Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4679

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
200.018.344/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot teruggave van eigendommen. Bewijslastverdeling terzake. Schadevergoeding voor schade als gevolg van een verbouwing en sloopactiviteiten aan de kant van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 200.018.344/01

Rolnummer rechtbank : 07-3484

arrest van de familiekamer d.d. 17 augustus 2010

inzake

[appellante],

wonende te Zoetermeer,

appellante,

tevens geïntimeerde in incidenteel appel

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.F.L. Beckand te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Dordrecht,

geïntimeerde,

tevens appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Huvers te Hillegom.

Het geding

Bij exploot van 5 november 2008 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 augustus 2008 door de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de vrouw drie grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de man de grieven bestreden. Tevens heeft hij met wijziging van zijn oorspronkelijke eis incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van twee grieven.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de vrouw de grieven van de man in incidenteel hoger beroep bestreden .

De vrouw heeft haar procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

De vrouw en de man hebben een affectieve relatie met elkaar gehad,. Zij hebben ruim acht jaar samengewoond in de (huur)woning van de vrouw. Op 21 januari 2007 is de relatie verbroken en heeft de man die woning verlaten met medeneming van een deel van zijn eigendommen. Daarna heeft de man nog enkele keren spullen opgehaald.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie de vrouw veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de man terug te geven de goederen (het hof leest:) voorkomend op de lijst van productie 3 bij dagvaarding met uitzondering van de nummers 53, 54, 59, 62, 65, 69, 88, 104, 111 en 118. In reconventie heeft de rechtbank de man veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de somma van € 1.500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande 2 april 2007 en lopende tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.

2. De vrouw vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man in zijn vordering in conventie niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen en haar vordering in reconventie toe te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

3. De man concludeert (naar het hof begrijpt) tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vordering dan wel tot afwijzing daarvan, waar nodig met verbetering van gronden. In incidenteel appel vordert de man vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - met wijziging van zijn oorspronkelijke eis - de vrouw te veroordelen tot teruggave aan de man van zijn eigendommen op straffe van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag dat de vrouw in gebreke blijft en subsidiair de vrouw te veroordelen tot een vergoeding van € 9.000,-- indien blijkt dat de vrouw niet (meer) in staat is om de eigendommen van de man terug te geven, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na het te dezer zake te wijzen arrest.

Bewijslastverdeling

4. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte aan de vrouw de opdracht heeft gegeven om te bewijzen dat de man de zaken waarvan hij afgifte vraagt, heeft meegenomen c.q. dat die hem ter beschikking zijn gesteld. Wie stelt dient te bewijzen. De bewijsopdracht had dus aan de man moeten worden gegeven.

5. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank op enkel de verklaring van de man heeft aangenomen dat zijn eigendommen zich nog in de woning van de vrouw bevonden. De man heeft de door hem gevorderde zaken meegenomen uit de woning. De vrouw biedt terzake bewijs aan, in het bijzonder door middel van het horen van getuigen.

6. De man voert daartegen aan dat hij door het overleggen van een lijst concreet heeft aangegeven welke eigendommen door hem niet zijn ontvangen. De man heeft op 10 februari 2007, toen hij met een vrachtauto zijn spullen kwam halen, de vrouw gevraagd naar de (waardevolle) zaken die hij nog niet had ontvangen. De vrouw heeft hem toen medegedeeld dat die achter slot en grendel zaten en dat zij daarover nog contact zou opnemen. De man legt twee verklaringen over waaruit deze gang van zaken blijkt. De vrouw heeft over deze zaken geen contact meer met hem opgenomen.

7. Het hof overweegt als volgt. De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast daarvan, tenzij uit enige bijzondere regel of de eisen van redelijkheid en billijkheid iets anders voortvloeit. De man stelt dat de vrouw nog goederen van hem heeft. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die nopen tot een afwijking van de hoofdregel met betrekking tot de bewijslastverdeling. De man dient derhalve zijn stelling dat goederen die hem toekomen zijn achtergebleven, te bewijzen. De door de man overgelegde verklaringen van getuigen zijn deels tegenstrijdig aan de verklaringen die de vrouw in het geding heeft gebracht. Op basis van de gewisselde stukken kan het hof dan ook niet vaststellen dat de vrouw nog in het bezit is van de door de man gevorderde zaken. De man heeft in het geheel geen bewijs aangeboden, zodat het hof niet toekomt aan een bewijsopdracht aan de man en evenmin aan zijn subsidiaire vordering, die op dezelfde stellingen is gebaseerd.

