Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5163

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
200.055.879-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. In geschil: wettelijke indexering (rechtsverwerking?), wijziging van omstandigheden, behoefte van de kinderen (2 jongmeerderjarigen en 1 minderjarige), draagkracht van de vader en de terugbetalingsverplichting. Vernietiging van de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.055.879/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK-6513

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.A. de Kazzaz-de Jong te ’s-Gravenhage,

en

[jongmeerderjarige 1]

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige 1],

advocaat mr. E.A. de Kazzaz-de Jong te ’s-Gravenhage,

en

[jongmeerderjarige 2]

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige 2].

advocaat mr. E.A. de Kazzaz-de Jong te ’s-Gravenhage,

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 januari 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 november 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder, [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] hebben op 18 maart 2010 een verweerschrift ingediend. De moeder heeft tevens incidenteel appel ingesteld.

De vader heeft op 22 april 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder, [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] zijn bij het hof op 25 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 25 juni 2010 en 30 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 9 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vader en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De advocaat van de vader heeft ter terechtzitting, met goedvinden van de wederpartij, de definitief vastgestelde versie van “jaarrekening en accountantsrapport [van de onderneming van de vader] over 2009”overgelegd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de vader is bij het hof op 15 juli 2010 de aangifte Inkomstenbelasting 2008 en de jaaropgave 2009 ingekomen;

- van de zijde van de moeder is bij het hof op 30 juli 2010 een brief ingekomen en van de zijde van de vader een brief op 4 augustus 2010.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van 14 november 1986 tot 30 maart 1995.

Uit dit huwelijk zijn geboren:

[de meerderjarige], geboren [in] 1987 te [geboorteplaats];

[jongmeerderjarige 1], geboren [in] 1990 te [geboorteplaats], verder: [jongmeerderjarige 1];

[minderjarige 2], geboren [in] 1991 te [geboorteplaats], verder: [jongmeerderjarige 2].

Bij beschikking van 11 oktober 1995 van de rechtbank ’s-Gravenhage is onder meer de door de vader te betalen kinderalimentatie voor de (drie) kinderen vastgesteld op fl. 1.114,- per maand.

Na de beëindiging van voornoemd huwelijk is uit de moeder geboren:

[de minderjarige], geboren [in] 1996 te [geboorteplaats], verder: [de minderjarige].

[de minderjarige] is door de vader erkend.

Na de geboorte van [de minderjarige] is de kinderbijdrage van € 521,85 (fl.1.150,-) niet gewijzigd. Tot dusver is op de kinderbijdrage geen wettelijke indexering ex artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek toegepast.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging van de beschikking van 11 oktober 1995 van de rechtbank ’s-Gravenhage – beslist:

• wijst af het verzoek van de vader om voor recht te verklaren dat de wettelijke indexering over de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, uit het huwelijk van partijen geboren, is uitgesloten, althans voor het verleden;

• verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 130,- per maand per kind wordt bepaald, voor zover dit is gebaseerd op zijn afgenomen draagkracht;

• wijst af de overige verzoeken van de vader;

• bepaalt de door de vader met ingang van 3 november 2009 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1] op € 300,- per maand, vanaf 1 december 2009 telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

• bepaalt de door de vader met ingang van 3 november 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] op € 198,- per maand per kind, vanaf 1 december 2009 telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen.

De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

• het verzoek tot verklaring voor recht dat partijen zijn overeengekomen de wettelijke indexering over de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen uit te sluiten;

• het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1];

• het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2], welke bijdrage ten aanzien van [jongmeerderjarige 2] met ingang van [zijn 18e verjaardag in 2009] heeft te gelden als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie,

• het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige];

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende,

voor recht te verklaren dat partijen zijn overeengekomen de wettelijke indexering over de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen uit te sluiten;

en de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen op € 130,- per maand en per kind met ingang van 15 augustus 2008;

en de kosten van studie en levensonderhoud van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] met ingang van 15 augustus 2008 op € 130,- per maand en per kind te bepalen.

