Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5017

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
BK-10/00040
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting. Belanghebbende is eigenaar van een gemeubileerde recreatiewoning. De woning stond belanghebbende of haar gezin voor meer dan 90 dagen ter beschikking. De aanslag is in zoverre terecht opgelegd. Geen sprake van gewekt vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1433
FutD 2010-2061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00040

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 28 juli 2010

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 december 2009, nummer AWB 09/331, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2005 opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 mei 2010, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen. Tussen partijen heeft vervolgens een briefwisseling plaatsgevonden. Partijen hebben afgezien van een tweede mondelinge behandeling.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is eigenaar van de gemeubileerde recreatiewoning [a-straat 1] te [P], gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de woning). Zij woont in [Z].

3.2. Met [verhuurbemiddelingsbedrijf] heeft belanghebbende een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten. Artikel 3, onderdeel e, hiervan luidt:

"Het is de eigenaar toegestaan perioden te blokkeren voor eigen gebruik. Deze perioden dienen jaarlijks zo snel mogelijk bij [verhuurbemiddelingsbedrijf] te worden gemeld. Hij kan het object zelf gebruiken, doch dient daarvan zo snel mogelijk aan [verhuurbemiddelingsbedrijf] mededeling te doen en in verband met uitvoering van controle ook zijn vertrek, datum en tijd te vermelden; het bovenstaande op voorwaarde dat het object door [verhuurbemiddelingsbedrijf] niet is verhuurd."

3.3. Blijkens het overzicht verhuur en eigen gebruik 2005 is de woning in 2005 126 dagen door de [verhuurbemiddelingsbedrijf] verhuurd en 42 dagen bezet door de eigenaar. De woning heeft volgens de toelichting van belanghebbende op het overzicht van de 42 dagen 14 dagen om niet ter beschikking gestaan van de dochter van belanghebbende. Onderhoud heeft volgens de toelichting gedurende 24 dagen plaatsgevonden, en wel van 23 mei tot 3 juni 2005 en van 10 september tot 23 september 2005. Na iedere verhuurperiode wordt het object schoongemaakt door een schoonmaakbedrijf.

3.4.1. In haar bezwaarschrift tegen de aanslag van het jaar 2004 heeft belanghebbende - voor zover van belang - het volgende verklaard:

"de woning staat het gehele jaar ter beschikking van de verhuur. Alleen voor onderhoud bezoek ikzelf de woning."

3.4.2. Betreffende hetzelfde jaar heeft de Inspecteur, tijdens een telefoongesprek van 17 februari 2005, aan belanghebbende de verhuurgegevens van 2004 gevraagd.

3.4.3. Belanghebbendes antwoord van 19 februari 2005 aan de Inspecteur vermeldt:

"Bijgaand zend ik u de kwartaaloverzichten van de verhuur over 2004. In het 1e kwartaal heeft geen verhuur plaatsgevonden. In 2004 ben ikzelf in het voor- en in het najaar in het huis geweest voor de schoonmaak en de onderhoudswerkzaamheden aan huis en tuin."

Op de bijlagen bij deze brief specificeert belanghebbende de perioden van schoonmaak: 12 t/m 19 november 2004 en 14 t/m 21 mei 2004 (16 dagen).

3.4.4. De Inspecteur komt in zijn brief, gedagtekend 3 maart 2005, belanghebbende tegemoet:

"U geeft aan dat de woning (...) gebruikt wordt voor verhuur en dat de woning door uzelf alleen wordt bezocht voor onderhoud aan de woning. Gezien het bovenstaande is de aanslag forensenbelasting ten onrechte aan u opgelegd. Ik verklaar uw bezwaar gegrond."

3.5. In de brief van 18 februari 2004 van de [verhuurbemiddelingsbedrijf] is vermeld dat de woning van 26 maart 2004 tot en met 30 maart en van 23 juli 2004 tot en met 6 augustus 2004 geblokkeerd was. Deze twee periodes zijn door belanghebbende niet als zodanig genoemd in haar onder 3.4.3 aangehaalde brief.

