Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5749

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
200.050.168.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling. Deskundigenonderzoek ter vaststelling of de wettelijke gronden aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 augustus 2010

Zaaknummer : 200.050.168/01

Kenmerk rechtbank : 236465 BM VERZ 09-326

[De betrokkene],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat mr. G.H. Zijlstra te Amersfoort.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [bewindvoerder a],

wonende te [woonplaats],

2. [bewindvoerder b],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de bewindvoerders,

advocaat mr. M. de Jonge te Apeldoorn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De betrokkene is op 27 november 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 september 2009 van de kantonrechter in de rechtbank Dordrecht, vestiging Gorinchem.

De bewindvoerders hebben op 27 januari 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de betrokkene is bij het hof op 18 december 2009 een aanvullend stuk ingekomen.

Van de zijde van de bewindvoerders is bij het hof op 11 februari 2010 een aanvullend stuk ingekomen.

Op 4 juni 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, en de bewindvoerders, bijgestaan door hun advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de betrokkene tot opheffing van het bewind over haar goederen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de onderbewindstelling van de goederen van de betrokkene.

2. De betrokkene verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de opheffing van het bewind te bevelen.

3. De betrokkene stelt in haar grieven dat het bewind moet worden opgeheven omdat de oorzaken die tot de onderbewindstelling hebben geleid niet meer bestaan. De alcoholverslaving van de betrokkene is voorbij. Zij is al twee jaar niet meer verslaafd en ook het syndroom van Korsakov, dat volgens de betrokkene nog niet bestond ten tijde van de onderbewindstelling, is – voor het onwaarschijnlijke geval dat dit vast komt te staan – in gestabiliseerde vorm geen reden meer voor de onderbewindstelling. De betrokkene verzoekt het hof om haar in de gelegenheid te stellen om door middel van een deskundige te bewijzen dat de redenen voor de onderbewindstelling niet langer aanwezig zijn.

Verder betoogt de betrokkene dat uit de door haar overgelegde verklaring van dr. Keizer blijkt dat zij wederom in staat is haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

De betrokkene heeft ter terechtzitting verzocht om als deskundige dr. Zuidveld van het verpleeghuis [naam verpleeghuis] te [plaats van vestiging] te benoemen. Zij is volgens de betrokkene gespecialiseerd in het Korsakovsyndroom.

4. De bewindvoerders bestrijden het beroep en verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen, het verzoek van de betrokkene af te wijzen en de betrokkene te veroordelen in de kosten van beide instanties. Zij stellen – onder meer – dat de onderbewindstelling destijds is verzocht omdat de betrokkene zichzelf verwaarloosde, geen inzicht had in haar ziektebeeld en totaal gedesoriënteerd was in tijd en plaats. Inmiddels is vastgesteld dat de betrokkene de ziekte van Korsakov heeft, als gevolg van overmatig alcoholgebruik en slechte voedingsgewoonten. Gevolgen van deze ziekte zijn: stoornissen in het geheugen en in de oriëntatie, oordeelsstoornissen, planstoornissen en kritiekstoornissen. Volgens de bewindvoerders kan niet geconcludeerd worden dat de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het instellen van het bewind niet meer bestaat.

De bewindvoerders zijn van mening dat de benoeming van een deskundige niet nodig is. Mocht het hof toch overgaan tot benoeming van een deskundige, dan dient er naar de mening van de bewindvoerders een onafhankelijke deskundige te worden benoemd.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat de betrokkene lijdt aan het Korsakovsyndroom. De betrokkene heeft dit ter terechtzitting ook erkend. Het hof is van oordeel dat onvoldoende duidelijk naar voren is gekomen of en in welke mate de betrokkene als gevolg van het Korsakovsyndroom (haar lichamelijke of geestelijke toestand) thans in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof acht het daarom noodzakelijk dat hiernaar een onderzoek wordt verricht door een deskundige. Het hof zal, alvorens te beslissen op het voorliggende verzoek, de zaak in verband met het hierna te gelasten deskundigenonderzoek aanhouden tot 27 november 2010 pro forma en een deskundige benoemen.

