet onderbouwd. Derhalve gaat het hof aan deze grief voorbij.

10. Het hof komt niet toe aan de stelling van de vader dat zijn draagkracht dient te worden verdeeld over vier kinderen nu deze niet is vast te stellen.

11. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking bekrachtigen. Het verzoek van de vader, de moeder te veroordelen in de proceskosten in eerste instantie en in hoger beroep zal derhalve worden afgewezen en het hof zal bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Mink en Pijls-olde Scheper bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.