Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5105

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
200.059.651/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

inhoudelijke behandeling hoger beroep wrakingsverzoek, schijn van partijdigheid/ objectieve toets, eindarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Zaaknummer : 200.059.651

Rekestnummer rechtbank : HA RK 10-28

Zaak-/rolnummer hoofdzaak rechtbank : 345623 / KG ZA 10-66

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 15 juni 2010

inzake het hoger beroep van:

[APPELLANTE],

wonende te [Woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A.K. Ramdas te Rotterdam,

tegen de beschikking van de meervoudige kamer voor wrakingszaken in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2010, waarbij het verzoek van [appellante] tot wraking van

[de rechter]

is afgewezen.

Het geding

Bij tussenbeslissing van 19 april 2010, waar het hof naar verwijst, heeft het hof [appellante] ontvankelijk geacht in haar hoger beroep tegen genoemde beslissing van de wrakingskamer in bovenstaande zaak. Het hof heeft vervolgens de mondelinge behandeling heropend en de oproeping van betrokkenen gelast. De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden ter openbare terechtzitting van dit hof op 4 juni 2010, alwaar zijn verschenen [appellante] met haar advocaat voornoemd en [de rechter] (verder: [de rechter]). Partijen hebben vervolgens hun standpunten mondeling toegelicht.

De beoordeling

1. [appellante] heeft in de kern de volgende klachten aangevoerd tegen de inhoudelijke beslissing van de wrakingskamer in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2010:

I) [de rechter] toonde zich ter zitting in kort geding van 3 februari 2010 van het begin af aan vooringenomen. Ten onrechte heeft de wrakingskamer geoordeeld dat aan de door [appellante] aangevoerde omstandigheden geen aanwijzing valt te ontlenen dat de voorzieningenrechter – subjectief – niet onpartijdig was.

II) Ten onrechte heeft de wrakingskamer geoordeeld dat [appellante] misbruik van het wrakingsinstituut heeft gemaakt en dat een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter niet meer in behandeling zal worden genomen.

2. Als gronden voor wraking van de voorzieningenrechter [de rechter] heeft [appellante] aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter ter zitting van 3 februari 2010 heeft blijk gegeven van partijdigheid en vooringenomenheid. [appellante] heeft daartoe onder meer het volgende naar voren gebracht.

- Reeds bij de opening van de kort geding zitting heeft de voorzieningenrechter zowel [appellante] als haar advocaat onheus, met verheven toon en aanvallend behandeld.

- De voorzieningenrechter heeft niet geverifieerd of de door partijen tevoren toegezonden stukken ook door de wederpartij waren ontvangen. Hierbij is sprake van schending van het beginsel van “fair trial”.

- [appellante] is door de voorzieningenrechter onder druk gezet en geïntimideerd.

- De voorzieningenrechter heeft tevoren de zaak besproken met een collega, die een eerder kort geding van [appellante] had behandeld en wiens uitspraak inzet was van het executiegeschil (de hoofdzaak) dat voor [de rechter] diende.

- Het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2010 wordt zowel door [appellante] als door de wederpartij ([de wederpartij]) betwist. Bovendien is dit proces-verbaal pas opgemaakt na de zitting nadat de voorzieningenrechter al was gewraakt.

3. [de rechter] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, betwist dat er sprake was van vooringenomenheid, en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Bij de voorbereiding van de zaak heeft zij kennis genomen van de processtukken, waaruit naar voren kwam dat het betreffende kort geding het vierde in een rij was tussen [appellante] en haar ex-partner. Zij heeft geen kennis genomen van andere stukken en evenmin de zaak met de eerdere voorzieningenrechter besproken.

De zaak waarover zij moest oordelen betrof louter de vraag of er grond was voor opheffing dan wel schorsing van de dwangsommen, die waren opgelegd bij kort gedingvonnis van 26 januari 2010 (verder: het derde kort gedingvonnis). In zoverre was er dus een beperkte beoordelingsmarge.

Ter zitting was de situatie heel emotioneel. De raadslieden van partijen hadden geen contact meer met elkaar, terwijl duidelijk was dat het achterliggende probleem een koopcontract tussen ex-partners betrof. Mede gezien de voorgeschiedenis heeft zij geprobeerd partijen tot elkaar te brengen. Zij was helemaal niet vooringenomen en heeft juist ook in het belang van [appellante] geprobeerd tot een regeling te komen. [appellante] en/of haar advocaat zijn ter zitting inderdaad veel aan het woord geweest. De wederpartij voelde weinig behoefte om te reageren.

