Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4987

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
BK-09/00770
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 57 Awr brengt mee dat een bestuursorgaan dat een bezwaarschrift van een belastingplichtige ontvangt waarbij een postadres in het buitenland is vermeld, zoals i.c. in het kader van de Wet WOZ, de belastingplichtige wijst op art. 57 Awr omtrent het kiezen van domicilie in de bezwaarprocedure en tevens erop wijst dat indien de belastingplichtige kiest het eerder opgegeven buitenlandse adres als postadres te handhaven en hier te lande geen domicilie kiest, de gevolgen daarvan voor zijn rekening en risico zijn. Op deze regel geldt als uitzondering het geval dat de belastingplichtige reeds op andere wijze op de hoogte was van die gevolgen en desalniettemin geen domicilie hier te lande kiest. I.c. heeft de heffingsambtenaar belanghebbende niet gewezen op art. 57 Awr en ook overigens komt uit de gedingstukken niet naar voren dat belanghebbende op andere wijze op de hoogte was. De uitspraak op bezwaar is niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Belanghebbende is bij het indienen van beroep niet in verzuim geweest. Terugverwijzing naar de rechtbank voor de behandeling van het beroep op de inhoudelijke gronden.

**In de aanhef van de uitspraak is per abuis de gemeente Noordwijk vermeld in plaats van de gemeente Noordwijkerhout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00770

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 28 juli 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende], domiclie gekozen te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 september 2009, nr. AWB 09/38 WOZ, betreffende na te noemen door de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk**, genomen beschikking.

Beschikking, bezwaar en beroep

1.1. Bij beschikking van 30 juni 2008 heeft de Inspecteur op grond van het hoofdstuk IV va de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [a-straat 1] te [P] vastgesteld op € 143.000. De waarde is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 naar de waardepeildatum 1 januari 2007.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft vervolgens tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft een griffierecht voldaan van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 juli 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding in hoger beroep en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

3.1. Belanghebbende, die woonachtig is in [plaats] ([EU-land]), is genothebbende krachtens eigendom, bezit of zakelijk recht van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een recreatiewoning gelegen op het park [park] te [P].

3.2. De beschikking is gedagtekend 30 juni 2008. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2008 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de rechtbank is op 2 januari 2009 een beroepschrift van belanghebbende binnengekomen, gedagtekend 12 december 2008.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende kan worden ontvangen in het beroep, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Zo deze vraag bevestigend kan worden beantwoord is in geschil of de Inspecteur de waarde van de onroerende zaak terecht heeft vastgesteld op € 143.000 (standpunt Inspecteur) of dat deze dient te worden verlaagd tot € 110.000 (standpunt belanghebbende).

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van het beroep en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in beroep op de volgende gronden, waarbij het Hof voor “eiser” leest belanghebbende en voor “verweerder” de Inspecteur:

”3.4 Ingevolge artikel 6.7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.5 Het door eiser overgelegde afschrift van de uitspraak op bezwaar is niet voorzien van een dagtekening. Het door verweerder overgelegde afschrift is echter wel voorzien van een dagtekening, te weten 4 november 2008. Verweerder heeft hier geen verklaring voor. Hij voert aan dat indien een schrijven wordt voorzien van een dagtekening, deze ook direct hierna wordt verzonden. Verweerder heeft een schermprint overgelegd van zijn postregistratiesysteem, volgens welke de uitspraak op bezwaar is verzonden op en is voorzien van een dagtekening van 4 november 2008. Op de vraag van de rechtbank of het mogelijk is dat een op een later tijdstip uitgedraaide uitspraak op bezwaar kan worden verzonden zonder dat deze is voorzien van een dagtekening, heeft verweerder geantwoord dat dit niet mogelijk is. In een dergelijk geval dient deze uitdraai namelijk opnieuw te worden voorzien van een handtekening. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen verweerder omtrent de dagtekening van de uitspraak op bezwaar heeft aangevoerd, hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitspraak op 4 november 2008 is verzonden.

3.6 De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 4 november 2008, er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 16 december 2008. Het op 2 [Hof: bedoeld is: 12] december 2008 gedagtekende beroepschrift is op 2 januari 2009 door de rechtbank ontvangen.

3.7 Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar hem eerst op 7 januari 2009 in zijn woonplaats in [EU-land] heeft bereikt. Tijdens een telefonisch onderhoud met verweerder in november heeft eiser echter al kennis genomen van de inhoud van dit besluit. Omdat voor eiser niet geheel duidelijk was of de uitspraak op bezwaar op dat moment al helemaal gereed was, heeft hij gewacht met het schrijven van een beroepschrift tot voormelde 12 december 2008. Eiser stelt dat de postbezorging vertraging had opgelopen, mede door de overstroming van de rivier de [rivier in EU-land].

3.8 Ingevolge artikel 57 van de Awr (in verbinding met artikel 30 van de Wet WOZ) moet, in bezwaar-, beroep-. verweer- en verzetschriften, hij die niet binnen het Rijk een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen binnen het Rijk.

3.9 Op de vraag of eiser is gevraagd domicilie te kiezen, heeft eiser geantwoord dat dit niet het geval is. Verweerder stelt hieromtrent dat eiser in eerdere correspondentie en contacten met hem steeds kenbaar heeft gemaakt dat zijn post naar zijn adres in [EU-land] moest worden gezonden. Eiser heeft dit desgevraagd bevestigd.

