Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4483

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
105.007.278/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU3101, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BU3101
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Exploot van de dagvaarding in hoger beroep juist uitgebracht, nu geen schorsing van de procedure ex 225 Rv is gevraagd. Verknochtheid aandelen in BV. De aandelen in de BV zijn tot de ontbonden huwelijksgemeenschap blijven behoren. Onvoldoende gesteld om te concluderen dat de overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen door bedrog of dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 105.007.278

Rolnummer rechtbank : 254525

arrest van de familiekamer d.d. 20 april 2010

inzake

1. [appellante],

wonende te `s-Gravenhage,

appellante,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen, te `s-Gravenhage

tegen

2. [geïntimeerde 1],

en

[geïntimeerde 2],

beiden wonende te `s-Gravenhage,

geïntimeerden,

advocaat mr. A.H.M. van den Steenhoven, te `s-Gravenhage.

3. De gezamenlijke erfgenamen van [de vader], hierna ook: erflater, bij leven wonende te `s-Gravenhage,

geïntimeerden sub 3,

geen advocaat heeft zich gesteld.

Het geding

Bij exploot van 30 juli 2007 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 mei 2007 van de rechtbank te `s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft appellante vijf grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden.

Appellante heeft nog een akte houdende overlegging producties genomen.

Op 26 maart 2010 is de zaak door de advocaten van partijen bepleit.

Ter zitting heeft appellante haar procesdossier overgelegd en partijen hebben om arrest gevraagd. Afgesproken is dat er alleen op het dossier van appellante arrest wordt gewezen.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Appellante vordert dat het het hof behage, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

2. Te vernietigen, het vonnis van de rechtbank `s-Gravenhage, sector civiel recht op 2 mei 2007 gewezen zaak in de zaak met rolnummer 05-3695, tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende:

1. De (primaire en de meer subsidiaire) vorderingen van geïntimeerden af te wijzen.

2. Voor zover het gerechtshof van oordeel zou zijn dat aan de akte d.d. 17 december 2001 wel rechtsgevolg toekomt met betrekking tot de verdeling van de aandelen en voor zover het gerechtshof het vonnis van de rechtbank `s-Gravenhage, sector civiel recht op 2 mei 2007 gewezen in de zaak met rolnummer 05-3695 dienaangaande in stand houdt, de in de vorenstaande akte d.d. 17 december 2001 besloten partiële verdeling van aandelen te vernietigen wegens bedrog door gedaagden in reconventie.

3. Geïntimeerden sub 3 te veroordelen om binnen twee maanden na het te dezer zake te wijzen arrest rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de door hen, al dan niet in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [de moeder], sedert 18 december 1999 gevoerde beheer en de verrichte daden van beschikking met betrekking tot de nalatenschap van [de moeder] voornoemd, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat geïntimeerden sub 3 in gebreke zullen blijven aan dit bevel te voldoen.

4. Geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instantiën, waaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van het te dezer zake te wijzen arrest.

De appeldagvaarding

3. Geïntimeerden zijn van mening dat het exploot van de dagvaarding aan de gezamenlijke erfgenamen niet op de juiste wijze is betekend.

4. Door appellante wordt dit bestreden. Zij verwijst naar artikel 225 Rv.

5. Het hof overweegt als volgt. Op 5 mei 2006 is erflater overleden. Uit artikel 225 Rv. volgt dat een van de gronden voor schorsing is het overlijden van een partij. Uit de stukken volgt dat de procedure niet is geschorst.

6. De procedure wordt voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij indien, nadat zich een schorsingsgrond heeft voorgedaan, de wederpartij de schorsing achterwege laat. In het onderhavige geval is ondanks het overlijden van erflater geen schorsing van de procedure gevraagd. De procedure is derhalve door de oorspronkelijke partij voortgezet. Het exploot van de dagvaarding is derhalve juist uitgebracht.

Goede procesorde

7. Geïntimeerden zijn van mening dat appellante in strijd met een goede procesorde handelt, aangezien zij op zo een korte termijn voor de zitting, een juridisch advies in het geding heeft gebracht. Door deze korte termijn zijn geïntimeerden niet in staat om eveneens een juridisch advies in het geding te brengen.

8. Appellante stelt dat zij stukken - waaronder het juridische advies - binnen de daartoe gestelde termijn in het geding heeft gebracht.

9. Het hof overweegt als volgt. De stukken zijn binnen de daartoe gestelde termijn in het geding gebracht. Het hof is van oordeel - mede gezien het daarop gerichte commentaar van geïntimeerden bij pleidooi - dat het ingebrachte juridische advies niet van een dermate omvang of complexiteit is dat geïntimeerden niet naar behoren hierop hebben kunnen reageren. Gezien deze feiten en omstandigheden acht het hof de handelwijze van appellante niet in strijd met een goede procesorde.

De akte van 17 december 2001

10. Het hof bespreekt de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk.

11. De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt, is of de akte van verdeling van 17 december 2001 nietig is.

