Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5786

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
BK-09/00708 en 10/00107
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU4799, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Het Hof ontleent het vermoeden aan de feiten en omstandigheden dat belanghebbende de vergoeding groot € 36.400 heeft ontvangen voor de door hem verrichte werkzaamheden. De navorderingsaanslag is gebaseerd op een niet ontzenuwd bewijsvermoeden. Hierin ziet het Hof aanleiding de opgelegde vergrijpboete verder te matigen tot € 1.000, en acht deze verhoging passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-09/00708 en 10/00107

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 27 juli 2010

op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 augustus 2009, nr. AWB 08/6973 IB/PVV, betreffende na te noemen navorderingsaanslagen en gegeven beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest, heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 79.638 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 730 (hierna: de navorderingsaanslag IB/PVV) alsmede een navorderingsaanslag in de premie Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (hierna: WAZ) voor het jaar 2002, berekend naar een premie-inkomen van € 38.118 (hierna: de navorderingaanslag WAZ). Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur bij afzonderlijke, op het aanslagbiljet vermelde, beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 31.736 (hierna: de boetebeschikking) en heffingsrente in rekening gebracht van € 6.403 (hierna: de beschikking heffingsrente IB/PVV) onderscheidenlijk € 439 (hierna: de beschikking heffingsrente WAZ).

1.2. Bij in een geschrift vervatte uitspraken van 22 september 2008 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.238 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 730, de boetebeschikking gewijzigd in die zin dat de boete is verminderd tot op € 5.000, de navorderingsaanslag WAZ verminderd tot een berekend naar een premie-inkomen van € 36.400 alsmede de beschikkingen heffingsrente verminderd overeenkomstig de verminderingen van de navorderingsaanslagen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband hiermee is door de griffier een griffierecht van belanghebbende geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 15 juni 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2002 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.931. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het aangegeven inkomen verhoogd met € 907 tot € 6.838 wegens meer ontvangen loon. De aanslag is met dagtekening 9 september 2005 vastgesteld.

3.2. Belanghebbende heeft in januari 2002 ten behoeve van de heer [A], inwoner van Algerije (hierna: [A]), en diens onderneming [B] (hierna [B]), contact gelegd met de in [P] gevestigde onderneming [C] BV (hierna: [C]). Dit contact heeft geleid tot leveranties van melkpoeder door [C] aan [B] en/of [A]. Ter zake van deze leveringen heeft [C] een factuur opgemaakt voor 160.000 kg melkpoeder en een bedrag van € 341.600. Nadien is de factuur op verzoek van [A] gesplitst in twee facturen voor elk 80.000 kg melkpoeder en een bedrag van € 170.800. In de prijs is een provisie begrepen van € 37.500, nadien verhoogd tot € 72.800. [C] heeft op 22 april 2002 een bedrag van € 71.400, zijnde de som van een waarborgsom van € 35.000 en 50% van de provisie van € 72.800, overgemaakt op bankrekening [xx.xx.xx.xxx] van belanghebbende (hierna: belanghebbendes bankrekening). Op 28 mei 2002 heeft [C] het restant van de provisie op belanghebbendes bankrekening overgemaakt.

3.3. De Inspecteur heeft een kopie van een faxbericht overgelegd. De kop- of de voettekst - welke van beide het is, is niet duidelijk - van de kopie luidt: "VR, 24-MEI-02 13:33 [...]"

De tekst van het bericht luidt:

"[B]

[a-straat 1]

[Q] te [plaats in Algerije]

23 mei 2002

[C] B.V.

T.a.v. de heer [D]

[b-straat 1]

[0000 XX] [P]

Geachte heer [D],

Hierbij refereer ik aan het telefonisch gesprek van vanmiddag.

Bij deze verklaar ik, [X] eigenaar van [B], de enige eigenaar ben van het geldbedrag groot EURO 36.400,-

Ik verzoek u dan ook het geldbedrag EURO 36.400 inclusief de genoten rente over te maken op bankrekeningnummer [xx.xx.xx.xxx] ABN-AMRO te [Z].

Na betaling van dit bedrag aan mij, [B] zal er geen geld meer overgemaakt moeten worden, ordernummer [...]

Met vriendelijke groet,

[paraaf of handtekening]

[X]"

Ter zitting heeft belanghebbende bevestigd dat zijn roepnaam "[X]" is.