3.6. Bij de behandeling van belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag over het jaar 2003 verzoekt de Inspecteur belanghebbende om nadere inlichtingen. In haar antwoord van 29 april 2004 antwoordt belanghebbende:

" (...) mijn dochter is met haar gezin in het huis geweest, hiervoor heb ik geen huur ontvangen"

en

"De woning is in 2003 door mij gebruikt het weekend van 15 maart i.v.m de ledenvergadering. Alsmede de week van 30 mei tot 6 juni voor de jaarlijkse grote schoonmaak, tuinonderhoud ed. Daar bleek dat de woning na 3 oktober niet meer verhuurd was zijn wij zelf van 3 tot 17 oktober in het huis geweest, in deze periode is waarschijnlijk de herfstvakantie waar u in uw brief naar vraagt gevallen. Ik wacht altijd tot er geen verhuur meer plaatsvind en ga dan zelf voor de eindschoonmaak en het winterklaar maken van het huis en de tuin. Tuinmeubelen schoonmaken en binnenzetten, tevens heb ik alle buitendeuren in die periode geschilderd alsmede aan het tuinhuisje de ramen en wat overig schilderwerk verricht."

Verder schrijft zij:

"Omdat ik het onderhoud zoveel mogelijk zelf verricht, heb ik hiervan geen bewijsmateriaal (...) Daarbij wil ik niet ontkennen dat ik het verblijf tevens combineer met recreatie ik ben niet de hele dag als ik daar ben aan het werk."

Het betreft in 2003 blijkens het bovenstaande 21 dagen voor de jaarlijkse grote schoonmaak, tuinonderhoud en dergelijke.

3.7. Nadat de gemeente het bezwaar inzake de aanslag over het jaar 2003 heeft afgewezen, volgt op 1 juni 2004 een telefoongesprek met de Inspecteur. Belanghebbende schrijft in haar vervolgbrief van 2 juni 2004:

"Naar aanleiding van het telefoongesprek (...) bericht ik u het volgende. M.i. is mijn zin in de brief van 29 april 2004 niet juist geïnterpreteerd. In de zin dat ik het verblijf voor onderhoud combineer met recreatie. Wilde ik aangeven dat als ik een week of twee weken op het park verblijf. Ik daar ook moet slapen en eten het is niet mogelijk elke dag naar huis te gaan. Als ik daar 24 uur per dag verblijf ben ik niet 24 uur aan het werk, ik zit ook wel eens in de tuin moet ook naar het dorp voor boodschappen het is gwoon (sic) keihard werken (...) Wat verder uw overwegingen betreft wil ik nogmaals benadrukken, dat de woning het gehele jaar beschikbaar wordt gehouden voor verhuur. De stelling dat de woning de tijd dat deze niet wordt gebruikt voor mij beschikbaar is, is onjuist. Het feit dat de woning bepaalde perioden niet wordt verhuurd betekent nog niet dat ik ook niet de bedoeling zou hebben de woning te verhuren. In deze omstandigheid betekent leegstand niet beschikbaarheid voor mij, doch voor huurders."

3.8. De gemeente komt, gelet op de beroepstermijn, niet tijdig aan belanghebbendes verwachtingen tegemoet, en op 5 juli 2004 stelt belanghebbende beroep over het jaar 2003 in. Haar beroepschrift vermeldt:

"Bij telefonische navraag bij de Gemeente blijkt dat de afwijzing van mijn bezwaar is gebaseerd op het feit dat ik in mijn brief schrijf dat ik mijn verblijf voor onderhoud tevens combineer met recreatie ik ben namelijk niet 24 uur per dag aan het werk. Deze zin had ik er beter niet in kunnen zetten, ik wilde hiermede alleen maar aangeven dat als ik er ben voor onderhoud ik niet elke dag naar huis ga en daar dus moet verblijven. Daar slapen, eten, in de tuin zitten, boodschappen doen ed. bedoelde ik met recreatie."

3.9. De gemeente reageert op 22 december 2004 met een verzoek aan belanghebbende het beroep over het jaar 2003 in te trekken nu de aanslag zal worden vernietigd. De gemeente schrijft:

"Uit uw uitleg in het beroepschrift komt naar voren dat mijn uitleg van het woord 'recreatie' zoals die in het spraakgebruik wordt benut, niet correspondeert met de uitleg die u bedoelde. Op basis van gewijzigde inzichten kom ik daarom tot de conclusie dat de aanslag forensenbelasting 2003 ten onrechte is opgelegd (...)"