8. Het voorgaande brengt met zich dat de grieven van de vrouw slagen en dat de vordering van de man tot teruggave van zijn eigendommen wordt afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding

9. In haar derde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank de schade als gevolg van de verbouwing ten onrechte heeft gesteld op een bedrag van € 1.500,--. De man heeft de woning als één grote bouwput achtergelaten. De vrouw heeft met hulp van familie en vrienden getracht de schade ten gevolge van de verbouwingen en de sloopactiviteiten van de kat van de man te herstellen.Er zijn getuigen die kunnen verklaren dat zij daarvoor spullen heeft moeten aanschaffen. De man heeft met de door hem overgelegde betalingsbewijzen niet bewezen dat de bouwmaterialen die daarop voorkomen voor de verbouwing zijn gebruikt en/of zijn achtergelaten in de woning.

10. De man betwist dat hij de woning als een bouwput heeft achtergelaten. Toen de man de woning verliet waren er wel verbouwingswerkzaamheden gestart. Alleen de deurpost en het raam in de muur tussen de keuken en de woonkamer waren verwijderd. Het hout en de gipsplaten die de man had aangeschaft voor de verbouwing heeft hij achtergelaten.

11. In incidenteel appel stelt de man dat de rechtbank niet tot de conclusie had mogen komen dat de vrouw voor het afmaken van de verbouwing hulp van anderen behoefde die slechts tegen betaling kon worden verkregen. De rechtbank had de vergoeding aan de vrouw niet mogen stellen op € 1.500,--, nu dit bedrag kennelijk is bedoeld voor hulp van anderen tegen betaling.

12. Het hof oordeelt als volgt. Uit hetgeen de vrouw aanvoert, leidt het hof af dat zij de onderbouwing van haar vordering in hoger beroep beperkt tot schade aan de woning die is veroorzaakt door verbouwingen die de man niet heeft afgemaakt en door de kat van de man. De man heeft het door de vrouw gevorderde schadebedrag betwist..De vrouw heeft niet aangegeven op welke rechtsgrond zij haar vordering baseert. Voorts kan het hof uit het door de vrouw overgelegde overzicht van werkzaamheden niet afleiden welke daarvan voortvloeien uit de beschadigingen die volgens de vrouw door de verbouwingen en door de kat aan de woning zijn toegebracht. Ook heeft de vrouw niet concreet en gespecificeerd aangegeven welke kosten zij heeft gemaakt voor het herstel van die beschadigingen. Weliswaar biedt zij bewijs aan door middel van het horen van getuigen maar dit aanbod is, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de grondslag van de vordering en de omvang van de werkzaamheden, niet voldoende gespecificeerd. Gelet op het voorgaande wordt de grief van de vrouw als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

13. In verband met het incidenteel appel van de man acht het hof voorts van belang dat de vrouw haar uitgangspunt in eerste aanleg, dat de werkzaamheden door derden tegen betaling moesten worden verricht, heeft verlaten. Ook betwist zij niet dat door de man betaalde bouwmaterialen in de woning zijn achtergelaten. Haar stelling dat de door de man overgelegde bonnen niet bewijzen dat daarop bouwmaterialen staan die in de woning zijn achtergebleven, is voor een dergelijke betwisting onvoldoende. Mede in aanmerking nemende hetgeen onder 12 is overwogen is het hof van oordeel dat de grief van de man in incidenteel appel slaagt.

14. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis wordt vernietigd.

15. In de omstandigheid dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en in de aard van het geschil ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering van de man in conventie en de vordering van de vrouw in reconventie;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Husson en De Haan-Boerdijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2010 in aanwezigheid van de griffier.