Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4686

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
200.056.879-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele. Persoon van de curator; wettelijke voorkeursregeling in casu niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 augustus 2010

Zaaknummer : 200.056.879/01

Rekestnr. rechtbank : 944052 GZ VERZ 08-2945

1. [betrokkene],

hierna te noemen: de betrokkene,

2. [vader],

hierna te noemen: de vader van de betrokkene,

3. [moeder],

hierna te noemen: de moeder van de betrokkene,

gezamenlijk ook te noemen: de appellanten,

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. W.H. Bernard te Rotterdam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [zuster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de zuster van de betrokkene,

advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam,

2. Elzo G. HUISING, werkzaam bij de Stichting De Rotonde,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De appellanten zijn op 8 februari 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 november 2009 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de bestreden beschikking).

De zuster van de betrokkene heeft op 13 april 2010 een verweerschrift ingediend.

Op 18 juni 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de appellanten, bijgestaan door hun advocaat, de zuster van de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en de curator. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de heer S.W. Tahitu met ingang van 1 december 2009 als curator over de betrokkene ontslagen en is met ingang van genoemde datum tot curator benoemd de heer Elzo G. HUISING.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is met betrekking tot de ondercuratelestelling van de betrokkene, uitsluitend de persoon van de curator.

2. De appellanten verzoeken het hof de bestreden beschikking, voor wat betreft de benoeming van de heer Elzo G. Huising tot curator, te vernietigen en voor het overige, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt: gezamenlijk) te benoemen tot curatoren de vader van de betrokkene en de moeder van de betrokkene.

3. De zuster van de betrokkene voert verweer tegen het beroep van de appellanten en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het appelschrift van de appellanten af te wijzen.

4. De appellanten klagen in hun eerste grief dat de rechtbank, tegen de uitdrukkelijke wens van de betrokkene in, een buitenstaander heeft benoemd tot curator. De appellanten voeren daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, inhoudende dat de vader van de betrokkene tot curator wordt benoemd, niet heeft gevolgd terwijl hier geen gegronde reden voor aanwezig was. De vader van de betrokkene is ondanks zijn leeftijd van 75 jaar gezond en volledig in staat om curator te zijn. Voorts ontkennen appellanten dat zij niet op één lijn zouden zitten wat betreft de invulling van de curatele. Met de gezamenlijke benoeming van de ouders van de betrokkene tot curator is, tot slot, - zo stellen de appellanten - ondervangen dat het voor de vader van de betrokkene alleen te zwaar zou zijn.

5. De zuster van de betrokkene is van mening dat, gelet op de spanningen die kunnen ontstaan op het moment dat de ouders van de betrokkene dan wel een van de ouders van de betrokkene tot curator worden/wordt benoemd, het beter is als een onafhankelijke derde tot curator wordt benoemd. Daarbij komt dat de vader van de betrokkene in de visie van de zuster van de betrokkene niet de juiste aanpak heeft in de begeleiding van de betrokkene. Zij stelt daartoe dat hij een uitgesproken menig over alles heeft en weinig ruimte aan betrokkene biedt om zich verder te ontwikkelen. Ook zou de benoeming alleen maar extra spanningen en onenigheid binnen de familie veroorzaken en is, zo stelt de zuster van de betrokkene, geen sprake van vertrouwen tussen de betrokkene en zijn vader. Tot slot stelt de zuster dat in de wet niet is voorzien in een regeling van de gevolgen van de bevoegdheidsuitoefening door meerdere curatoren en nu uit de verstandhouding tussen partijen voortvloeit dat het voor de hand ligt dat zich complicaties zullen voordoen in de uitoefening van de curatele, is hierin een gegronde reden aanwezig om de ouders van de betrokkene niet tot curator te benoemen.

6. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:383 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende gevolgd dient te worden, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

7. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. Weliswaar volgt de rechter bij de benoeming van de curator, conform het bepaalde in voormeld artikel, de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, doch het hof ziet in onderhavige zaak gegronde redenen die zich tegen een zodanige benoeming verzetten. Het hof overweegt daarbij onder meer dat is gebleken dat de vader - zijn goede intenties ten spijt - in het verleden niet op een goede, afdoende, wijze uitvoering heeft kunnen geven aan het (informele) curatorschap. Niet is gebleken hoe hij, samen met de moeder van de betrokkene, het curatorschap in de toekomst op een andere wijze zal invullen. Daarbij komt dat het het hof is gebleken dat de verhoudingen binnen de familie van de curandus rondom de kwestie van de benoeming van de persoon van de curator danig verstoord zijn, welke een goede uitoefening van het curatorschap in de weg kunnen staan en welke niet in het belang van de betrokkene zijn. Het hof acht om voormelde redenen benoeming van een onafhankelijke derde tot curator de aangewezen oplossing teneinde de belangen van de betrokkene zo goed mogelijk te waarborgen. Nu niet is gebleken van bezwaren tegen de benoemde curator inhoudende dat hij het curatorschap op onzorgvuldige of niet-respectvolle wijze jegens de betrokkene heeft uitgeoefend of zou uitoefenen, zal het hof de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

8. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan ’s hofs oordeel onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, van Nievelt, Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2010.