3.10. De beleidsregels belastingplicht forensenbelasting 2004 van de gemeente Schouwen-Duiveland zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 14 september 2004, en waren van kracht bij de aanslagregeling van 2005. Het bij de beleidsregels behorende beslissingsschema verheldert onder welke omstandigheden forensenbelastingplicht bestaat en leidt door een zestal met ja of nee te beantwoorden vragen naar een vijftal mogelijke beslissingen.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd omdat de woning haar in 2005 niet voor 90 dagen ter beschikking heeft gestaan. Belanghebbende is niet voor recreatieve doeleinden in de woning geweest, maar de woning is zo wel gebruikt door haar dochter; verder blokkeert belanghebbende een paar dagen in het weekend als de algemene ledenvergadering en de kascontrole plaatsvindt. Ook gaat belanghebbende naar de woning in perioden van leegstand voor de grote schoonmaak, onderhoud van de tuin, schilderwerk en overig onderhoud. Belanghebbende beroept zich ten slotte op in de bezwaar- en beroepsfase van eerdere jaren door de Inspecteur gewekt vertrouwen.

4.3. De Inspecteur is van mening dat de verhuurbemiddelingsovereenkomst die belanghebbende heeft gesloten onder de gegeven omstandigheden meebrengt dat de aanslag terecht is opgelegd. De Inspecteur is van mening dat het aantal van de door belanghebbende voor onderhoud en dergelijke aangegeven dagen onaannemelijk groot is. Van gewekt vertrouwen is naar de mening van de Inspecteur geen sprake.

4.4. Voor de verdere gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van de Verordening forensenbelasting 2005 van de gemeente Schouwen-Duiveland wordt onder de naam forensenbelasting een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

6.2. Het geschil spitst zich in voorliggend geval toe op de vraag of belanghebbende in 2005 op meer dan 90 dagen voor zich een gemeubileerde woning beschikbaar heeft gehouden.

In zijn uitspraak van 22 december 2006, nummer 40 609, LJN: AZ4972, heeft de Hoge Raad dienaangaande geoordeeld:

"Indien een gemeubileerde woning weliswaar is bestemd voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, moet worden aangenomen dat die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten (vgl. HR 24 juli 1995, nr. 30 470, BNB 1995/272)."

6.3. Naar het oordeel van het Hof is de periode van gebruik om niet door de dochter van belanghebbende (14 dagen) als eigen gebruik door belanghebbende aan te merken. Verder is belanghebbendes stelling, dat het voor verhuur gereed maken en houden gedurende 24 dagen heeft plaatsgevonden, onaannemelijk gelet op de grootte van perceel en opstal, en gelet op het feit dat een schoonmaakbedrijf na iedere verhuurperiode wordt ingeschakeld. Hieruit vloeit voort dat, voor de toepassing van de door de Hoge Raad onder 6.2 gegeven regel, de woning in het onderhavige jaar enige mate door belanghebbende zelf is gebruikt.

6.4. Artikel 3, onderdeel e, van de verhuurbemiddelingsovereenkomst moet zodanig worden verstaan dat eigen gebruik voorshands niet is uitgesloten. Gegeven de in 3.3 vermelde verhuurperiode van 133 dagen, moet derhalve worden aangenomen dat de woning belanghebbende of haar gezin voor meer dan 90 dagen ter beschikking stond. De aanslag is in zoverre terecht opgelegd.

6.5. Het beroep van belanghebbende op het in het algemeen rechtbewustzijn levende vertrouwensbeginsel, slaagt niet. Uit de door partijen gevoerde correspondentie aangaande de aanslagen voor de jaren 2003 en 2004, zoals is weergegeven onder 3.4 tot en met 3.9, volgt dat de Inspecteur respectievelijk een periode van 16 en 21 dagen heeft aanvaard als gebruik in verband met het voor de verhuur gereed maken en houden van de woning. Nu belanghebbende dit gebruik heeft gesteld op 24 dagen, mocht zij er echter in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de Inspecteur dit standpunt - zonder nadere vragen te stellen - zou blijven honoreren.

Voorts is niet gebleken dat de aanslag in strijd met de onder 3.10 vermelde, door de gemeente vastgestelde beleidsregels is opgelegd.

6.6. Belanghebbende heeft naar 's Hofs oordeel ook overigens met hetgeen zij heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen dan wel, tegenover de betwisting ervan door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, waaruit in redelijkheid een beletsel van inhoudelijke of formele aard is te putten voor het handhaven van de aanslag.

6.7. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, H.A.J. Kroon en H. Pijl, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 28 juli 2010 in het openbaar uitgesproken. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Bij diens afwezigheid is de uitspraak ondertekend door mr. Kroon.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.