Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5483

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
200.063.487-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing. Beoordeling van standaard werkwijze in eerste aanleg: horen door rechter-commissaris en afdoen in meervoudige samenstelling. T.a.v. de ontheffing: Aangezien de concreet door de ouders gestelde en door Jeugdzorg onderschreven te bereiken doelen in wat betreft het wonen bij pleegouders nog verre van gerealiseerd zijn, houdt het hof de behandeling, in het belang van de minderjarige, voor één jaar aan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 267
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/8 met annotatie van P. VlaardingerbroekVlaardingerbroekP
RFR 2010/128

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.063.487/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-6424

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. Hartmann te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn is opgeroepen:

de Stichting Bureau Haaglanden,

kantoor houdende te ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [De vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.A. Namaki,

2. de heer [naam pleegvader] en mevrouw [naam pleegmoeder],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 januari 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De raad heeft op 8 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van Jeugdzorg is bij het hof een brief van 7 juni 2010 ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 25 juni 2010, 28 juni 2010 en 30 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaak met het zaaknummer 200.063.469/01 (betreffende het afzonderlijk door de vader ingestelde beroep tegen de beschikking van 18 januari 2010). Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de raad de heer J. Ekkels, namens Jeugdzorg de heer F.H. Beumer, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn - uitvoerbaar bij voorraad - de vader en de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarige. Voorts is Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarige benoemd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van het gezag over de minderjarige:

[De minderjarige], geboren [in] 2004 te [woonplaats], verder: de minderjarige. De ouders oefenden tot de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit. De minderjarige verblijft in een pleeggezin.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad tot ontheffing van haar van het ouderlijk gezag over de minderjarige alsnog af te wijzen, en derhalve te bepalen dat de moeder niet zal worden ontheven uit het ouderlijk gezag over de minderjarige.

3. De raad bestrijdt haar beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De moeder heeft vijf grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en stelt daarin - kort weergegeven – dat de rechtbank haar ten onrechte van het ouderlijk gezag heeft ontheven. Zij betoogt onder meer dat de zaak ten onrechte door de meervoudige kamer is afgedaan, terwijl de mondelinge behandeling uitsluitend ten overstaan van een rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, dat niet aan de in artikel 1:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onder a genoemde eisen voor ontheffing is voldaan en dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat zowel de vader als zij ongeschikt of onmachtig is om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen als bedoeld in artikel 1:266 BW. Voorts voert de moeder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden en dat een ouderverstoting niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht, aangezien het in het belang van de minderjarige is dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn biologische ouders goed te leren maar ook te blijven kennen.

5. Onder verwijzing naar de raadsrapportage van 14 juli 2009 en onder handhaving van de daarin getrokken conclusies stelt de raad dat aan de juridische gronden voor een ontheffing is voldaan. Kort weergegeven stelt de raad dat het doel van de ondertoezichtstelling, te weten terugplaatsing bij de ouders, niet zal worden behaald, mede omdat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Zaken als de omstandigheid dat de ouders de zorgen en de problematiek niet onderkennen, onvoldoende inzicht verschaffen in hun functioneren en alleen op eigen voorwaarden meewerken aan hulpverlening, dragen er toe bij dat de hulpverleningsdoelen niet zijn behaald en perspectief ontbreekt. Bovendien is de minderjarige inmiddels gehecht in het pleeggezin waar hij sinds 30 mei 2005 verblijft, zodat wijziging van zijn verblijfplaats niet in zijn belang is. Omdat een reëel perspectief op terugplaatsing bij de ouders ontbreekt acht de raad een gedwongen ontheffing geïndiceerd teneinde de minderjarige duidelijkheid te geven omtrent zijn toekomstperspectief. De onzekerheid over zijn toekomstperspectief kan het hechtingsproces verstoren en vormt volgens de raad een niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht van de minderjarige op respect voor het inmiddels tussen hem en de pleegouders ontstane familie- en gezinsleven. De raad benadrukt dat door een ontheffing het ouderschap niet aan de ouders wordt ontnomen. Zij blijven een rol vervullen in het leven van de minderjarige. Ter terechtzitting heeft de raad verklaard dat het contact tussen de ouders en de minderjarige in stand moet blijven, mits in het belang van de minderjarige.

