Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5165

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
200.059.838-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van moeder van het gezag over minderjarigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.059.838.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-2529

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Ben Ahmed te Schiedam,

tegen

De raad voor de kinderbescherming

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

werkeenheid van de Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg,

gevestigd te Almere,

hierna te noemen: het LJ&R.

3. De Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland,

gevestigd te Lelystad,

hierna ook te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 maart 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 december 2009 van de rechtbank te Rotterdam.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 9 en 15 april 2010 stukken ingekomen.

Van de zijde van het LJ&R zijn bij het hof op 5 juli 2010 stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad zijn bij het hof op 9 juli 2010 stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij faxbericht van 13 juli 2010 het raadsrapport van 25 september 2009 doen toekomen.

Op 14 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de raad: de heer F. Dekkers en namens het LJ&R: mevrouw I.M. Zijlstra. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarigen en is bepaald dat door het LJ&R de voogdij zal worden uitgevoerd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen [X], geboren [in 1999] te [woonplaats], [Y], geboren [in 2001] te [woonplaats], en [Z], geboren [in 2003] te [woonplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de raad af te wijzen.

3. De moeder stelt zich in de eerste grief op het standpunt dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen de ontheffing. In de tweede, derde en vierde grief voert de moeder, samengevat weergegeven, aan dat de rechtbank de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten onrechte is de duurzame bereidheid van de moeder om de minderjarigen in het pleeggezin te laten opgroeien niet bij de beoordeling betrokken. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de positieve ontwikkeling die de moeder doormaakt. De moeder stelt dat zij het gezag over de minderjarigen wil behouden, zodat zij betrokken blijft en een invulling kan blijven geven aan haar ouderrol.

4. Het hof overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 1:268, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel – door ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

6. De minderjarigen verblijven reeds geruime tijd in pleeggezinnen. Zij zijn medio 2004 op vrijwillige basis en op 2 september 2004, middels een daartoe afgegeven machtiging, uit huis geplaatst, omdat hun zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig werden bedreigd en door de moeder (en de vader) geen veilige en stabiele opvoedingssituatie werd geboden. De minderjarigen groeien in de gezinnen van de pleegouders voorspoedig op, worden goed verzorgd en zijn gehecht aan de pleegouders. Deze pleeggezinnen bieden de minderjarigen de basisveiligheid die zij nodig hebben. Het toekomstperspectief van de minderjarigen ligt in die pleeggezinnen. Hoewel de moeder heeft gesteld dat bij haar sprake is van een positieve ontwikkeling, nu onder meer haar financiële situatie en leefomstandigheden aanmerkelijk zijn verbeterd en zij heeft laten zien haar jongste dochter zelfstandig te kunnen opvoeden en verzorgen, brengt dit, anders dan de moeder betoogt, niet mee dat daarmee de grond vervalt voor de vrees dat door haar ongeschiktheid of onmacht om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen de uithuisplaatsing onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Serieus ondernomen pogingen om de minderjarigen stapsgewijs weer bij de moeder thuis te plaatsen zijn mislukt en het onderzoeksbureau Fora heeft eind 2007 geadviseerd geen van de drie kinderen bij de moeder te plaatsen. Het is in het belang van de minderjarigen dat zij zich in de pleeggezinnen, waar zij opgroeien, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Om hieraan te voldoen, dient er duidelijkheid omtrent het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarigen te bestaan.

7. In een geval als het onderhavige blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Gebleken is dat de jaarlijkse verlengingen van de huidige maatregelen voor alle partijen spanningen meebrengen die hun weerslag hebben op de stabiliteit in de situatie van de minderjarigen. Door de houding van de moeder, die de uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de pleeggezinnen niet daadwerkelijk lijkt te ondersteunen, ontstaat er onrust en onduidelijkheid bij de minderjarigen en bij de pleeggezinnen. Deze houding van de moeder maakt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de bedreiging, wegens welke de minderjarigen onder toezicht staan, af te wenden. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijft de onzekerheid over het opvoedingsperspectief van de minderjarigen voortduren, hetgeen voor alle partijen spanningen meebrengt die hun weerslag hebben op de stabiliteit in de situatie van de minderjarigen. Zo is onder meer gebleken dat de minderjarige [X], die gelet op haar leeftijd vanuit het verleden het meest te lijden heeft gehad onder de thuissituatie, met loyaliteitsproblematiek kampt, hetgeen een bedreiging van haar ontwikkeling inhoudt.

8. In de gegeven omstandigheden dient aan het belang van de minderjarigen bij continuering van de huidige opvoedingssituatie een zwaarder wegende betekenis te worden toegekend dan aan het recht van de moeder op hereniging met de minderjarigen. Ontheffing is in het belang van de minderjarigen, omdat ontheffing de minderjarigen rust en duidelijkheid geeft over hun toekomstbeeld. Dit zal hun ontwikkeling in de pleeggezinnen ten goede komen en daarmee hun gevoel van basisveiligheid.

9. Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de wettelijke gronden voor de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarigen aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd.

10. De raad heeft er ter zitting op gewezen dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door het LJ&R. Het hof is van oordeel dat, evenals de raad betoogt, de rechtbank, conform het bepaalde in artikel 1:302, eerste lid, BW, de voogdij had moeten opdragen aan een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, welke stichting de voogdijtaak kan laten uitvoeren door een zorgaanbieder, als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Wet op de jeugdzorg. Het hof zal dan ook, mede gezien de door de raad overgelegde bereidverklaring van Jeugdzorg de voogdij op zich te nemen, als zodanig beslissen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen. Zijdens de overige belanghebbenden is hiertegen geen bezwaar gemaakt.

11. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering en, in zoverre opnieuw beschikkende:

draagt de voogdij over de minderjarigen op aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland, gevestigd te Lelystad;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Amsterdam en Zwolle-Lelystad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oor¬deel onderworpen voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Punselie, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.