12. Appellante stelt onder meer het navolgende:

• De aandelen in [de B.V.] bleven wegens verknochtheid - ze stonden op zijn naam - eigendom van [de vader], slechts de onverdeelde helft van de waarde van de aandelen viel in de nalatenschap van erflaatster.

• Anders gezegd, de wil van de erfgenamen was slechts gericht op de partiële verdeling van de nalatenschap van erflaatster – de helft van de waarde van de 20 door [de vader] gehouden aandelen – en niet op de overdracht door [de vader] van de door hem gehouden aandelen die niet in de nalatenschap vielen aan zijn zoons.

• Het hybride karakter dat de rechtbank aan de akte van 17 december 2001 ten onrechte toedicht, impliceert, dat enerzijds niet een verdeling tot stand komt en anderzijds niet een gewone overdracht van de aandelen.

• Het beroep op dwaling dat strekt tot vernietiging van de in de akte vervatte overeenkomst dient dus op de voet van art 6:228 BW te worden beoordeeld met name of appellante al dan niet met een juiste voorstelling van zaken haar medewerking aan de totstandkoming en uitwerking van de akte heeft verleend.

13. Geïntimeerden stellen onder meer het navolgende:

• Ook in de akte is onderkend dat de aandelen in beide gemeenschappen vielen.

• Bij de akte van 17 december 2001 zijn bovendien alle deelgenoten in beide gemeenschappen verschenen. Zij zien dan ook niet goed in waarom de overweging van de rechtbank dat de aandelen zijn overgedragen vanuit de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap niet juist zou zijn.

• Zij hebben er overigens goede nota van genomen dat appellante in pos. II.3 heeft onderkend dat de aandelen wegens verknochtheid nog immer eigendom waren van [de vader] en dat slechts de onverdeelde helft van de aandelen in de nalatenschap van [de moeder] viel.

• Voor zover de akte ook een partiële verdeling behelst heeft appellante als deelgenote in de nalatenschap van haar moeder met recht meegetekend.

• De stelling van de zijde van appellante in pos II.5 dat de wil van de erfgenamen slechts gericht zou zijn geweest op de partiële verdeling van de nalatenschap en niet op de overdracht door [de vader] van de aandelen aan zijn zoons, is niet juist en in het licht van het verslag van de bespreking tussen partijen van 9 april 2001 ook niet houdbaar.

• Nu appellante uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar recht de overeenkomst en de akte te vernietigen terwijl de aard van de akte en deze overeenkomst bovendien in de weg staan aan vernietiging, gaat het beroep op dwaling niet op.

• Er is geen sprake geweest van een onbehoorlijke voorlichting door de notaris en evenmin van een misleidende inhoud.

Verknochtheid van de aandelen

14. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

15. Appellante stelt in haar memorie van grieven dat de aandelen in [de B.V.] aan erflater verknocht waren en om die reden niet in de huwelijksgoederengemeenschap vielen. Slechts de waarde van de aandelen vielen in de huwelijksgoederengemeenschap. Uit het advies van Kraan, dat door appellante in het geding is gebracht, volgt dat de hiervoor genoemde aandelen in de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vielen van erflater en erflaatster.

16. Kraan stelt: "Tot de twintig aandelen in [naam bedrijf] B.V. waren dus gerechtigd: vader [naam] voor de helft plus 1/4 van de helft of 5/8, en ieder van de kinderen voor 1/8.

17. Of een goed verknocht is wordt bepaald door de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

18. De aandeelhouder staat tot de vennootschap in een rechtsbetrekking die beheerst wordt door het vennootschapsrecht. Deze ontstaat door de verwerving van de aandelen. De met het aandeelhouderschap gegeven zeggensmacht is onlosmakelijk verbonden aan het aandeel.

19. Zeggenschapsrecht is echter geen zelfstandig goed. Het zeggenschapsrecht is gekoppeld aan het vermogensrecht zijnde de aandelen in de [de B.V.]

20. De aard van het goed zijnde de aandelen in [de B.V.] brengt niet naar maatschappelijke normen met zich dat dit goed aan erflater zijnde [de vader] verknocht is, daaraan doet niet af dat het zeggenschapsrecht op de aandelen uitsluitend aan erflater toekwam.

Wat valt in de voormalige huwelijksgoederen gemeenschap?

21. Erflaatster is op 18 december 1999 overleden. Door het overlijden van erflaatster is de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van erflaatster en erflater ontbonden. De voormalige huwelijksgoederengemeenschap is vanaf datum overlijden van erflaatster vatbaar voor verdeling.

22. Voor de beantwoording van de vraag wat tot de nalatenschap van erflaatster behoort, is relevant op welke wijze de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden.

23. Uit het testament van erflaatster volgt dat erflater een keuzelegaat had. Erflater heeft het keuzelegaat aanvaard echter de aandelen in [de B.V.] zijn niet aan hem geleverd. Ondanks het feit dat erflater het legaat heeft aanvaard heeft in goederenrechtelijk zin geen levering aan hem plaatsgevonden. De aandelen in [de B.V.] zijn derhalve tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap blijven behoren.