6. Jeugdzorg heeft ter terechtzitting verklaard zich aan te sluiten bij het verweer van de raad. Volgens Jeugdzorg doen de ouders er in het belang van de minderjarige verstandig aan hun houding te veranderen en de bezoeken weer op te starten. De lagere frequentie van het contact tussen de ouders en de minderjarige is volgens Jeugdzorg te wijten aan het feit dat de minderjarige steeds meer moeite heeft met de omschakeling tussen de ouders en de pleegouders.

Volgens Jeugdzorg staat de ontwikkeling van de minderjarige onder druk doordat bij zowel pleegzorg als Jeugdzorg de indruk bestaat dat de ouders hun frustratie over de uithuisplaatsing aan de minderjarige laten merken tijdens de bezoekregeling. Jeugdzorg had de hoop dat de ontheffing van beide ouders uit het gezag bij hen tot meer acceptatie van de uithuisplaatsing van de minderjarige zou leiden. Omdat er volgens Jeugdzorg voor de minderjarige duidelijkheid moet zijn over zijn toekomstperspectief meent ook Jeugdzorg dat de rechtbank juist heeft beslist.

7. Met haar eerste grief beklaagt de moeder zich erover dat de bestreden beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank zonder dat de behandeling ter terechtzitting door de enkelvoudige kamer is gevolgd door een nadere terechtzitting ten overstaan van de meervoudige kamer. De moeder bestrijdt dat de rechter zitting hield in zijn hoedanigheid van een uit het midden van de rechtbank aangewezen rechter-commissaris, nu de moeder daarover niets is meegedeeld en de rechter tijdens de zitting heeft verklaard dat de zaak te complex was om enkelvoudig af te doen en dat de beslissing zou moeten worden genomen door de meervoudige kamer. De moeder beklaagt zich er voorts over dat de gang van zaken ter terechtzitting eraan doet twijfelen of de overige leden van de meervoudige kamer zich wel voldoende op de beslissing hebben voorbereid, nu de zittende rechter enkel de voor hem relevante vragen heeft gesteld. Tenslotte klaagt de moeder erover dat haar als gevolg van de gang van zaken ter zitting de mogelijkheid is onthouden eventueel een wrakingsverzoek terzake de andere rechters in te dienen.

8. Het hof stelt vast dat uit de bij brief van 30 juni 2010 door de moeder als het proces-verbaal van de terechtzitting overgelegde zittingsaantekeningen niet blijkt dat de zittingsrechter zich in de door de moeder gestelde bewoordingen heeft uitgelaten, nog daargelaten dat niets in deze bewoordingen er dwingend op wijst dat daarmee de verwijzing als bedoeld in het tweede lid van art. 15 Rv werd beoogd. Daarentegen is het hof ambtshalve bekend met de in ontheffingszaken vaste en op het vierde lid van evengenoemd wetsartikel berustende werkwijze van de rechtbank ‘s-Gravenhage dat de zaak ter terechtzitting wordt geïnstrueerd door een rechter-commissaris ten behoeve van de beslissing door de meervoudige kamer. Er is derhalve geen aanleiding voor twijfel aan de in de bestreden beschikking vermelde hoedanigheid van de zittingsrechter. Voor de eisen die in de grief aan de voorbereiding van het onderzoek ter terechtzitting door de rechter-commissaris worden gesteld bestaat rechtens geen grond, hetgeen onverlet laat dat de rechter-commissaris in voorkomend geval tot dergelijk handelen wel kan overgaan. Zo blijft ook onverlet dat de leden van de meervoudige kamer bij wie alsnog vragen opkomen die niet door de rechter-commissaris zijn gesteld, het initiatief kunnen nemen tot een nadere behandeling ter zitting of andere wijze van informatievergaring. Uit het achterwege blijven daarvan moet naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de behandeling ter zitting voor alle leden van de meervoudige kamer toereikend is geweest. Ofschoon de moeder moet worden toegegeven dat het middel van wraking zijn functie enkel kan vervullen bij aan de beslissing voorafgaande bekendheid van de procespartij met de identiteit van de rechters die van de meervoudige kamer deel uitmaken, vloeit uit de omstandigheid dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn naar het oordeel van het hof voort dat de procespartij die gegronde reden heeft om rekening te houden met de mogelijkheid dat diens zaak (mede) zal worden beslist door een rechter aan wiens onpartijdigheid kan worden getwijfeld, zich vergewist van de identiteit van de oordelende rechter(s). Dat de moeder daarbij is gehinderd door de gang van zaken ter terechtzitting is, gegeven de vaste en als aan haar advocaat bekend te veronderstellen werkwijze van de rechtbank, gesteld noch gebleken. Gelet op het vorenstaande faalt de eerste grief van de moeder.

