Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5482

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
200.065.306-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Gevolgen van niet aanvaarden door moeder van bemoeienissen van Jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.065.306/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-87

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. V.C. Dekker te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [De biologische vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de biologische vader,

advocaat mr. C.M.H. Revis te ’s-Gravenhage,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 7 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 februari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 22 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

De biologische vader heeft op 22 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 10 mei 2010 de bijlagen bij het appelschrift en op 30 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens de raad: de heer J. Ekkels. Voorts zijn verschenen: de biologische vader, bijgestaan door zijn advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw T. van der Ploeg en de heer M. Ohlenschlager. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de nader te noemen minderjarige van

9 februari 2010 tot 9 februari 2011 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige:

[Naam minderjarige], geboren [in] 1999 te [woonplaats], verder: de minderjarige.

De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige, die bij de moeder verblijft.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige af te wijzen, althans de ondertoezichtstelling uit te spreken voor een periode welke het hof in goede justitie voorkomt.

3. De raad bestrijdt het beroep.

4. De biologische vader bestrijdt het beroep eveneens.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een ondertoezichtstelling van de minderjarige aanwezig zijn. Daartoe voert zij het volgende aan. Geruime tijd heeft er geen omgang tussen de biologische vader en de minderjarige of enig ander contact tussen de biologische vader en de moeder plaatsgevonden. Het is derhalve onjuist dat, zoals de raad stelt, de minderjarige nog steeds tijdens de haal- en brengmomenten in het kader van de omgangsregeling wordt geconfronteerd met verbaal huiselijk geweld tussen de moeder en de biologische vader. Hierbij merkt de moeder op dat enige spanning tussen een gescheiden vader en moeder van een minderjarig kind gebruikelijk is en niet geheel vermeden kan worden, temeer daar de biologische vader de moeder in het verleden mishandeld heeft en momenteel haar en de minderjarige stalkt. Voorts is de moeder reeds vijf à zes maanden gestopt met het drinken van alcohol, neemt zij medicatie in tegen alcoholzucht en is haar financiële situatie aanzienlijk beter dan voorheen. Daarnaast is de moeder van mening dat zij voldoende in staat is om als een verantwoordelijke ouder zorg te dragen voor de opvoeding van de minderjarige en aandacht te besteden aan haar emotionele ontwikkeling. Van de door de raad gestelde parentificatie bij de minderjarige is volgens haar dan ook geen sprake. Als laatste betwist de moeder de stelling van de raad dat zij ambivalent staat tegenover de hulpverlening voor de minderjarige. De moeder heeft altijd goed meegewerkt met de hulpverlening. Daarnaast heeft zij verschillende keren zelf het initiatief genomen om hulp te zoeken. Op grond van het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

6. De raad stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. Hoewel de minderjarige op dit moment geen omgang heeft met de biologische vader, is uit informatie van Jeugdzorg gebleken dat het verbale geweld tussen de moeder en de biologische vader voortduurt. De raad is van mening dat de belangen van de minderjarige hierdoor in het gedrang komen, hetgeen ernstig nadeel voor haar geestelijke ontwikkeling oplevert. Voorts is het feit dat de moeder sinds enkele maanden geen alcohol meer drinkt volgens de raad een ontwikkeling van recente datum, waar geen definitieve consequenties aan kunnen worden verbonden. Bovendien heeft de moeder haar stelling niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld rapportages van een (verslavings)arts. De raad acht het positief dat de moeder op eigen initiatief hulpverlening heeft ingezet. De raad acht hulpverlening in het gedwongen kader desondanks noodzakelijk om de minderjarige een langdurig stabiele en veilige opvoedingssituatie te kunnen bieden, gezien de ambivalente houding van de moeder. Gedurende de ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de ontwikkeling en opvoedingssituatie van de minderjarige. Daarnaast dient de gezinsvoogdes de continuïteit van de hulpverlening te waarborgen en te onderzoeken of en op welke wijze omgang met de vader moet plaatsvinden, aldus de raad.

