Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5118

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
200.051.479-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Behoefte, draagkracht, vergelijking draagkrachtruimten en ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 augustus 2010

Zaaknummer : 200.051.479/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-1027

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.M. Menheere te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 december 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking 22 september 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking)

De vader heeft op 25 januari 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft geen verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 31 december 2009 en 23 april 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 16 april 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader met ingang van 1 maart 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige bepaald op € 137,-- per maand, vanaf 22 september 2009 telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2000 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige. De minderjarige is geboren uit de moeder, de vader heeft de minderjarige erkend. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige, die bij de moeder verblijft. Daarnaast is in geschil de ingangsdatum van de kinderalimentatie.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader met ingang van 1 juli 2008 als kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige zal betalen € 453,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans zodanige beslissingen te nemen welke het hof zal vermenen te behoren.

3. De vader bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt het hof de moeder in haar beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroepschrift af te wijzen, althans een zodanige kinderalimentatie vast te stellen als het hof juist acht. Daarnaast verzoekt de vader het hof, in incidenteel appel (naar het hof begrijpt: de bestreden beschikking te vernietigen) en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader met ingang van 1 maart 2009 althans met ingang van 8 december 2009 een bedrag van € 118,-- per maand als kinderalimentatie zal dienen te betalen.

4. De moeder heeft zich ter terechtzitting daartegen verzet.

5. Het hof ziet aanleiding om het principaal en incidenteel appel gezamenlijk te behandelen.

Behoefte van de minderjarige

6. De moeder betwist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de behoefte van de minderjarige. In zoverre de moeder in eerste aanleg heeft gesteld dat van een behoefte van € 372,-- per maand kan worden uitgegaan, is dit onjuist en strekt dit hoger beroep derhalve mede tot herstel van hetgeen in eerste aanleg door de moeder is gesteld. De moeder stelt dat de behoefte van de minderjarige een bedrag van € 645,-- beloopt. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd weersproken.

7. Het hof verenigt zich met betrekking tot de behoefte van de minderjarige met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof overweegt hierbij dat bij de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige het hof de uitgangspunten hanteert zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van het NIBUD. Hierbij dient als uitgangspunt te gelden het gezamenlijk netto inkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2003. Weliswaar heeft de vader thans een hoger inkomen dan destijds, doch nu dit inkomen niet het - onbetwiste - voormalige gezamenlijke gezinsinkomen van € 4.239,-- overstijgt, staat de tussen partijen in eerste aanleg overeengekomen behoefte van de minderjarige van € 372,-- per maand vast.

Aandeel van de moeder en de vader in de kosten van de minderjarige

8. Het hof zal met inachtneming van de stukken en hetgeen partijen ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, ter beantwoording van de vraag wie welk deel in de kosten van de minderjarige moet dragen, de draagkracht van de moeder en de vader vergelijken. Het hof zal bij deze berekening de betrokken minderjarige in zoverre buiten beschouwing laten dat de moeder evenals de vader als alleenstaande zal worden beschouwd.

Draagkracht moeder

Waterpolokosten

9. Ten aanzien van de berekening van haar draagkracht stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de waterpolokosten buiten beschouwing heeft gelaten. De moeder stelt dat weliswaar van topsport geen sprake is, maar dat, gelet op de welstand van partijen en het feit dat de minderjarige graag op voormelde sport zit, het volstrekt onredelijk en onbillijk is om deze kosten niet te laten meewegen.

10. De vader stelt dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de moeder terecht geen rekening heeft gehouden met de kosten van waterpolo nu deze kosten niet structureel behoefte verhogend zijn.

11. Ten aanzien van de draagkracht van de moeder overweegt het hof als volgt. Nog los van het feit dat het hof ter terechtzitting heeft vastgesteld dat de minderjarige thans op tennis zit, zal het hof, evenals de rechtbank, geen rekening houden met de door de moeder opgevoerde kosten voor sport nu deze kosten in de NIBUD-norm van de kosten van de minderjarige zijn begrepen en, naar het oordeel van het hof, geen sprake is van bijzondere kosten zoals kosten voor topsport. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de draagkracht van de moeder vastgesteld op € 483,-- per maand. Door partijen is hiertegen - met uitzondering van voormelde sportkosten - niet gegriefd, zodat ook het hof van voornoemde draagkracht van de moeder zal uitgaan.