De verdeling van twee gemeenschappen

24. Op 17 december 2001 is er ten overstaan van notaris De Gier een akte verdeling gepasseerd. Bij deze akte waren betrokken:

• Erflater

• [kind 1], geboren [in] 1952

• [kind 2], geboren [in] 1955

• [kind 3], geboren [in] 1961.

25. Uit de akte volgt onder meer:

• Het huwelijksvermogensregime van erflaatster en erflater.

• De vererving van een deel van de nalatenschap van erflaatster.

• Wat onder meer tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap behoorde, te weten de aandelen in [de B.V.].

• De levering van de aandelen aan geïntimeerden.

26. Op 9 april 2001 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij aanwezig waren:

• Erflater

[de kinderen en S.]

27. In deze bespreking is gesproken over de overdracht van de aandelen. Van de bespreking is een verslag gemaakt. In het verslag is onder meer opgenomen:

" [S.] merkt op dat, nu alle partijen het eens zijn over de waarde van de aandelen (20 stuks) welke sinds 19 december 1999 tot de onverdeelde boedel behoren, de boedel in afwijking van het testament verdeeld zou kunnen worden ten einde gebruik te maken van een faciliteit in de wet op de inkomstenbelasting".

28. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen brengt een redelijke uitleg van de akte van 17 december 2001 met zich dat het de bedoeling van partijen is geweest om te komen tot een gedeeltelijke verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van erflaatster en erflater en een gedeeltelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster voor zover de verdeling betrekking had op de aandelen in [de B.V.] Het hof acht niet relevant dat de bewoordingen in de akte van 17 december 2001 niet steeds even consistent zijn aangezien de bedoeling van partijen naar het oordeel van het hof vaststaat.

29. In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof sprake van een samenval van rechtsmomenten waarbij een partiële verdeling heeft plaatsgevonden van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap en de nalatenschap van erflaatster voor zover betrekking hebbend op de hiervoor genoemde aandelen.

30. Alle deelgenoten hebben aan de verdeling deelgenomen, alle deelgenoten wisten dan wel konden redelijkerwijs weten waarover het ging. Voorts zijn de aandelen aan geïntimeerden toegedeeld en geleverd.

Dwaling en bedrog

31. Op basis van de door appellante gestelde feiten en omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen door bedrog of dwaling. Op geen enkele wijze heeft appellante aangetoond dat de rechtshandeling tot stand is gekomen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling of het opzettelijk onthouden van relevante gegevens.

32. Ook heeft appellante niet aangetoond dat sprake is van dwaling. Er heeft een bespreking plaatsgevonden op 9 april 2001 waarbij appellante aanwezig was. Mede op basis van deze bespreking is de akte van 17 december 2001 opgesteld welke akte appellante in concept was toegestuurd. Indien appellante vragen had gehad omtrent de akte had zij die kunnen stellen.

33. Door het terug sturen van de volmacht aan de notaris mochten de overige deelgenoten er op vertrouwen dat appellante zich met de inhoud van de akte van 17 december 2001 kon verenigen. Daarmee verwerpt het hof tevens het verweer dat de volmacht zich slechts zou beperken tot de afwikkeling van de nalatenschappen voor zover het de aandelen betrof.

Rekening en verantwoording

34. Appellante wenst dat de gezamenlijke erfgenamen te weten, appellante en geïntimeerden, rekening en verantwoording afleggen met betrekking tot de door hen al dan niet in de hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster, sedert 18 december 1999 gevoerde beheer.

35. Geïntimeerden stellen dat alle erfgenamen ervan zijn uit gegaan dat het legaat aan erflater was afgegeven en alle partijen hebben dienovereenkomstig gehandeld. Gelet op de houding van alle partijen heeft geen van hen gedacht om in de periode ná het overlijden van erflaatster rekening en verantwoording te vragen. Door het overlijden van erflater op 5 mei 2006 is bovendien de enige mogelijkheid om nog tot enige vorm van rekening en verantwoording te komen, niet meer mogelijk.

36. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de gezamenlijke erfgenamen geen rekening en verantwoording kunnen afleggen over het door erflater gevoerde beheer over de nalatenschap van erflaatster. Na het overlijden van erflaatster heeft alleen erflater het beheer en de beschikking gehad over het vermogen. Van de erfgenamen kan in dit specifieke geval in redelijkheid niet gevorderd worden dat zij rekening en verantwoording afleggen over een beheer dat door erflater is gevoerd.

Bekrachtiging

37. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

Proceskosten

38. Gezien het feit dat appellante in dit hoger beroep in het ongelijk is gesteld acht het hof het redelijk en billijk dat zij in de proceskosten wordt veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 2 mei 2007 van de rechtbank te `s-Gravenhage tussen partijen gewezen;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot deze uitspraak begroot op € 2.982,-, gespecificeerd als volgt:

€ 300,- vastrecht en

€ 2.682,- salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Husson en Burgers-Thomassen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2010 in aanwezigheid van de griffier.