[de rechter] heeft wél opmerkingen gemaakt toen [appellante] zich onheus uitliet over de voorzieningenrechter die het derde kort gedingvonnis had gewezen. Dergelijke opmerkingen hoeft zij niet te tolereren. [de rechter] rekent het in het kader van de handhaving van de orde ter terechtzitting ook tot haar taak tegen te gaan dat collega’s door partijen onbehoorlijk worden bejegend. Omdat dit buiten de zaak zelf omging heeft zij hierover niets in het proces-verbaal opgenomen.

Zij heeft [appellante] niet onder druk gezet of geïntimideerd. Wél heeft zij aan het eind van de zitting, toen bleek dat een schikking er niet inzat, gezegd dat [appellante] zou kunnen schrikken van het vonnis.

4. Het hof overweegt als volgt. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, hierna ook te noemen de subjectieve toets. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn, hierna ook te noemen de objectieve toets. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend

5. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting heeft het hof de overtuiging gekregen dat [de rechter] subjectief niet partijdig is geweest, maar juist haar best heeft gedaan om – zeker gelet op de beperkte juridische beoordelingsmarge – een voor beide partijen bevredigend resultaat in de vorm van een schikking te bereiken.

6. De grond voor het huidige wrakingsverzoek is echter met name dat er sprake is van een schijn van partijdigheid, die uit objectieve feiten en omstandigheden valt af te leiden (de zogenaamde objectieve toets).

In deze zaak zijn er concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat [de rechter], ondanks haar goede bedoelingen, waarvan het hof overtuigd is geraakt, te weinig distantie heeft betracht bij deze zaak. Het gaat hierbij om het volgende.

a) De correctie door [de rechter] toen [appellante] zich scherp uitliet over de eerdere voorzieningenrechter kan, zeker nu de inzet van het vierde kort geding was om de eerdere veroordeling ongedaan te maken dan wel op te schorten (waardoor het vonnis van de eerdere voorzieningenrechter ten toets kwam), en nu [appellante] wilde aantonen dat het betreffende derde kort gedingvonnis op een misslag berustte, bij [appellante] de indruk hebben gewekt dat [de rechter] haar mening al klaar had en dat er geen beginnen aan was. Weliswaar heeft [de rechter] – terecht – naar voren gebracht dat zij geen appelrechter was en dat zij het derde kort gedingvonnis niet kan vernietigen, maar mede gelet op de grondslag van de vordering en de overige omstandigheden heeft [appellante] hier een verkeerde indruk (van vooringenomenheid) aan kunnen overhouden.

b) De nadruk die – ook blijkens het proces-verbaal van de kort gedingzitting – is komen te liggen op de discussie met [appellante] en haar advocaat was geschikt om bij [appellante] de indruk te wekken dat de pijlen van de voorzieningenrechter zich met name op haar en niet op haar ex-partner richtten; zeker gevoegd bij de mededeling van [de rechter] dat [appellante] de uitkomst van de procedure “in eigen hand had”, terwijl uit het zinsverband zoals dit blijkt uit het proces-verbaal licht de indruk kan ontstaan dat [appellante], mocht zij aan de voorstellen van [de rechter] geen gevolg geven, nog van het vonnis zou kunnen schrikken.

c) Juist nu de situatie ter zitting erg emotioneel was en [appellante] zelf zich ook emotioneel uitliet ter zitting, was het risico des te groter dat [appellante] de goed bedoelde opmerkingen en de schikkingspogingen als pressie zou ervaren.

7. Deze onder a) t/m c) genoemde feiten en omstandigheden, juist in samenhang bezien, hebben naar het oordeel van het hof bij déze partij en onder de omstandigheden van déze zaak de schijn van partijdigheid van [de rechter] kunnen wekken. Dit betekent dat het wrakingsverzoek alsnog gegrond zal worden verklaard. De overige aangevoerde omstandigheden (zie rechtsoverweging 2) behoeven geen verdere bespreking. Voor een maatregel als bedoeld in artikel 37, vierde lid, Rv is onder deze omstandigheid geen grond. Beslist zal worden als na te melden

Beslissing

Het hof:

- vernietigt de beschikking van de meervoudige kamer voor wrakingszaken in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2010, waarbij het verzoek van [appellante] tot wraking van [de rechter] is afgewezen en waarbij is bepaald dat een volgend verzoek van [appellante] tot wraking in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst toe het verzoek tot wraking van [de rechter];

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de advocaat van) [appellante], alsmede aan genoemde de voorzieningenrechter [de rechter].

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, S.A. Boele en R.M. Bouritius en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2010, in aanwezigheid van de griffier.