Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5766

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
105.012.906-01 + 105.012.907-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Partneralimentatie - na deskundigenbericht -, behoefte. Pensioenverevening, twee pensioenbronnen. Gebruik echtelijke woning, geen aanleiding om de wettelijke termijn van zes maanden te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 105.012.906.01 + 105.012.907.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-78

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G. van der Steen te Wassenaar,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.J. Davidse te Amsterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 19 maart 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank

’s-Gravenhage van 21 december 2007 en heeft daarbij onder meer verzocht om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van die beschikking.

De man heeft op 21 mei 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 2 juli 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 23 april 2008, 26 mei 2008 en 24 juni 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 3 juli 2008 is het verzoek wat betreft de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad mondeling behandeld.

Bij de beschikking van 16 juli 2008 heeft het hof, in de zaak met nummer 105.012.908/01, het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad tot het moment dat in hoger beroep tussen partijen, in de zaak met nummer 105.012.906/01, door het hof is beslist, toegewezen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Vervolgens zijn van de zijde van de vrouw bij het hof op 16 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man bij het hof op 12 november 2008, 12 februari 2009 en 20 februari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 februari 2009 is de mondelinge behandeling voorgezet, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer 200.023.835/01.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, aanvullende stukken bij het hof ingekomen. Van de zijde van de man een faxbrief, ingekomen op 29 april 2009, en van de zijde van de vrouw een brief met bijlagen, ingekomen op 4 mei 2009.

Bij de beschikking van 17 juni 2009 heeft het hof in de zaak met nummer 105.012.906/01 een tussenbeschikking gegeven waarbij een deskundigen onderzoek is bevolen en een deskundige is benoemd. Voorts heeft het hof mr. Dusamos (en bij diens afwezigheid mr. Van Dijk) tot raadsheercommissaris benoemd en heeft het hof een regiezitting bepaald op 3 juli 2009 om 10.00 uur. De behandeling van de zaak is verder pro forma aangehouden tot zaterdag 28 november 2009 en daarnaast is iedere verdere beslissing aangehouden.

Van de zijde van de man zijn bij faxbericht bij het hof op 3 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 3 juli 2009 heeft in aanwezigheid van partijen en de door het hof benoemde deskundige, de heer A. Hak, een regiezitting plaatsgevonden waarbij de onderzoeksvragen zijn besproken en vastgesteld. Van deze regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Op 18 februari 2010 is bij het hof ingekomen het door de deskundige, de heer Hak, uitgebrachte rapport van 15 februari 2010.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft de advocaat van de vrouw verzocht om een verdere mondelinge behandeling van de zaak.

Bij brief van 8 maart 2010 heeft de advocaat van de man eveneens verzocht om een verdere mondelinge behandeling van de zaak.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 15 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 25 juni 2010 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is thans nog de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie), de pensioenverevening en het gebruik van de echtelijke woning.

2. De vrouw verzoekt het hof, voor zover thans nog van belang, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres]) te [woonplaats] en de man te veroordelen om aan haar tot haar levensonderhoud uit te keren € 2.000,-- per maand, telkens maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen:

I. voor zover het betreft de verklaring voor recht dat overeenkomstig het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de vrouw recht heeft op verevening van het pensioen van de man en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat partijen over en weer dienen over te gaan tot verevening van hun pensioenaanspraken uit [onderneming X] om te verklaren voor recht dat de man afziet van zijn recht op verevening aangaande het door de vrouw ontvangen pensioen van de andere pensioenuitkeringsinstantie ten bedrage van omstreeks € 50,-- bruto per maand (€ 46,65 netto per maand);

II. voor zover het betreft de vaststelling van de behoeftigheid van de vrouw na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en de uitvoering van de verdeling van de pensioenaanspraken overeenkomstig het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Het hof zal het principaal appel en het incidenteel appel gezamenlijk te behandelen.

Partneralimentatie

4. De vrouw stelt in haar derde, vierde en vijfde grief de behoefte en de draagkracht in het kader van de partneralimentatie aan de orde. De vrouw betwist de hoogte van het inkomen van de man zoals door de rechtbank is vastgesteld. De vrouw stelt dat de man ten aanzien van zijn inkomen – zowel zijn inkomen uit pensioen, als zijn inkomen uit onderneming, als zijn inkomen uit vermogen – onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Bovendien stelt de vrouw geen vertrouwen te hebben in de financiële gegevens zoals die door de man met behulp van zijn accountant zijn overgelegd. Nu naar de mening van de vrouw van een hoger inkomen van de man ten tijde van het huwelijk dient te worden uitgegaan, is ook haar behoefte aan alimentatie hoger dan € 1.664,-- per maand zoals door de rechtbank vastgesteld. Met betrekking tot de draagkracht van de man betwist de vrouw de door hem opgevoerde hypotheeklasten en stelt zij in het algemeen dat zij vermoedt dat de man, gezien de recente verkoop van onroerend goed en ook zijn huidige uitgavenpatroon, meer te besteden heeft dan hij opgeeft.

