Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5635

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
200.034.827-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag: noodzakelijkheid wegens noncommunicatie tussen ouders en onbereikbaarheid van de ene ouder voor de andere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.034.827/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-3301

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te ’s-Gravenhage,

tegen

[verweerder],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 14 mei 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 februari 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

De raad heeft het hof bij brief van 13 juli 2009 zijn rapport van 13 juli 2007 overgelegd.

Op 21 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens de raad: mevrouw J.J. de Kok. Jeugdzorg is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De vader is conform artikel 277, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) jo artikel 8, eerste lid van de Verordening 1397/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, opgeroepen op het van de zijde van de moeder aangereikte adres in Marbella, Spanje, maar niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in raadkamer gehoord. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Na de zitting is het hof uit “het Certificaat van Betekening of kennisgeving dan wel niet-betekening of niet-kennisgeving van stukken” gebleken dat de vader niet meer op het aangereikte adres woont, maar inmiddels is vertrokken zonder dat een nieuw adres bekend is. Voorts is na de zitting bij het hof een verklaring van het Decanaat voor de Rechtbank van Eerste Aanleg en Instructie Marbella van 13 april 2010 ingekomen waarin is meegedeeld dat het informatiesysteem van het arrondissement is geraadpleegd en dat er geen enkele inschrijving is gevonden op naam van de vader.

Het hof heeft vervolgens, ingevolge artikel 272 Rv, de vader voor de zitting van 29 juli 2010 openbaar opgeroepen per in de op 14 juni 2010 verschenen editie van De Telegraaf gepubliceerde advertentie.

De raad heeft het hof bij brief van 20 juli 2010 bericht zijn standpunt zoals door mevrouw J.J. de Kok verwoord tijdens voormelde mondelinge behandeling van 21 april 2010 te handhaven en voorts meegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting van 29 april 2010 zal verschijnen.

Op 29 juli 2010 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de moeder de gezamenlijke gezagsuitoefening te wijzigen in die zin dat zij alleen met het gezag over de hierna te noemen minderjarigen wordt belast, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren [in] 1993 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats];

hierna te noemen: de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de moeder alsnog toe te wijzen.

Zij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek heeft afgewezen en voert daartoe onder meer het volgende aan. Sinds de echtscheiding van partijen in 2004 en het vertrek van de vader naar Spanje heeft de vader niet, althans nauwelijks, meer met haar gecommuniceerd, waardoor het onmogelijk is om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. Daarnaast stelt de moeder dat de vader het gezamenlijk gezag heeft ondermijnd door [minderjarige], zonder de moeder hiervan op de hoogte te stellen, naar Spanje te laten reizen.

3. De vader heeft geen verweer gevoerd.

4. De raad heeft ter terechtzitting gesteld voorstander te zijn van het behoud van het gezamenlijk gezag om zo de samenwerking tussen de ouders te bewerkstelligen.

5. Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat ouders die tijdens het huwelijk gezamenlijk gezag hebben, dit gezamenlijk gezag behouden. Ingevolge het (gewijzigde) artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag zoals bedoeld in artikel 1:251a, eerste lid BW beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Bepaald kan worden dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

7. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de ouders al geruime tijd niet met elkaar communiceren. Het adres van de vader is niet bij de moeder bekend en ook voor het hof is het niet mogelijk geweest om de vader te traceren. Regelmatig zullen door ouders die gezamenlijk het gezag dragen voor de ontwikkeling van hun minderjarige kinderen en/of hun sociaal, geestelijk en/of lichamelijk welzijn belangrijke beslissingen samen dan wel in min of meer nauw overleg met de ander door één van hen moeten worden genomen, soms ook op korte of zeer korte termijn. De omstandigheid dat de vader niet betrokken is bij de groei en ontwikkeling van de minderjarigen en daarnaast ook niet bereikbaar is, maakt het - naar het oordeel van het hof - onmogelijk hem nog langer verantwoordelijkheid te laten dragen ten aanzien van te nemen beslissingen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Het hof verwacht niet dat hierin binnen afzienbare tijd verandering in zal komen. Bij die stand van zaken acht het hof het niet verantwoord het gezamenlijk gezag van de ouders te laten voortduren. Het is derhalve in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat het gezag over hen aan de moeder alleen toekomt.

8. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en het gezamenlijk gezag over de minderjarigen beëindigen en bepalen dat voortaan aan de moeder alleen het gezag over de minderjarigen toekomt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

beëindigt het gezamenlijk gezag over de minderjarigen en bepaalt dat voortaan aan de moeder alleen het gezag over de minderjarigen toekomt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Kamminga en Van der Burght, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.