Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4504

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
200.043.371-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en zorgregeling; ouderschapsonderzoek; ambtshalve schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de door de rechtbank vastgestelde regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/126

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 augustus 2010

Zaaknummer : 200.043.371.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-10075

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. van Eijkeren te Honselerdijk (gemeente Westland),

tegen

[man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

advocaat: voorheen mr. I.E.M. Meijers-Carlier te Delft, thans geen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 september 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 5 juni 2009.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 16 september 2009 en op 1 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen

Op 2 juli 2010 is van de zijde van de moeder een aanvullend appelschrift bij het hof ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming heeft het hof bij brief van 1 oktober 2009 zijn rapport van 28 september 2009 doen toekomen.

Op 14 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader en namens de raad: mevrouw C. den Hartogh. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de tussen partijen overeengekomen regeling door hen ondertekend op 8 juni 2006 – bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de hierna te noemen minderjarige en deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de hierna te noemen minderjarige bij de vader zal zijn: eenmaal per twee weken van vrijdag 18.15 uur tot zondag 18.00 uur, de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen. Deze regeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de uitoefening van het gezag over de minderjarige [X] (hierna: de minderjarige), geboren [in 2004] te [woonplaats], alsmede de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) met betrekking tot de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

Met betrekking tot de zorgregeling:

Primair:

De bij de bestreden beschikking vastgestelde regeling tussen de vader en de minderjarige te beëindigen;

Subsidiair:

De bij de bestreden beschikking vastgestelde regeling op te schorten;

Meer subsidiair:

De bij voormelde beschikking vastgestelde regeling op te schorten tot het advies van de raad is afgegeven en alsdan het advies van de raad op te volgen.

Met betrekking tot het gezamenlijk gezag:

Primair:

Het bij de bestreden beschikking vastgestelde gezamenlijk gezag te vernietigen en aan de moeder en haar partner gezamenlijk gezag toe te wijzen;

Subsidiair:

Het bij de bestreden beschikking vastgestelde gezamenlijk gezag te vernietigen.

3. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader en de moeder hun gedragingen als ouders nog niet goed op elkaar kunnen afstemmen en dat zij niet goed met elkaar kunnen communiceren. Dit vormt een belemmering om tot overeenstemming te komen over een allesomvattende ouderschapsregeling rond de minderjarige. Het hof is van oordeel dat de minderjarige er het meest bij gebaat is dat de ouders komen tot een heroriëntatie op het ouderschap na scheiding en acht aannemelijk dat deze heroriëntatie door middel van ouderschapsonderzoek bewerkstelligd kan worden. Het hof zal daarom zo een onderzoek gelasten. Het hof wijst ieder der partijen op het belang om zich ten volle in te zetten. In dit verband wijst het hof op het niet-vrijblijvende karakter van dit deskundigenonderzoek dat zich aldus onderscheidt van hetgeen in het algemeen onder de term ‘mediation naast rechtspraak’ bekend is. Het hof wijst op het bepaalde in artikel 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met toepassing waarvan het het hof vrij staat om aan de houding die een partij tijdens een ouderschapsonderzoek onverhoopt zou innemen, de gevolgen te verbinden die het hof geraden voorkomt.

De opdracht behelst niet de beantwoording van diagnostische onderzoeksvragen die door middel van individuele psychodiagnostiek beantwoord moeten worden. Het is niet de bedoeling om via testen en toetsen de ouders en het kind als individu in kaart te brengen. Het hof staat niet voor dat er individuele psychodiagnostiek bij partijen zal worden gedaan. De vragen zien op onderzoek naar en het bevorderen van de mogelijkheden van partijen om met een groeiend vertrouwen in zichzelf en elkaar als ouders te leren omgaan met elkaar na scheiding, op afstand en op die wijze een verantwoorde omgang tussen de vader en de minderjarige mogelijk te maken.

Ten slotte wijst het hof op het wetenschappelijke onderzoek dat, ter evaluatie van de ouderschapsonderzoeken, in september 2010 van start gaat: partijen hebben toegezegd hun medewerking aan dit wetenschappelijke onderzoek te verlenen.