5. De man stelt zich in zijn tweede grief in incidenteel appel op het standpunt dat de vrouw niet behoeftig is. De man stelt dat voor het bepalen van de behoefte van de vrouw dient te worden aangeknoopt bij alleen het pensioeninkomen dat de man kort voor het uiteengaan van partijen ontving. De man stelt voorts dat de behoefte van de vrouw die daaruit voortvloeit reeds gedekt wordt door haar eigen inkomsten, te weten inkomen uit AOW-uitkering en inkomen dat zij uit hoofde van verevening van de pensioenaanspraken van de man ontvangt, dan wel zal gaan ontvangen. Wat betreft de grieven van de vrouw ten aanzien van zijn draagkracht betwist de man dat de door hem overgelegde cijfers aangaande zijn financiële situatie onbetrouwbaar of onjuist zouden zijn en biedt daarbij inzage in zijn gegevens aan. De man stelt voorts geen draagkracht te hebben om partneralimentatie te betalen en betwist de overige stellingen van de vrouw in dat verband gemotiveerd.

6. Het hof overweegt als volgt.

Bij het bepalen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde wordt op grond van vaste jurisprudentie mede aangeknoopt bij de mate van welstand van partijen ten tijde van het huwelijk welke onder meer afgeleid wordt uit het gezinsinkomen en het uitgavenpatroon van partijen destijds. Daarnaast zal de behoefte zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In dit licht is het hof, gelet op de overgelegde stukken, het deskundigenrapport van de heer Hak en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw – derhalve reeds rekeninghoudend met haar eigen inkomsten uit AOW-uitkering en klein pensioen – van € 1.664,-- bruto per maand niet onredelijk is. Het hof zal dan ook uitgaan van voormelde aanvullende behoefte van de vrouw. Het hof heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat partijen ruim 43 jaar gehuwd zijn geweest, dat er twee kinderen geboren zijn tijdens het huwelijk en dat er sprake was van een traditioneel rollenpatroon.

Bij het bepalen van de draagkracht van de alimentatieplichtige wordt als uitgangspunt gehanteerd het feitelijke inkomen van de alimentatieplichtige, te verminderen met zijn noodzakelijke en redelijke lasten. De financiële situatie van de man is gekenmerkt door schommelingen. Het is duidelijk dat partijen gedurende het huwelijk de beschikking hebben gehad over aanzienlijke geldbedragen, als gevolg van inkomen uit winst uit onderneming en vanwege verkoop van onroerend goed, doch tevens is duidelijk dat, door samenloop van ongelukkige omstandigheden, van een groot deel van deze geldbedragen weinig over is. Nu als ingangsdatum van de partneralimentatie, de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 mei 2008 geldt, zal het hof de financiële situatie van de man vanaf mei 2008 moeten beoordelen. Uit de overgelegde stukken en het deskundigenrapport volgt dat het inkomen van de man omstreeks mei 2008 reeds aanzienlijk is gedaald ten opzichte van de laatste jaren van het huwelijk. Immers, de man heeft in 2006 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, sinds oktober 2008 was hij geen eigenaar meer van [onderneming Y], welke onderneming bovendien de laatste jaren nauwelijks resultaat behaalde, en in 2008 is een negatief rendement gerealiseerd over de beleggingsportefeuille. De overgelegde stukken, het deskundigenrapport, noch het verhandelde ter terechtzitting geven het hof aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan ten aanzien van mogelijke inkomsten uit [onderneming X] Een en ander brengt mee dat het inkomen van de man, zowel vanaf mei 2008 als thans, anno 2010, feitelijk niet meer omvat dan inkomsten uit AOW-uitkering. Dit betekent dat het huidige inkomen van de man zodanig gering is dat, ook zonder rekening te houden met de bestreden hypotheeklasten, de draagkracht van de man onder deze omstandigheden geen alimentatie toelaat.

7. Het hof zal het verzoek van de vrouw te bepalen dat de betaling van de hypotheeklasten door de man moet geschieden afwijzen, nu de vrouw geen concreet verzoek op dit punt heeft gedaan.

8. Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de vrouw, noch die van de man, slagen en dat de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie door het hof zal worden bekrachtigd.