3. De moeder, [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] bestrijden het beroep. In incidenteel appel verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader naast de opgelegde kinderalimentaties ook als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de moeder zal dienen te betalen het bedrag van € 225,38 per maand vanaf [de 18e verjaardag van de meerderjarige in 2005], met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure in beide instanties.

4. De vader bestrijdt het incidenteel appel van de moeder, met veroordeling van de moeder in de kosten daarvan.

Wettelijke indexering

5. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen de wettelijke indexering hebben uitgesloten.

6. Partijen hebben in 1995 overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. Vanaf 1 januari 1996 tot in 2001 heeft hij dit bedrag betaald. Aangezien dit bedrag sinds 1996 niet is geïndexeerd is de vader van mening dat partijen daarover geen verschil van mening hadden en dat uit het niet opnemen van die overeenkomst van enige regeling over de indexering blijkt dat partijen dat bedrag ook niet wilden wijzigen.

7. Uit de e-mail van 22 maart 2001 blijkt dat hij de indexering in de voorgaande jaren niet heeft betaald. De vader stelt zich op het standpunt dat niet sprake is van een eenzijdige handeling maar van een overeenkomst tussen partijen die door de moeder expliciet is erkend, zodat de wettelijke indexering over die jaren niet dient te worden toegepast.

8. Voorts is er naast het enkel tijdsverloop sprake van een bijzondere omstandigheid, aangezien de moeder op verschillende momenten heeft erkend dat geen wettelijke indexering is betaald en zij daar vervolgens geen aanspraak op heeft gemaakt.

9. De moeder betwist gemotiveerd de stellingen van de vader.

10. Het hof is van oordeel dat de vader niet heeft aangetoond dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de wettelijke indexering op de onderhoudsverplichtingen is uitgesloten. Uit de e-mail van 22 maart 2001 kan slechts worden afgeleid dat tot op dat moment feitelijk geen wettelijke indexering is betaald. Het enkele feit dat de indexering niet is betaald vormt geen bewijs dat partijen met elkaar een overeenkomst hebben gesloten terzake het uitsluiten van de wettelijke indexering. Dit geldt te meer, nu de moeder in haar brief van 1 februari 2004 expliciet betwist dat de alimentatie in onderling overleg ongewijzigd is gebleven.

11. Voor zover de vader stelt dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van de moeder ten aanzien van de wettelijke indexering overweegt het hof als volgt.

12. Uitgangspunt is dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking; daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser aanspraak alsnog geldend zou maken.

13. Het hof is van oordeel dat op basis van de door de vader gestelde feiten en omstandigheden geen sprake is van rechtsverwerking. De enkele stelling van de vader dat de moeder meermalen heeft erkend dat geen wettelijke indexering is betaald en zij daarop vervolgens geen aanspraak heeft gemaakt, is geen grond voor het aannemen van rechtsverwerking. Ook het enkele tijdsverloop is geen bijzondere omstandigheid die rechtsverwerking rechtvaardigt.

14. Het hof zal het verzoek van de vader om voor recht te verklaren dat de wettelijke indexering over de door hem te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is uitgesloten, afwijzen.

Wijziging van omstandigheden

15. De vader, en daaropvolgende de moeder, heeft in eerste aanleg een verzoek gedaan tot wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud op grond van een wijziging van omstandigheden.

16. Gelet op de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de moeder gestelde gewijzigde draagkracht van de vader een wijziging van omstandigheden oplevert en haar in haar verzoek ontvangen. Nu daartegen door geen van partijen een grief is gericht, zal het hof de in eerste aanleg gestelde wijziging van omstandigheden als vaststaand aannemen en beoordelen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beschikking van 11 oktober 1995 van de rechtbank ’s-Gravenhage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

17. Het hof zal eerst ingaan op het meest verstrekkende verzoek in de onderhavige zaak, te weten het incidenteel appel van de moeder.