Draagkracht vader

Overblijfkosten

12. De moeder stelt, door de vader gemotiveerd bestreden, dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vader ten onrechte de overblijfkosten van de minderjarige in aanmerking heeft genomen nu geen sprake is van een structurele betaling hiervan door de vader.

13. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de door de vader opgevoerde overblijfkosten van de minderjarige van € 18,-- per maand nu voldoende vaststaat dat de vader de gestelde kosten op structurele basis betaald.

Verwervingskosten

14. Nu door de vader in zijn incidenteel appel is gesteld dat hij gemiddeld acht keer per maand weekend- of nachtdienst heeft, waarbij hij noodzakelijkerwijs van de auto gebruik moet maken om op zijn werkplek te geraken en dit door de moeder ter terechtzitting is erkend, zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de vader - in afwijking van de rechtbank - rekening houden met de door de vader gestelde verwervingskosten van € 30,-- per maand.

Aflossing lening

15. Ter terechtzitting heeft de vader aangevoerd dat hij iedere maand € 100,-- aflost op een lening bij zijn ouders en schoonouders afgesloten voor de aanschaf van een vervangende auto. De moeder heeft het bestaan van voormelde schuld niet bestreden, doch slechts de noodzakelijkheid deze niet-huwelijkse schuld betwist.

16. Ten aanzien van voormelde schuld overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat bij de vaststelling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden, ongeacht of dit huwelijkse schulden betreft of niet, van invloed zijn voor zover deze redelijk zijn. De moeder heeft geen, althans onvoldoende, omstandigheden aangevoerd die het buiten beschouwing laten van de aflossing op voormelde schuld zou rechtvaardigen. Bij de berekening van de draagkracht van de vader zal het hof daarom rekening houden met de aflossing op voormelde schuld voor een bedrag van € 100,-- per maand.

17. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande en voor het overige uitgaande van de - onbetwiste - posten waarvan de rechtbank is uitgegaan de draagkracht van de vader opnieuw berekend, waarbij het hof is uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70 en de bijstandsnorm van een alleenstaande.

18. Het hof zal de draagkracht van de vader gelijkelijk verdelen over de drie kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is.

19. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de vader een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige toelaat van € 194,--, aangezien de draagkracht van de man over drie kinderen dient te worden verdeeld.

Draagkrachtvergelijking

20. In het kader van de draagkrachtvergelijking gaat het hof bij beide partijen uit van de bijstandsnorm voor alleenstaanden en een behoefte van € 372,-- per maand. Uitgaande van de vastgestelde draagkracht van de vader en uitgaande van de draagkrachtvergelijking zal de vader een alimentatie kunnen betalen van afgerond € 107,-- per maand. Nu de vader in zijn verweerschrift heeft aangeboden om een bedrag van € 118,-- per maand als kinderalimentatie te voldoen, zal het hof de bijdrage op € 118,-- bepalen. Het vorenstaande leidt tot een vernietiging van de bestreden beschikking.

Ingangsdatum

21. De moeder stelt dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie 1 juli 2008 dient te zijn nu de vader op 11 juni 2008 een brief heeft ontvangen, waarop hij heeft gereageerd, en waaruit blijkt dat de moeder kinderalimentatie wenst te ontvangen.

22. Ten aanzien van de ingangsdatum van de kinderalimentatie stelt de vader dat de rechtbank terecht 1 maart 2009 als ingangsdatum heeft genomen.

23. Met betrekking tot de ingangsdatum van de kinderalimentatie acht het hof het redelijk en billijk om, evenals de rechtbank, de eerste van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 1 maart 2009, als ingangsdatum aan te houden, aangezien de vader er vanaf die datum rekening mee heeft kunnen houden dat hij een onderhoudsbijdrage voor de minderjarige diende te voldoen. Het hof ziet in de stelling van de moeder geen aanleiding om hiervan af te wijken.

24. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige met ingang van 1 maart 2009 op € 118,-- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Labohm en Kamminga, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010.