Pensioen

9. De tweede grief van de vrouw richt zich tegen een overweging van de rechtbank aangaande de pensioenaanspraken van de man. De vrouw stelt dat de pensioenaanspraken van de man uit [onderneming X] niet slechts bestaan uit de nog openstaande vordering van [onderneming X] op [onderneming Z]., te weten een bedrag van € 320.000,--, zoals de rechtbank vermeldt, doch dat deze tevens bestaan uit het reeds door [onderneming Z]. afgeloste deel van de vordering. De pensioenvoorziening van de man bestaat om die reden volgens de vrouw uit een bedrag van € 589.914,28.

10. De man stelt zich in zijn eerste grief in incidenteel appel op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte alleen voor recht heeft verklaard dat de vrouw recht heeft op verevening van het pensioen van de man uit [onderneming X] De man heeft weliswaar afstand gedaan van het door de vrouw bij een andere pensioeninstantie opgebouwde pensioen, maar niet van de pensioenaanspraken van de vrouw uit [onderneming X] Ten aanzien van het deel dat de vrouw in [onderneming X] heeft opgebouwd, wenst de man wel verevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De pensioenaanspraken bedragen volgens hem € 4.370,-- per jaar van de vrouw en € 28.752,-- per jaar van de man.

11. Het hof overweegt als volgt. Nu de grief van de vrouw niet gericht is tegen een beslissing opgenomen in het dictum van de rechtbank, ziet het hof geen aanleiding zich uit te laten over de al dan niet onterechte overweging van de rechtbank aangaande de hoogte van de pensioenaanspraken. Het is immers niet aan het hof of de rechtbank om de precieze bedragen te omschrijven, nu de verevening uit de wet volgt en het aan de pensioeninstanties is om een en ander te berekenen. Het verzoek van de man voor recht te verklaren dat hij eveneens recht heeft op verevening van de pensioenaanspraken van de vrouw uit [onderneming X] zal het hof toewijzen, nu dit in overeenstemming is met de wet. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw in haar verweerschrift op incidenteel appel dat uit artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat zij over haar pensioen vrijelijk kan beschikken en dat haar pensioen om die reden niet verevend behoeft te worden, maar geheel voor haar is. Indien sprake is van een uitsluiting van pensioenaanspraken behoort een dergelijke uitsluiting nadrukkelijk en specifiek uit de bewoordingen van de akte blijken. Naar het oordeel van het hof is dat hier niet het geval.

Echtelijke woning

12. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats]. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man enig eigenaar is van de echtelijke woning en dat de uitkomst van de civiele procedure zodanig ongewis is dat daarop niet vooruitgelopen kan worden. Ter terechtzitting heeft de vrouw op grond van praktische bezwaren verzocht om de onderhavige procedure op dit punt aan te houden totdat in hoger beroep in de civiele procedure is beslist.

13. De man meent dat, gezien de persoonlijke omstandigheden van partijen, het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw inmiddels lang genoeg heeft geduurd en dat er geen aanleiding bestaat om de wettelijke termijn van zes maanden te verlengen.

14. Het hof overweegt als volgt. Het hof ziet geen aanleiding onderhavige procedure aan te houden in afwachting van het verloop van de civiele procedure. Het hof is van oordeel dat de vrouw op dit moment geen belang meer heeft bij een voortgezet gebruik van de echtelijke woning uit hoofde van de echtscheiding, aangezien zij thans op grond van een vonnis van de rechtbank voor de helft eigenaar is van de woning en op die grond reeds woongenot heeft. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om (een verlenging van) het voortgezet gebruik van de woning toe te wijzen.

Kosten deskundige

15. Gelet op de door de deskundige overgelegde rekening, stelt het hof hierbij de vergoeding van de deskundige vast op € 15.916,25 (inclusief BTW) zoals door hem is verzocht.

Het hof is, na beide partijen daarover te hebben gehoord, van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat de kosten van de deskundige aan een van beide partijen in rekening te brengen, zodat deze gecompenseerd dienen te worden. Zowel de man als de vrouw dient er derhalve zorg voor te dragen dat een bedrag van € 7.958,12 wordt gedeponeerd ter griffie van het hof door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van Ministerie van Justitie arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding van zaaknummer 105.012.906/01.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart voor recht dat overeenkomstig het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de man, gelijk de vrouw op zijn deel, recht heeft op verevening van het pensioen van de vrouw uit [onderneming X];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

stelt de kosten van het deskundigenbericht vast op € 15.916,25 (inclusief BTW) en verstaat dat de griffier van dit hof dit bedrag reeds aan de deskundige heeft voldaan;

bepaalt dat de man binnen veertien dagen na heden een bedrag van € 7.958,12 ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 56.99.90.580 ten name van Ministerie van Justitie arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding van zaaknummer 105.012.906/01;

bepaalt dat de vrouw binnen veertien dagen na heden een bedrag van € 7.958,12 ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 56.99.90.580 ten name van Ministerie van Justitie arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding van zaaknummer 105.012.906/01;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Van Dijk en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.