4. Het hof zal als deskundige benoemen: mevrouw L. van Wesemael, NMI-gecertificeerd mediator, Badhuisweg 40, 2587 CJ, Den Haag, telefoonnummer: 06-44602452, e-mail: info@seagale.nl.

5. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en voortgang van het onderzoek.

6. De advocaat van de moeder dient de deskundige binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.

7. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot zaterdag 30 oktober 2010 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden. Deze krijgt de opdracht onderzoek te verrichten en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het ouderschap zodanig vorm te doen geven dat de minderjarige – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zal kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Het hof acht het wenselijk dat de deskundige de minderjarige in het onderzoek betrekt. De deskundige heeft zich bereid verklaard dit onderzoek op zich te nemen. Beide partijen hebben ter zitting verklaard dat zij voorafgaande aan hun gezamenlijke gesprekken met de deskundige graag ieder afzonderlijk samen met hun partner één gesprek met de deskundige zouden voeren. Het hof verzoekt de deskundige met deze wens rekening te houden.

8. Het hof wenst dat de deskundige bij het uit te voeren onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar?

b. Hoe is de relatie van de minderjarige met enerzijds de moeder respectievelijk de vader individueel en anderzijds beide ouders tezamen (het oudersysteem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de moeder en de vader?

d. Ten aanzien van ouderlijk gezag over de minderjarige: is er aanleiding om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat de beide ouders gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen?

e. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een zorg- en opvoedingsregeling rekening te houden met de behoeften van de minderjarige?

f. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarige?

g. Wat betekent dit voor de zorg- en opvoedingsregeling voor de minderjarige met de ouder die de minderjarige niet dagelijks verzorgt?

h. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarige?

9. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige – bij gebreke van overeenstemming tussen de vader en de moeder – de gestelde vragen te beantwoorden en het hof te adviseren omtrent de uitoefening van het gezag over de minderjarige en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

10. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw A.W.M. Verheijen, tel. nr. 070-3811500, e-mail: m.verheijen@rechtspraak.nl, en bij haar afwezigheid mevrouw H. van der Zande, tel. nr.: 070-3813116, e-mail: h.van.der.zande@rechtspraak.nl.

11. Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten, tot een maximumbedrag van € 4.500,- inclusief verschotten en de BTW, ten laste van het rijk zullen komen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW.

12. Het hof zal ambtshalve de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking schorsen, voor zover het betreft de door de rechtbank in het kader van de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgestelde regeling. Het hof overweegt daartoe als volgt. Executie van de door de rechtbank vastgestelde regeling zal, naar het hof verwacht, een zodanige druk op partijen leggen, dat het door de deskundige uit te voeren ouderschapsonderzoek nadelig zal worden beïnvloed, hetgeen niet in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Het belang gelegen in de omstandigheid dat ouders trachten tot overeenstemming te komen, is naar het oordeel van het hof groter dan het belang van de vader bij de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking op het punt van de toedeling van zorg- en opvoedingstaken. Dit neemt niet weg dat het hof het bestaan van contact tussen de vader en de minderjarige tot (wettelijk) uitgangspunt neemt en partijen in overweging geeft eventuele (al dan niet experimentele) adviezen op dit gebied van de deskundige op te volgen.

13. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

schorst met ingang van heden de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking, voor zover het betreft de door de rechtbank in het kader van de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgestelde regeling;

alvorens nader te beslissen:

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot zaterdag 27 november 2010 pro forma, ter fine als vermeld in rechtsoverweging 3;

gelast een deskundigenonderzoek als omschreven in rechtsoverwegingen 3 tot en met 11;

benoemt tot deskundige mevrouw L. van Wesemael, voornoemd;

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk na 1 september 2010 het onderzoek aan te vangen;

bepaalt dat de kosten van de deskundige door de griffier zullen worden betaald en ten laste van ’s Rijks kas zullen komen, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 11 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris,onderwiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. C.A.R.M. van Leuven; en bij diens ontstentenis: mr. M.J. de Haan-Boerdijk;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de advocaat van de moeder binnen twee weken na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen en dat de ouders alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig voor de hierboven vermelde pro-formadatum het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het ouderschapsonderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Punselie, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2010.