Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5199

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
200.037.308.01 en 200.039.384.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarbij - inmiddels - erfgenamen zijn betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.037.308/01 en 200.039.384/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-2265 en F2 RK 08-327

[appellant],

wonende te [adres],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. V.Th.E. Kuijpers te [adres],

tegen

de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [belanghebbende] (hierna: de man),

1. [belanghebbende],

wonende te [adres]

2. [belanghebbende],

wonende te [adres],

3. [belanghebbende] en [belanghebbende],

beiden wonende te [adres],

verweerders in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerders,

advocaat mr. M. Bas te Spijkenisse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 23 juni 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 19 juni 2008, 26 september 2008 en 24 maart 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage en heeft bij dat beroep tevens schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 24 maart 2009 verzocht.

De verweerders hebben op 10 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 15 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 25 juni 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de verweerders, bijgestaan door hun advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, de raadsvrouwe van verweerders onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij beschikkingen van 19 juni 2008 en 26 september 2008 heeft de rechtbank onder meer de beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

Bij beschikking van 24 maart 2009 heeft de rechtbank de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt vastgesteld:

- aan de vrouw is toegedeeld de op de woning aan de [adres] te [adres] rustende hypothecaire geldleningen, onder gehoudenheid van de vrouw de man jegens de hypotheeknemers te vrijwaren voor alle aansprakelijkheid uit hoofde van deze leningen;

- de vrouw is veroordeeld uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man te betalen een bedrag van € 59.560,99.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan: De man is op 3 juli 2009 overleden.

De gezamenlijke erfgenamen – verweerders - hebben de nalatenschap van de man zuiver aanvaard, zodat zij diens rechtsopvolgers onder algemene titel zijn en van rechtswege zijn getreden in zijn rechten.

De echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De vrouw verzoekt:

primair

schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 24 maart 2009 en te bepalen dat deze beschikking wordt geschorst voor de duur van de procedure bij het hof, en

subsidiair te vernietigen de beschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2008, 26 september 2008 en 24 maart 2009, met betrekking tot de hoogte van het bedrag dat door de vrouw aan de man dient te worden betaald,

en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de hoogte van het bedrag dat door de vrouw aan de man dient te worden betaald het bedrag van € 38.719,- moet zijn, nu de overwaarde van de woning onder aftrek van de in waarde toegenomen schenkingen die door de vrouw zijn aangewend voor de aankoop van deze woning een bedrag van € 77.438,- is en dit bedrag gelijkelijk over partijen verdeeld dient te worden, kosten rechtens.

3. De verweerders bestrijden het beroep en verzoeken de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans voornoemd verzoek van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen, althans de bestreden beschikkingen te bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, althans zodanige beslissingen te nemen als het hof vermeent te behoren, kosten rechtens.

4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingetrokken, zodat deze grief geen bespreking meer behoeft.

5. De vrouw voert in haar beroepschrift aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de vrouw verkregen schenkingen van haar vader geen rol spelen in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals die tussen partijen gelden. Ter toelichting stelt zij dat de aankoop van de voormalige echtelijke woning mede is gefinancierd met de twee bedragen die zij van haar vader heeft gekregen op respectievelijk 9 mei 1989 en 23 mei 1989, samen omvattend het bedrag van Hfl. 32.819,- (€ 14.893,-). Als gevolg van het aanwenden door de vrouw van de schenkingen aan haar gedaan door haar vader voor de financiering van de aankoop van de voormalige echtelijke woning, is de waarde van de door de vrouw in de woning geïnvesteerde som geld evenredig meegestegen met de waardevermeerdering van de woning.

6. De vrouw heeft een berekening overgelegd van de huidige waarde van het door de vrouw in de woning geïnvesteerde geld, gebaseerd op de waardevermeerdering van de voormalige echtelijke woning. Volgens haar omvat het bedrag aan overwaarde dat dan tussen partijen had moeten worden verdeeld € 77.438,-. De helft hiervan komt aan de man toe, zijnde een bedrag van € 38.719,-. Dit had dan ook volgens de vrouw het bedrag moeten zijn dat de rechtbank had moeten opnemen in de bestreden beschikking, als bedrag dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man zou moeten betalen.

7. De verweerders betwisten dat door de vader van de vrouw een schenking zou zijn gedaan waarmee de woning zou zijn medegefinancierd. Indien hiervan wel sprake zou zijn, heeft de vrouw volgens de verweerders gesteld noch bewezen dat haar vader de schenking heeft uitgesloten van de gemeenschap ten aanzien van de waarde van de woning, althans de intentie heeft gehad de schenking buiten de gemeenschap te houden.

8. Het hof is van oordeel dat uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, alsmede gezien de stukken, genoegzaam is aangetoond dat de vrouw schenkingen heeft verkregen van haar vader, waarmee de aankoop van de voormalige echtelijke woning mede is gefinancierd.

9. Bij de vaststelling van de vermogensverrekening dient rekening te worden gehouden met de schenkingen die de vrouw van haar vader heeft gehad. Uitgegaan dient te worden van het nominale geldbedrag. Door de vrouw zijn geen rechtens relevante feiten gesteld op grond waarvan hiervan moet worden afgeweken. Met andere woorden er zijn geen gronden aangevoerd die rechtvaardigen om uit te gaan van de door de vrouw geformuleerde beleggingsleer.

10. De schenkingen bedragen Hfl 19.869,- en Hfl. 12.950,-, in totaal Hfl. 32.819,-, overeenkomend met € 14.893,-. Met dit bedrag dient rekening te worden gehouden bij de berekening van de wederzijdse aanspraken.

11. In goederenrechtelijke zin is de woning alleen eigendom van de vrouw. In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient de waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening tevens verminderd te worden met de schenkingen ter grootte van de nominale waarde.

12. . Uit het voorgaande volgt dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man dient te voldoen een bedrag van € 164.500,- minus € 45.378,02 en verminderd met € 14.893,-:= € 104.228,98 :2 = € 52.114,49.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man moet voldoen een bedrag van € 59.560,99

en in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de vrouw om uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [belanghebbende] te voldoen een bedrag van € 52.114,49.

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Labohm en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.