9. Ten aanzien van de ontheffing overweegt het hof als volgt. In beginsel kan een ontheffing van het gezag niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel leidt voor zover in deze zaak van belang uitzondering indien na een uithuisplaatsing gedurende meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel door ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van het kind weg te nemen. Voorts mag het belang van de minderjarige zich niet tegen een gedwongen ontheffing verzetten. Nu de moeder niet instemt met de ontheffing van het gezag, zal moeten worden beoordeeld of van een uitzondering als voormeld sprake is.

10. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er gronden zijn voor ontheffing van het gezag. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen de raad naar voren heeft gebracht. Het hof heeft vastgesteld dat de ouders, eenmaal geconfronteerd met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige, zelf een blokkade hebben opgeworpen tegen de vrijgave van de conclusies die uit een onafhankelijk onderzoek door Fora volgden ten aanzien van de opvoedkundige kwaliteiten van de ouders, althans van de moeder. De ouders hebben steeds vastgehouden aan de onderzoeksresultaten van door hen zelf ingeschakelde deskundigen, niettegenstaande de bezwaren die onder meer dit hof daartegen heeft ingebracht.

11. Ter zitting is het hof gebleken van enige openheid aan de zijde van de moeder voor begeleiding die Jeugdzorg thans voor ogen heeft. Bovendien heeft de moeder verklaard zich erbij neer te leggen dat de minderjarige niet meer thuis komt, zodat het toekomstperspectief van de minderjarige op dit moment helder is. Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat de ouders, althans de moeder, zich in beginsel niet langer zullen, althans zal verzetten tegen het feit dat de minderjarige niet bij de ouders woont.

Daarnaast heeft de moeder, daar naar gevraagd, haar doelstellingen voor de komende periode geformuleerd. Deze zijn:

- een goed contact met de pleegouders, in de zin dat het bestaan van de ouders wordt gezien en erkend;

- ondersteuning van de minderjarige door haar en de vader om zichzelf te kunnen zijn;

- een omgangsregeling met de minderjarige, die er uiteindelijk op neerkomt dat hij van vrijdag uit school tot zondag avond eenmaal in de twee weken bij zijn ouders is;

- een goede informatie- en consultatieregeling.

Jeugdzorg heeft deze doelen volledig onderschreven.

Het hof stelt vast dat deze doelen op dit moment nog verre van gerealiseerd zijn. Dit aspect in aanmerking nemende en gezien de houding ter zitting van met name de moeder acht het hof een ontheffing van het gezag van de moeder thans prematuur. De slechte verhouding tussen de ouders en Jeugdzorg heeft geleid tot een afname van concrete begeleiding van de ouders door Jeugdzorg hetgeen het hof niet in het belang van de minderjarige acht. Alvorens een definitieve beslissing te nemen draagt het hof Jeugdzorg en de ouders op hun relatie in de komende periode te herzien en de voorwaarden te scheppen tot verwezenlijking van de gestelde en benoemde doelstellingen.

Het hof zal de zaak aanhouden, hetgeen zonder de belangen van de minderjarige te schaden mogelijk is: de ontheffing is door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de gronden voor ontheffing acht het hof voorshands aanwezig.

12. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof, alvorens te beslissen, de behandeling van de zaak zal aanhouden tot zaterdag 27 augustus 2011 pro forma teneinde de ontwikkeling van de zaak af te wachten. De meest gerede partij dient het hof ruim vóór de genoemde datum te berichten.

13. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

houdt de behandeling aan tot de zitting van 27 augustus 2011 pro forma ter fine als vermeld in rechtsoverwegingen 11 en 12;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Van Leuven en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door Suderée als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.