Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5489

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
200.029.766-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats minderjarigen in situatie van gezamenlijk gezag na scheiding. Wijziging van de hoofdverblijfplaats in belang van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.029.766/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-1427

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.V.S. van Baarle te Utrecht,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven te Tilburg.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn is opgeroepen:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

kantoor houdende te Eindhoven,

hierna: Jeugdzorg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek

van Burgerlijke Rechtsvordering is in de zaak gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 5 augustus 2009, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is een deskundigenonderzoek gelast als omschreven in rechtsoverwegingen 14 tot en met 19. Tot deskundigen zijn benoemd mevrouw mr. dr. B. Chin-A-Fat en mevrouw drs. L.C.M. Franck-Schaekens. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Van de zijde van de deskundigen is bij het hof op 26 februari 2010 een deskundigenbericht ingekomen, met als bijlage een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan.

Bij brief van 8 maart 2010 heeft de griffier van dit hof partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het deskundigenbericht en zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

Op 19 maart 2010 heeft de advocaat van de man zijn reactie aan het hof doen toekomen.

Op 22 maart 2010 heeft de advocaat van de vrouw haar reactie aan het hof doen toekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 28 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 6 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 juli 2010 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. C. Simmelink, kantoorgenoot van mr. Van Baarle, de man, bijgestaan door zijn advocaat, namens Jeugdzorg mevrouw M. Mous en mevrouw E. Peeters, en namens de raad de heer F. Dekkers. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Uit de inhoud van het aan het deskundigenrapport gehechte ouderschapsplan blijkt dat de ouders geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over het hoofdverblijf van de minderjarigen. Partijen zijn er in geslaagd afspraken te maken over de wijze waarop zij, ongeacht het hoofdverblijf van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken willen regelen. Deze afspraken zijn vastgelegd in voormeld ouderschapsplan, waarvan een copie aan deze beschikking is gehecht.

2. Uit het deskundigenrapport komt naar voren dat partijen hun negatieve wijze van communiceren deels om hebben kunnen zetten naar een meer positieve wijze van communiceren. De deskundigen schatten in dat de ouders de positieve wijze van communiceren vast kunnen houden zodra er een einde komt aan de procedures tussen hen en er duidelijkheid komt over de (hoofd)verblijfplaats van de kinderen. De deskundigen achten duidelijkheid, rust en structuur thans het meest in het belang van de kinderen. De kinderen zijn niet door de deskundigen in het onderzoek betrokken maar op basis van de gesprekken die de deskundigen met de ouders hebben gevoerd kunnen de deskundigen zich vinden in de oordelen en conclusies die in de verscheidene rapportages zijn getrokken. Op grond van de gesprekken met de ouders is voor de deskundigen niet aan te geven waar het hoofdverblijf van de kinderen het meest geëigend zou zijn. Wel sluiten zij aan bij het advies het hoofdverblijf voor de komende periode bij de man te laten zijn. Zij sluiten in de toekomst een hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw niet uit. Onzeker is nog welke consequenties de nieuwe melding door de vrouw van vermoedelijk seksueel misbruik (door de man) zal hebben.

3. De vrouw stelt dat de door het hof in de beschikking van 5 augustus 2009 gestelde vragen onder b tot en met e niet dan wel niet eenduidig of volledig door de deskundigen zijn beantwoord. De kinderen hebben niet met de deskundigen gesproken en er is gebruik gemaakt van onjuiste en gedateerde rapporten. Voorts is gebruik gemaakt van hetgeen de ouders hebben aangegeven. De vrouw meent dat het deskundigenrapport niet aan de verwachtingen voldoet en volgens haar is er nog steeds onvoldoende informatie over wat in deze in het belang van de kinderen is. Om die reden verzoekt de vrouw het hof nieuwe deskundigen aan te wijzen teneinde de gestelde vragen beantwoord te krijgen en de benodigde duidelijkheid te verkrijgen. De kinderen wonen momenteel bij de vrouw en de ouders wonen ver uit elkaar. Het wederom veranderen van de verblijfplaats van de kinderen zal geenszins rust brengen. De vrouw kan zich niet vinden in het feit dat de deskundigen zonder motivering aansluiting zoeken bij het advies het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te laten zijn.