Ingangsdatum

18. De moeder verzoekt in incidenteel appel de kinderbijdrage van [de minderjarige] vast te stellen op € 225,38 per maand met terugwerkende kracht tot [de 18e verjaardag van de meerderjarige in 2005].

19. Zij stelt daartoe dat de rechtbank heeft overwogen dat de kinderbijdrage van [de minderjarige] met ingang van [de 18e verjaardag van de meerderjarige in 2005] € 225,38 per maand bedraagt, doch heeft nagelaten dit in het dictum op te nemen.

20. Zij heeft recht op en belang bij een voor executie vatbare titel, bestaande uit een dictum waarin ook de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige] over de periode van [de 18e verjaardag van de meerderjarige in 2005] tot 1 december 2009 is vastgelegd.

21. De vader stelt dat de grief van de moeder niet kan slagen, omdat deze op een verkeerde lezing van de beschikking berust.

22. In principaal appel klaagt hij dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de herziene alimentaties heeft bepaald op de datum van de beschikking.

23. Het hof overweegt als volgt. Uit het incidenteel appel van de moeder volgt dat zij voor wat betreft de kinderalimentatie van [de minderjarige] verzoekt deze vast te stellen met terugwerkende kracht tot [de 18e verjaardag van de meerderjarige in 2005].

24. De moeder heeft voor het eerst op 30 januari 2009 voor [de minderjarige] kinderalimentatie gevorderd. Het hof acht het onder de gegeven omstandigheden in strijd met de rechtszekerheid dat de vader achteraf nog geconfronteerd wordt met een aanzienlijke navordering met betrekking tot de kinderalimentatie van [de minderjarige]. Het verzoek van de moeder brengt mede dat de vader met een nabetaling aan kinderalimentatie wordt geconfronteerd van € 19.800,-. Het hof acht het niet redelijk en billijk om de vader achteraf te confronteren met een dergelijk nabetaling. Het had op de weg van de moeder gelegen om tijdig bij de rechtbank een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie in te dienen. Nu zij dit niet heeft gedaan komt dit voor haar rekening en risico. In dit specifieke geval is het hof met de rechtbank van oordeel dat voor de ingangsdatum uitgegaan dient te worden van de datum beschikking in eerste aanleg.

25. Het hof gaat om deze reden ook ten aanzien van de wijzigingsverzoeken van de alimentatie van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] uit van deze ingangsdatum.

Behoefte [de minderjarige]

26. De vader betwist de door de rechtbank vastgestelde behoefte.

27. Een goede procesorde brengt mede dat de vader zijn grief alsmede de toelichting op zijn grief zodanig dient te formuleren dat het voor de wederpartij alsmede voor de rechter duidelijk is waartegen hij bezwaren heeft. Wat de man exact bedoelt met zijn toelichting is het hof niet duidelijk hetgeen voor rekening en risico komt van de vader.

28. Het hof begrijpt uit de toelichting van de vader dat hij stelt dat de wettelijke indexering niet moet worden toegepast op de behoefte, omdat dit een behoeftestijging impliceert.

29. Het hof overweegt als volgt. Terzake de wettelijke indexering verwijst het hof naar hetgeen het hiervoor heeft overwogen. Door de wettelijke indexering wordt de behoefte niet verhoogd de koopkracht blijft namelijk hetzelfde.

30. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [de minderjarige] van € 245,82 per maand per 1 januari 2009 en van € 251,47 per 1 januari 2010.