3.4. Naar aanleiding van een door de Inspecteur ontvangen renseignement van de betrokken bank inzake de onder 3.2. genoemde overmakingen naar belanghebbendes bankrekening, heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd en beschikkingen gegeven. Daarbij is - na bezwaar - een bedrag van € 36.400 als resultaat van een werkzaamheid van belanghebbende aangemerkt. Verder is het saldo van belanghebbendes bankrekening tot de rendementsgrondslag van belanghebbende gerekend, waardoor de navorderingsaanslag tevens belastbaar inkomen uit sparen en beleggen omvat.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de Inspecteur het bedrag van € 36.400 terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende heeft gerekend en of de Inspecteur terecht een vergrijpboete heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, van de navorderingsaanslagen en van de beschikkingen.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1. In hoger beroep herhaalt belanghebbende zijn voor de rechtbank ingenomen standpunten. Hij heeft daaraan geen nieuwe feiten en/of omstandigheden toegevoegd.

6.2. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als "eiser" en de Inspecteur als "verweerder":

"3.3.1. Niet in geschil is dat in 2002 een provisie van € 72.800 door [C] naar eisers bankrekening is overgemaakt, dat deze provisie verband hield met de verkoop en levering van 160.000 kg melkpoeder door [C] aan [A] en/of [B] (hierna: de transactie), dat eiser in opdracht van [A] deze en/of [B] behulpzaam is geweest bij de totstandkoming van de transactie en dat eiser een geldbedrag ter grootte van de provisie in contanten van eiseres bankrekening heeft opgenomen. Deze feiten, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de rechtbank, behoudens tegenbewijs door eiser, aannemelijk dat de betaling van het bedrag van € 72.800 (voor een substantieel gedeelte) strekte tot honorering van door eiser ten behoeve van [A] en/of [B] in het kader van de transactie verrichte werkzaamheden en (in zoverre) aan eiser ten goede is gekomen. Dit vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in het onder 3.1.3. geciteerde faxbericht. Aan de stelling van eiser dat hij dit faxbericht niet heeft ondertekend en verzonden, hecht de rechtbank geen geloof.

3.3.2. Gelet op hetgeen onder 3.3.1. is overwogen brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser zijn stellingen dat hij het bedrag niet voor zichzelf, maar voor [A] heeft ontvangen en dat hij het bedrag, na het van eisers bankrekening te hebben opgenomen, aan [A] heeft overhandigd, aannemelijk maakt. Hierin is eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen enkel bewijs van de door hem gestelde en door verweerder weersproken, ongebruikelijke gang van zaken heeft ingebracht of aangeboden.

3.3.3. Naar volgt uit hetgeen onder 3.3.1 en 3.3.2. is overwogen is (een substantieel deel van) het bedrag van € 72.800 aan eiser ten goede gekomen als beloning voor door hem verrichte werkzaamheden. Deze beloning, die naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangemerkt als resultaat van een werkzaamheid en derhalve tot het inkomen uit werk en woning behoort, heeft eiser niet verantwoord in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen voor het jaar 2002. Nu (een substantieel deel van) dit bedrag van € 72.800 zowel relatief als absoluut een aanzienlijk inkomensbestanddeel is, heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan. Derhalve dient op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rjksbelastingen (AWR) het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Deze zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast brengt mee dat eiser overtuigend moet aantonen dat verweerder ter zake van het door eiser genoten resultaat van een werkzaamheid een te hoog bedrag tot eisers inkomen uit werk en woning heeft gerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser, die zijn door verweerder weersproken stellingen, naar reeds onder 3.3.2. is overwogen, niet met bewijs heeft gestaafd, hierin niet geslaagd.

3.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het door eiser genoten resultaat uit een werkzaamheid in redelijkheid kunnen schatten op de helft van de naar eiseres bankrekening overgemaakte provisie, oftewel op € 36.200."

6.3. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting voorgehouden dat het aan de voormelde feiten en omstandigheden het vermoeden ontleent dat hij de vergoeding groot € 36.400 heeft ontvangen voor de door hem verrichte werkzaamheden. Belanghebbende heeft desgevraagd in hoger beroep geen nadere feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan hij dat vermoeden heeft ontzenuwd. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat de navorderingsaanslagen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn opgelegd.

6.4. Ten aanzien van de opgelegde vergrijpboete overweegt het Hof nog als volgt. De navorderingsaanslag is gebaseerd op een niet ontzenuwd bewijsvermoeden. Hierin ziet het Hof aanleiding de opgelegde vergrijpboete verder te matigen tot € 1.000, en acht deze verhoging passend en geboden. Hieruit volgt dat het hoger beroep in zoverre gegrond is.

Proceskosten en griffierechten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht, aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 39, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 110 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- bevestigt de uitspraken op bezwaar behoudens de hoogte van de vergrijpboete;

- stelt de vergrijpboete nader vast op € 1.000;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 149 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 27 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.