Deskundigenonderzoek

6. De deskundige zal op grond van artikel 198, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris.

De deskundige

7. Uit navraag door de griffier van het hof is gebleken dat de deskundige die de betrokkene heeft verzocht te benoemen niet gespecialiseerd is in het Korsakovsyndroom. Het hof zal dan ook een andere deskundige benoemen en heeft de heer Oliver Guddat bereid gevonden om het onderzoek te verrichten. Het hof heeft de betrokkene en de bewindvoerders op de hoogte gesteld van het voornemen van het hof om de heer Guddat te benoemen als deskundige. Zij hebben hiertegen geen bezwaren geuit.

8. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Onderzoeksvragen

9. De deskundige zal de volgende vragen dienen te beantwoorden:

a) is de betrokkene in staat om ten volle haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen, dat wil zeggen kan zij dit zonder hulp van derden (anders dan bijvoorbeeld een belastingadviseur)?

Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen de leeftijd, de ervaring en het kennisniveau van de betrokkene.

b) bestaat daarbij verschil tussen het behartigen van het vermogen van de betrokkene enerzijds en anderzijds het inkomen dat de betrokkene per maand ontvangt:

- is de betrokkene ten volle in staat haar vermogen te beheren?

- is de betrokkene ten volle in staat haar inkomen te beheren?

c) is de betrokkene beïnvloedbaar; bestaat er een risico dat anderen misbruik van haar situatie zullen maken?

Klachten over de deskundige

10. De deskundige, psychiater, dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

11. Indien een partij (de betrokkene of (een van) de bewindvoerders) een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is – na partijen (hieronder wordt hierna verstaan: de betrokkene en de bewindvoerders) en de deskundige te hebben gehoord – te beoordelen of die partij conform artikel 198, derde lid, Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Kosten deskundige

12. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 100,-. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren- en verrichtingenstaat. Het hof zal, alvorens over te gaan tot betaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal het hof overgaan tot uitbetaling.

13. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 350,-. Het hof acht het redelijk en billijk dat de bewindvoerders uit het vermogen van de betrokkene de kosten van de deskundige betalen. De bewindvoerders dienen er voor zorg te dragen dat voormeld voorschot wordt gedeponeerd ter griffie van het hof.

Deskundigenbericht

14. Het deskundigenbericht dient vóór 27 november 2010 met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

15. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw A.W.M. Verheijen en bij haar afwezigheid tot mevrouw mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren.

Raadsheer-commissaris

16. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. M.J. de Haan-Boerdijk en bij haar afwezigheid mr. P.B. Kamminga.

Proceskosten

17. Het hof zal de beslissing ter zake van de proceskosten eerst geven bij de eindbeslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling van de zaak aan tot 27 november 2010 pro forma, ter fine als vermeld in rechtsoverweging 5 e.v.;

benoemt tot deskundige:

de heer Olivier Guddat, psychiater

Ambulant Centrum Ouderen Zuid

[adres]

[postcode] [plaats]

Tel: [nummer]

Fax: [nummer]

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat de betrokkene – door tussenkomst van haar advocaat – binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;

bepaalt dat de bewindvoerders binnen vier weken na heden uit het vermogen van de betrokkene een voorschot van € 350,- ter griffie van het hof zullen deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 56.99.90.580 ten name van Ministerie van Justitie MvJ Arrondissement Den Haag 537, The Royal Bank of Scotland (RBS), en onder vermelding van zaaknummer 200.050.168.01;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.J. de Haan-Boerdijk en bij haar afwezigheid mr. P.B. Kamminga;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed vóór 27 november 2010 zal toezenden aan de griffier van dit hof, onder vermelding van zaaknummer 200.050.168.01;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de betrokkene en de bewindvoerders bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Kamminga en Van Veen, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2010 .