Behoefte [jongmeerderjarige 2] en [jongmeerderjarige 1]

31. De vader stelt dat de rechtbank bij de berekening van de behoefte van [jongmeerderjarige 1] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het inkomen dat zij heeft uit haar bijbaantjes. De vader is van mening dat deze inkomsten op de behoefte in mindering moeten worden gebracht

32. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de behoefte van [jongmeerderjarige 1] aan een uitkering in de kosten van studie en levensonderhoud op juiste wijze heeft berekend. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat, voor zover al aangenomen wordt dat [jongmeerderjarige 1] inkomsten uit een bijbaantje heeft, deze inkomsten haar behoefte aan een bijdrage niet op relevante wijze beïnvloeden. Het hof houdt derhalve geen rekening met de door de vader gestelde inkomsten uit arbeid en gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [jongmeerderjarige 1] van € 463,18 netto per maand. Ten aanzien van de eveneens jongmeerderjarige [jongmeerderjarige 2] geldt hetzelfde.

Draagkracht vader

33. De vader stelt dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte rekening houdt met een dividenduitkering van € 63.750,-. Dit bedrag aan dividend is in 2007 aan hem uitgekeerd. Het betreft slechts een incidentele bate.

34. Bovendien heeft hij het bedrag niet voor consumptieve doeleinden opgenomen, maar voor de renovatie van zijn woon/werkpand en om de opgelopen rekening-courantschuld in zijn vennootschap enigszins terug te dringen.

35. De rechtbank is dan ook ten onrechte uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 7.114,- per maand, terwijl zijn inkomen nog geen € 3.000,- netto per maand bedraagt. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat de omzet van het bedrijf van de vader is teruggelopen, terwijl de winst ongeveer hetzelfde is. Wordt vervolgens rekening gehouden met de door de rechtbank in aanmerking genomen lasten is duidelijk dat de draagkracht van de vader veel lager is dan door de rechtbank aangenomen.

36. Voorts heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de onderhoudsplicht die de vader heeft ten aanzien van zijn drie stiefkinderen en is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat zijn huidige echtgenote in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

37. De moeder betwist gemotiveerd de stellingen van de vader. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de vader zijn stelling ten aanzien van het dividend onvoldoende onderbouwd heeft. De stelling dat hij dit bedrag heeft opgenomen in verband met een renovatie van zijn woon/werkpand doet niets af aan het feit dat hij het bedrag blijkbaar kon opnemen en aanwenden ter verbetering van zijn onroerend goed, hetgeen een verrijking betekent. Voorts heeft de rechtbank terecht geen rekening gehouden met de onderhoudsplicht van de vader jegens zijn drie stiefkinderen, aangezien hun ouders primair onderhoudsplichtig zijn en niet is aangetoond dat zij niet in staat zijn hen te onderhouden. Voorts heeft de vader nagelaten zijn stelling, dat zijn echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, te onderbouwen. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de rechtbank de draagkracht van de vader op juiste wijze heeft berekend.

38. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de vader uit van de door hem overgelegde draagkrachtberekening van 27 augustus 2009, overgelegd als bijlage 15 van productie 4 bij het appelschrift.

Inkomen

39. Het hof overweegt als volgt. De vader is directeur en enig werknemer van [de onderneming], een reclamebureau dat zich richt op de autobranche. Het hof zal ter bepaling van zijn inkomen uitgaan van een fiscaal loon van € 50.000,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de jaaropgave 2009. Anders dan de rechtbank houdt het hof hierbij geen rekening met het dividend dat de vader in 2007 heeft opgenomen. Het betreft in casu een eenmalige uitkering die is aangewend voor een specifiek doel – de verbetering van het woon/werkpand van de vader – en niet voor de dagelijkse kosten van levensonderhoud. Het dividend heeft derhalve geen invloed gehad op zijn inkomen.

40. De vader heeft jaarrekeningen 2007, 2008 en 2009 overgelegd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zijn advocaat de definitieve jaarrekening 2009 overgelegd. Het hof ziet geen aanleiding een correctie toe te passen op deze jaarcijfers, zodat het hof uitgaat van de definitieve jaarrekening van 2009. Uit de jaarstukken blijkt dat de vennootschap het laatste jaar mede als gevolg van de financiële crisis te kampen heeft met een daling van de omzet. Het resultaat na belastingen over 2009 bedraagt € 5.794,- tegenover € 46.608 over 2008, terwijl het resultaat in 2007 € 44.721,- bedroeg. In 2009 is sprake geweest van een daling van de netto-omzet van 26,5%.