7. De biologische vader stelt zich eveneens op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals deze heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. Anders dan de moeder stelt, wordt de minderjarige nog steeds geconfronteerd met huiselijk geweld, bestaande in schelden, schreeuwen en bedreigingen. Voorts heeft de biologische vader geconstateerd dat de moeder niet gestopt is met drinken, aangezien hij haar op 22 mei 2010 nog dronken heeft aangetroffen. De financiën van de moeder zijn ook nog niet op orde. Zo heeft zij te maken met betalingsachterstanden en diverse beslagen van schuldeisers. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van de raad dat er sprake is van ernstige parentificatie bij de minderjarige, hetgeen de biologische vader ook heeft geconstateerd tijdens de contacten met de minderjarige. Als laatste stelt de biologische vader dat de moeder zich wantrouwend opstelt jegens hulpverleners. Zij ziet niet in dat zij haar problemen niet zonder hulpverlening kan oplossen.

8. Namens Jeugdzorg is ter terechtzitting verklaard dat zij zich bij de stellingen van de raad aansluit. Jeugdzorg heeft nog geen duidelijk zicht gekregen op de thuissituatie en de ontwikkeling van de minderjarige. Voorts is desgevraagd ter zitting verklaard dat de omgang tussen de biologische vader en de minderjarige, ondanks pogingen daartoe, nog niet tot stand is gekomen. Jeugdzorg is dan ook van mening dat de ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk is in het belang van de minderjarige.

9. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van het beroep tegen een ondertoezichtstelling dient het hof, conform artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), te onderzoeken of de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat deze voorwaarden zijn vervuld, zodat de ondertoezichtstelling van de minderjarige thans nog steeds noodzakelijk is teneinde de bedreiging in haar ontwikkeling af te wenden. Daartoe overweegt het hof als volgt.

10. Vooropstaat dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting als onweersproken is komen vast te staan dat de biologische vader gedurende vijf jaar in gezinsverband heeft samengeleefd met de moeder in welke periode de minderjarige is geboren, en dat de biologische vader en de moeder uit elkaar zijn gegaan op het moment dat de minderjarige acht maanden oud was. Hieruit valt af te leiden dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de biologische vader en de minderjarige. Nu het hof vooralsnog niet is gebleken van enige grond om dit recht te ontzeggen, dient derhalve vooropgesteld te worden dat de minderjarige en de biologische vader op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW recht hebben op omgang met elkaar. Gelet hierop is het hof van oordeel dat, hoewel er thans geen omgang plaatsvindt, er uitgegaan dient te worden van haal- en brengmomenten in het kader van de omgangsregeling als onvermijdelijk gegeven. Nu uit de stukken is gebleken dat tijdens die momenten in het nabije verleden dikwijls sprake was van hetgeen in de stukken onbestreden wordt aangeduid met het begrip “verbaal huiselijk geweld” tussen de biologische vader en de moeder, is het hof van oordeel dat de minderjarige ernstig in haar sociaal- emotionele ontwikkeling werd en nog steeds wordt bedreigd. De spanningen tussen de biologische vader en de moeder hebben hun weerslag op het welzijn van de minderjarige. Zij zit klem tussen de biologische vader en de moeder en dreigt in een loyaliteitsconflict te geraken voor zover zij daarin niet al verkeert. Ofschoon de advocaat van de moeder er, gegeven haar bezwaren tegen de ondertoezichtstelling, begrip voor heeft gevraagd dat de moeder de bemoeienissen van de gezinsvoogdes niet aanvaardt, brengt die situatie wel teweeg dat de door de raad in zijn rapport van 31 december 2009 geïnventariseerde zorgen ook niet door de eigen vaststellingen van de gezinsvoogdes kunnen worden weerlegd. Dat de moeder inmiddels zelf het initiatief tot hulpverlening heeft genomen doet aan de noodzaak van de ondertoezichtstelling niet af, zij het dat het effect van deze hulpverlening er mogelijk, zulks in beginsel ter beoordeling van Jeugdzorg, toe kan leiden dat de gezinsvoogdes zich tezijnertijd meer op de achtergrond zal kunnen houden. Gelet op het voorgaande acht het hof gedwongen hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling in elk geval thans nog noodzakelijk teneinde de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige af te wenden. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

11. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Kamminga en Van der Burght, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.