Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5526

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
200.056.066-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partner- en kinderalimentatie. Onduidelijk waartegen appellant grieft. Beperking van het geschil tot de door de rechtbank vastgestelde omvang van het inkomen van de alimentatieplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 augustus 2010

Zaaknummer : 200.056.066/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-361

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. van den Ende te Rotterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F. Borger van der Burg-Holstege te ‘s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 1 februari 2010 in hoger beroep gekomen van beschikkingen van 16 november 2009 en 7 januari 2010 van de rechtbank 's-Gravenhage.

De vrouw heeft op 25 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 1 april 2010 en 9 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij beschikking van 16 november 2009 is, voor zover in hoger beroep van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 250,- per maand, naast een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 500,- per maand ten behoeve van de hierna te noemen minderjarige.

Bij beschikking van 7 januari 2010 heeft de rechtbank het verzoek van de man, om de beschikking van 16 november 2009 te verbeteren vanwege een kennelijke rekenfout, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking [in] 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) ten behoeve van de [in] 2000 uit het huwelijk van partijen geboren minderjarige [naam minderjarige].

2. De man verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen (het hof leest: voor zover het de partneralimentatie en de kinderalimentatie betreft) en, in zoverre opnieuw beschikkende, de partneralimentatie en de kinderalimentatie op nihil te stellen, althans een zodanig lagere bijdrage vast te stellen als het hof vermeent te behoren.

3. De vrouw verzoekt de beschikking van 16 november 2009 te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

4. De behoefte van de vrouw en van de minderjarige aan alimentatie staan als niet bestreden vast.

5. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep tegen de beschikking van 7 januari 2010. Gelet op het bepaalde in artikel 31 lid 4 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen een weigering tot verbetering van een beschikking geen voorziening open.

Het hof rondt af op hele bedragen.

6. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan van een fiscaal loon van € 69.996,- overeenkomstig de jaaropgave 2008 van de man. Voorts heeft de rechtbank de volgende maandlasten van de man in aanmerking genomen: € 886,- rente 1e hypothecaire geldlening, € 224,- rente 2e hypothecaire geldlening, € 23,- en € 90,- premies levensverzekering, € 95,- forfaitaire eigenaarslasten, € 136,- premie zorgverzekeringswet, hierna: ZVW, € 187,- inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, € 43,- kosten omgangsregeling, € 226,- aflossing lening Postbank, € 80,- aflossing schuld Primeline, € 34,- aflossing schuld Comfort Card, € 140,- aflossing schuld Visa Card, € 330,- aflossing Postbank Creditcard, € 54,- aflossing Belastingdienst en € 50,- kosten kinderopvang. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de fiscale gevolgen, een voor kinderalimentatie beschikbaar percentage van 70 en een voor partneralimentatie beschikbaar percentage van 60.

7. Ingevolge artikel 359 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het appelschrift de gronden waarop het appel berust te bevatten. De eisen van een goede procesorde brengen met zich dat partijen helder inzichtelijk dienen weer te geven waartegen de grieven zich richten, zodat de wederpartij voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zich daartegen te verweren. De man heeft naar het oordeel van het hof niet concreet aangegeven tegen welke bestanddelen van de bestreden beschikking zijn beroep is gericht, doch heeft uitsluitend gesteld dat de rechtbank op basis van het in aanmerking genomen inkomen en zijn maandelijkse lasten ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de man in staat is om € 500,- per maand aan kinderalimentatie te voldoen en € 250,- per maand aan partneralimentatie. Uit de inhoud van het verweerschrift maakt het hof op dat ook voor de vrouw niet duidelijk is tegen welke onderdelen van de bestreden beschikking het beroep van de man zich richt. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de man, daarnaar gevraagd, expliciet gesteld dat de rechtbank een te hoog inkomen van de man in aanmerking heeft genomen. Andere grieven, gericht tegen de bestreden beschikking, heeft de man niet genoemd. Dit brengt met zich dat naar het oordeel van het hof in hoger beroep uitsluitend het inkomen van de man ter discussie staat en dat de door de rechtbank in aanmerking genomen maandlasten van de man als niet bestreden vaststaan, zodat het hof die lasten bij het berekenen van zijn draagkracht in aanmerking neemt.

8. Gelet op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ([in] 2010) gaat het hof bij het vaststellen van de draagkracht uit van het inkomen van de man in 2010. Op de salarisspecificaties die de man bij brief van 9 juli 2010 heeft overgelegd staat een bruto jaarinkomen van € 56.122,- vermeld. Gezien het op de salarisspecificaties vermelde bruto maandinkomen van circa € 3.800,- gaat het hof er vanuit dat in het inkomen van € 56.122,- vakantietoeslag en overwerk is begrepen. Dat inkomen neemt het hof, gelijk de man in zijn eveneens bij brief van 9 juli 2010 overgelegde draagkrachtberekening heeft gedaan, als uitgangspunt. Het hof ziet geen reden om van het door de rechtbank in aanmerking genomen inkomen in 2008 van € 69.996,- uit te gaan, zoals door de vrouw is betoogd. Het hof acht de stelling van de man, dat hij vanwege de economische recessie minder overwerk kan verrichten dan voorheen en dat als gevolg daarvan zijn inkomen is gedaald, aannemelijk. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat de man samenwoont met een nieuwe partner aangezien de man dit ontkent en de vrouw haar stelling niet aannemelijk gemaakt, noch bewijs heeft aangeboden van haar stelling. Het hof passeert tevens de stelling van de vrouw dat de man naast het inkomen uit zijn fulltime baan zwarte inkomsten geniet omdat hij werkzaamheden voor [naam] bruidsmode zou verrichten. De man heeft uitdrukkelijk betwist dat hij zwarte inkomsten geniet en de vrouw heeft weliswaar ter zitting van het hof een foto getoond waarop de man op een bruidsshow is te zien, doch daarmee is nog niet aangetoond dat de man daar inkomsten uit geniet.

Omdat de man blijkens de overgelegde salarisspecificaties deelneemt aan een levensloopregeling en een dergelijke regeling geen voorrang verdient boven de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw en de minderjarige, zal het hof de premie levensloopregeling bij het inkomen van de man betrekken.

9. Uitgaande van een jaarinkomen van € 57.862,- (inclusief levensloopregeling) en de in rechtsoverweging 6 genoemde maandlasten van de man, komt het hof tot de conclusie dat de man in staat is om ten behoeve van de minderjarige een alimentatie te voldoen van € 250,- per maand. Daarnaast heeft de man geen draagkracht voor het voldoen van partneralimentatie.

10. Het hof ziet geen reden, zoals door de vrouw is verzocht, om de man te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en zal dat verzoek derhalve afwijzen.

11. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van 7 januari 2010;

vernietigt de beschikking van 16 november 2009 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige, met ingang van 18 februari 2010 op € 250,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de vrouw tot het toekennen van een door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud af;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Labohm en Zwagemaker, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2010.