3.10 Het beroepschrift is gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb niet tijdig ingediend. Alhoewel het beroepschrift nog wel tijdig ter post is bezorgd, is het niet binnen een week na afloop van de termijn bij de rechtbank ontvangen. De omstandigheid dat het beroepschrift zo laat is binnengekomen is voor risico van eiser nu hij uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen zijn post vanuit [EU-land] te versturen.

3.11 De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Nu eiser aan verweerder te kennen heeft gegeven dat zijn post naar zijn adres in [EU-land] moest worden verzonden, komt de late ontvangst van de uitspraak op bezwaar als gevolg van de vertraging bij de [post van EU-land] ook voor rekening en risico van eiser. Overige feiten en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring zijn gesteld noch gebleken.”

6.2. De Inspecteur heeft - het Hof volgt de rechtbank (overwegingen 3.5 en 3.6) - dat de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op 4 november 2008 is verzonden en dat geen aanleiding is aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. De rechtbank heeft op 2 januari 2009 een beroepschrift ontvangen van belanghebbende dat is gedagtekend 12 december 2008.

6.3. Het bepaalde in artikel 57 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) brengt mee dat een bestuursorgaan dat een bezwaarschrift van een belastingplichtige ontvangt waarbij een postadres in het buitenland is vermeld, zoals in het onderhavige geval de heffingsambtenaar van de gemeente in het kader van de Wet WOZ, de belastingplichtige wijst op het bepaalde in artikel 57 van de Awr omtrent het kiezen van domicilie in de bezwaarprocedure en tevens erop wijst dat indien de belastingplichtige kiest het eerder opgegeven buitenlandse adres als postadres te handhaven en hier te lande geen domicilie kiest, de gevolgen daarvan voor zijn rekening en risico zijn. Op deze regel geldt als uitzondering het geval dat de belastingplichtige reeds op andere wijze op de hoogte was van die gevolgen en desalniettemin geen domicilie hier te lande kiest of heeft gekozen.

6.4. Tussen partijen staat vast dat de heffingsambtenaar belanghebbende in het onderhavige geval niet in de gelegenheid heeft gesteld hier te lande domicilie te kiezen onder kennisgeving van de gevolgen indien hij dat zou nalaten. Belanghebbende heeft bij brief van 18 juli 2008 de gemeente, afdeling burgerzaken, laten weten dat hij niet in [Q] woont en verzocht de post per 1 september 2008 naar [b-straat 1], [00000], [plaats in EU-land], [EU-land] te zenden. Deze brief laat evenwel niet zonder meer de gevolgtrekking toe dat belanghebbende zich bewust was van de gevolgen in het geval hij bezwaar zou maken tegen een gemeentelijke belastingaanslag en de gemeente aan het verzoek in de brief zou voldoen door de post naar [EU-land] te zenden. Ook overigens komt dat niet uit de gedingstukken naar voren. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zodra hij door de rechtbank in beroep op artikel 57 van de Awr is gewezen alsnog domicilie in Nederland heeft gekozen.

6.5. Het vorenstaande brengt mee dat de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Uit de stukken komt niet naar voren dat belanghebbende niet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd beroep heeft ingesteld nadat hij – kennelijk half december - op de hoogte kwam van de inhoud van de uitspraak op bezwaar. Niet staat vast dat belanghebbende telefonisch reeds in november 2008 is meegedeeld dat de uitspraak op bezwaar gereed was. De Inspecteur heeft – als meest gerede partij – daaromtrent niets gesteld. Het Hof acht voldoende feiten en omstandigheden aanwezig op grond waarvan moet worden geoordeeld dat belanghebbende bij het indienen van het beroep niet in verzuim is geweest. De vertraging in de postzending vanuit [EU-land] komt niet voor zijn rekening. Het Hof zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen voor de behandeling van het beroep op de inhoudelijke gronden.

Proceskosten en griffierecht

7.1. In de omstandigheid dat het hoger beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. In beroep heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van € 670 aan kosten van beroep en bezwaar waaronder € 588 aan reiskosten. Uit de gedingstukken blijkt niet dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor rechtsbijstand. Evenmin blijkt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten van internationale faxberichten en telefoongesprekken en verletkosten heeft gemaakt. Het Besluit biedt niet de mogelijkheid tot vergoeding van de kosten van aangetekend verzonden stukken. Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 100 wegens reiskosten naar het Hof en naar de rechtbank. Het Hof heeft in de omstandigheid dat het belang in deze zaak beperkt is, geschat maximaal € 100 waarvan aan de Wet WOZ (1,48 (tarief) per volle waarde van € 2.268 derhalve ongeveer) € 21 kan worden toegerekend, een bijzondere omstandigheid aanwezig geacht de vergoeding van de reiskosten van belanghebbende te beperken. Nu de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank is het aan de rechtbank te oordelen omtrent een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten in het geval de beschikking niet in stand blijft en in de bezwaarfase door belanghebbende is verzocht om een dergelijke vergoeding.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van respectievelijk € 39 en € 110 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- wijst de zaak terug naar de rechtbank,

- draagt de rechtbank op opnieuw uitspraak te doen op het beroep van belanghebbende,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 100,

- gelast de Inspecteur het in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 149 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 28 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

**In de aanhef van de uitspraak is per abuis de gemeente Noordwijk vermeld in plaats van de gemeente Noordwijkerhout.