41.Voorts is het hof gebleken dat bij de vader sinds medio 2009 sprake is van een depressie waardoor hij niet in staat is geweest volledig aan het arbeidsproces deel te nemen. Ter terechtzitting is gebleken dat de klachten van de vader zijn verergerd en dat niet te verwachten is dat hierin op korte termijn verbetering zal komen. Gelet op de arbeidsongeschiktheid van de vader, de hierdoor afgenomen opdrachten en de sombere vooruitzichten in de autobranche, acht het hof de door de vader gestelde prognose over 2010 aannemelijk. Het hof gaat ervan uit dat de omzetdaling zeker in 2010 nog zal voortduren.

42. In reactie op de na de zitting ingediende aangifte Inkomstenbelasting 2008 van de vader stelt de moeder dat er geen noodzaak is voor de rekening-courantschuld. Het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw dat de man in staat is om uit privémiddelen de rekening-courantschuld aan de vennootschap af te lossen. Hieruit volgt, zo stelt zij, dat het bedrijf financieel veel sterker kan zijn als hij zijn privégelden terugstort in het bedrijf en zijn lening uit het bedrijf terughaalt.

43. Het hof overweegt als volgt. Uit de jaarrekening 2009 volgt dat de vader eind 2009 een rekening-courantschuld aan de vennootschap heeft van € 229.370,-. De rekening-courantschuld heeft betrekking op de onder meer de financiering van de eigen woning, tevens het onroerend goed waarin het bedrijf van de vader is gevestigd. Vaststaat dat voor deze lening geen financiële zekerheid is verleend. De stelling van de moeder dat het resultaat van de onderneming verbetert indien de man zijn rekening-courantschuld inlost wordt door het hof niet gedeeld. Relevant is wat de onderneming aan uitkeerbare winst kan genereren met haar ondernemingsactiviteiten. Het incasseren van een vordering heeft geen effect op de winstgevendheid van de onderneming. Uit de financiële gegevens volgt dat de onderneming in zwaar weer verkeert.

44. Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de onderneming onvoldoende resultaat genereert om extra bedragen als dividend of ten laste van de rekening-courant aan de onderneming te onttrekken teneinde zijn inkomen te verhogen. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de vader enkel voormeld salaris uit de onderneming ontvangt.

Toepasselijke bijstandsnorm

45. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vader onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn huidige echtgenote vanwege arbeidsongeschiktheid niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

46. Nu de vader tevens onderhoudsplichtig is jegens zijn drie stiefkinderen, gaat het hof uit van een bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.

Lasten

47. De vader voert ten aanzien van de woonlasten een rente op hypothecaire geldlening op van € 847,- per maand en een eigen woningforfait van € 2.315,- per jaar, ervan uitgaande dat zijn echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

48. Het hof houdt rekening met de helft van de door de vader opgevoerde woonlasten, nu niet gebleken is dat zijn huidige echtgenote niet kan voorzien in haar eigenlevensonderhoud.

49. Het hof gaat voorts uit van de door de rechtbank becijferde en door partijen niet betwiste lasten, te weten: premie zorgverzekering, eigen risico zorgverzekering, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de kosten zorgregeling en de toepasselijke heffingskortingen.

Conclusie

50. Uitgaande van de vaststaande feiten, het hiervoor vastgestelde inkomen en de hiervoor weergegeven lasten becijfert het hof de beschikbare draagkrachtruimte van de man ten behoeve van zijn vijf thans nog onderhoudsgerechtigde (stief)kinderen op € 712,- per maand.

51. Het hof is daarbij uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 60% voor een alleenstaande ouder. Gelet op het bepaalde in artikel 1:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek zal de beschikbare draagkracht gelijk worden verdeeld over de vijf (stief)kinderen van de man.