4. De man sluit zich aan bij de visie van de deskundigen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hem moet worden vastgesteld en verzoekt het hof dienovereenkomstig te beslissen. Het achterwege laten van het horen van de kinderen is door partijen met de deskundigen besproken en partijen hebben zich daarmee akkoord verklaard teneinde de kinderen niet nog meer te belasten. De man maakt zich grote zorgen over het welzijn en de gezondheid van de kinderen. De man meent dat het hof zich op grond van de voorliggende rapportages en het uitgebrachte deskundigenadvies voldoende geïnformeerd kan achten.

5. De raad heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat een spoedige beslissing over de verblijfplaats van de kinderen, mede vanwege het tijdsverloop, in het belang van alle betrokkenen zal zijn. Om die reden ziet de raad niets in een nader deskundigenonderzoek. Volgens de raad vormen de onduidelijkheid en de strijd over de verblijfplaats van de kinderen een beletsel voor de man en de vrouw om met elkaar op een positieve wijze te communiceren. De raad heeft gepersisteerd bij het advies om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen.

6. Jeugdzorg heeft verklaard dat de kinderen worden belast door de onduidelijkheid over hun verblijfplaats en dat om die reden een spoedige beslissing nodig is. Volgens Jeugdzorg is de man beter in staat om de omgangsregeling goed te laten verlopen dan de vrouw, die een aanwijzing van Jeugdzorg nodig heeft gehad voor het nakomen van de omgangsregeling. De gezinsvoogd heeft tijdens de bezoeken bij de vrouw thuis gemerkt dat de kinderen niet altijd naar de vrouw luisteren, hetgeen door Jeugdzorg als belastende omstandigheid wordt beschouwd. Volgens Jeugdzorg moeten beide kinderen een klas doubleren en zijn zij er bij de vrouw onvoldoende goed aan toe.

7. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting oordeelt het hof als volgt. Ter beantwoording van de vraag bij wie van de ouders de kinderen hun hoofdverblijf dienen te hebben laat het hof zich niet leiden door het rapport van de raad, aangezien dit rapport in 2008 is opgemaakt en derhalve inmiddels gedateerd is. Het hof kan zich evenmin laten leiden door het rapport van de deskundigen, aangezien een aantal onderzoeksvragen van het hof onbeantwoord zijn gebleven. Zulks neemt echter niet weg dat het hof het in het belang van alle betrokkenen, in de eerste plaats de kinderen, acht dat er nu duidelijkheid komt over hun hoofdverblijfplaats. Het hof acht het niet nodig aanvullend onderzoek op te dragen. Door Jeugdzorg is verklaard dat de kinderen een klas zullen doubleren. Hiermee wordt naar het oordeel van het hof de verklaring van Jeugdzorg, dat de kinderen er bij de vrouw onvoldoende goed aan toe zijn, bevestigd, ondanks het feit dat de vrouw dat heeft betwist. Bovendien is er voor een goed verloop van de omgangsregeling een aanwijzing aan de vrouw nodig geweest van Jeugdzorg. Het hof ziet in de hardnekkige houding van de vrouw om de vervolging van de man terzake het door de vrouw gestelde misbruik van een van de kinderen alsnog in gang te doen zetten een indicatie dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar niet in alle opzichten aansluit bij de wijze waarop het gezamenlijk ouderschap dient te worden uitgeoefend.

8. De onder 7. beschreven omstandigheden in aanmerking nemende komt het hof tot de conclusie dat het de voorkeur verdient om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Het vorenstaande brengt tevens met zich dat het hof de bestreden beschikking met betrekking tot de kinderalimentatie zal bekrachtigen.

Voorts zal het hof de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen conform hetgeen de man en de vrouw bij ouderschapsplan van februari 2010 zijn overeengekomen.

9. Gelet op de door de deskundigen overgelegde declaraties, stelt het hof hierbij de vergoeding voor mevrouw mr. dr. B. Chin-A-Fat vast op € 2.737,- (inclusief BTW) en voor mevrouw drs. L.C.M. Franck-Schaekens op € 1.703,94 (inclusief BTW). Het hof stelt vast dat voornoemde bedragen inmiddels aan de deskundigen zijn voldaan.

10. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de datum met ingang waarvan de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn en bepaalt deze op 25 augustus 2010;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt in het kader van de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken de regeling vast die is omschreven in artikel 1 van het aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

stelt de kosten van het deskundigenbericht voor mevrouw mr. dr. B. Chin-A-Fat vast op € 2.737,- (inclusief BTW) en voor mevrouw drs. L.C.M. Franck-Schaekens op € 1.703,94 (inclusief BTW) en verstaat dat de griffier van dit hof die bedragen reeds aan de deskundigen heeft voldaan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Van Leuven en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.