Draagkracht moeder

52. De vader klaagt dat de rechtbank de draagkracht verkeerd heeft berekend. Hij stelt daartoe dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de rente van de door haar opgevoerde schulden, terwijl voorbijgegaan is aan het bedrag dat zij in 2002 heeft ontvangen. Voorts is ten onrechte geen rekening gehouden met een bedrag ter zake van de premie zorgverzekering voor [jongmeerderjarige 1].

53. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden rekening heeft gehouden met de rente op de schulden aan de zijde van de moeder, aangezien de vader het bestaan van de schulden niet betwist. Voor zover hij stelt dat de lening onnodig is aangegaan aangezien de moeder een aanzienlijk geldbedrag heeft ontvangen, heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof houdt derhalve rekening met een rente op de schulden van € 53,62 per maand.

54. Voor het overige is het hof van oordeel dat de vader niet heeft voldaan aan zijn stelplicht bij de betwisting van de draagkracht van de moeder, nu hij zijn stelling niet nader heeft onderbouwd. Het had op zijn weg gelegen om concreet te onderbouwen op welke punten de rechtbank in zijn visie verkeerd heeft overwogen. Hoewel ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hiernaar concreet is gevraagd, is hierop geen nadere toelichting gegeven.

55. Het hof gaat aan de zijde van de moeder uit van het inkomen en de lasten zoals door de rechtbank vastgesteld. In afwijking van de rechtbank gaat het hof evenwel uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder en een draagkrachtpercentage van 60%, aangezien geen sprake is van een draagkrachtvergelijking. Het hof becijfert de beschikbare draagkracht van de moeder op € 652,- per maand.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen

56. Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan het eigen aandeel in de kosten van de kinderen, hoeft voor het bepalen van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen geen draagkrachtvergelijking te worden gemaakt en zal de bijdrage van de vader worden beperkt tot zijn draagkracht.

57. Het hof acht het redelijk de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vast te stellen op € 142,- per maand en de uitkering tot levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] op € 142,- per maand per kind.

Terugbetalingsverplichting

58. Het hof stelt voorop dat de vader de vastgestelde bijdragen tot op heden volledig heeft voldaan. Nu de alimentatie op een lager bedrag wordt vastgesteld, zijn de moeder, [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] gehouden de door hen teveel ontvangen alimentatie aan de vader terug te betalen. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat zij een groot gedeelte van de ontvangen alimentatie heeft aangewend ter verbetering van haar woning, de opleiding van de kinderen en de aflossing van schulden. Het hof is van oordeel dat een terugbetalingsverplichting onder deze omstandigheden grote financiële gevolgen heeft. Om die reden kan van haar in redelijkheid niet worden verlangd dat zij gehouden is tot terugbetaling van hetgeen de vader teveel aan alimentatie heeft betaald. Gelet op het consumptief karakter van de alimentatie zal het hof ook ten aanzien van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] bepalen dat zij de teveel ontvangen alimentatie niet behoeven terug te betalen.

Kostenveroordeling

59. Het hof ziet geen reden voor een kostenveroordeling en zal het daartoe strekkende verzoek van de vader afwijzen.

60. Het hof komt niet toe aan de overige stellingen van partijen, nu deze niet leiden tot een andersluidend oordeel.

61. Het vorenstaande leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en [de minderjarige]ding van [de minderjarige], geboren [in] 1996 te [geboorteplaats], met ingang van 1 december 2009 op € 142,- per maand;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank van

11 oktober 1995 van de rechtbank ’s-Gravenhage – de door de vader aan [jongmeerderjarige 1], geboren [in] 1990 te [geboorteplaats], en [jongmeerderjarige 2], geboren [in] 1991 te [geboorteplaats], te betalen uitkering tot levensonderhoud en studie met ingang van 1 december 2009 op € 142,- per maand per kind;

bepaalt dat de moeder, [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] niet zijn gehouden terug te betalen hetgeen ter uitvoering van de vernietigde beschikking teveel is betaald of verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Husson en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.