Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4411

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
200.009.011/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Verschuldigheid van dwangsommen. Maximering van de verschuldigde dwangsommen. Aansprakelijkheid voor extra kosten die de vrouw heeft moeten maken omdat de man niet bij de notaris is verschenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 200.009.011

Rolnummer rechtbank : 72469

arrest van de familiekamer d.d. 19 januari 2010

inzake

[appellant],

wonende te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.S. van der Klauw te Rotterdam

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland.

Het geding

Bij dagvaarding van 18 juni 2008 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 19 maart 2008 tussen partijen gewezen. Hij heeft daarbij acht grieven aangevoerd en gevorderd om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen, het vonnis te vernietigen, de vrouw in de door haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen niet ontvankelijk te verklaren althans haar deze te ontzeggen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de man in eerste instantie alsnog toe te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties.

Ter rolzitting van 21 april 2009 heeft de man het schorsingsverzoek ingetrokken.

De vrouw heeft bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende wijziging van eis gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en de man te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van het in deze te wijzen arrest mee te werken aan het toescheiden aan de vrouw tegen betaling door haar aan de man van € 151.934,- van zijn onverdeelde helft in de onroerende zaken: de woning met garage [in de] gemeente Numansdorp [perceel1], het woonhuis met garage en toebehoren [naastgelegen woning in de gemeente] Numansdorp [perceel 2] en [perceel 3], zulks op straffe van een dwangsom ad € 1.000,00 voor elke dag dat de man daarmee in gebreke blijft, een gedeelte van een dag geldende als een dag. Voorts heeft de vrouw gevorderd de man te veroordelen tot betaling van (het hof leest:aan) de vrouw van een schadevergoeding ad € 6.483,16, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf “heden” tot de dag der algehele voldoening.

Voorts heeft de vrouw een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat het haar is toegestaan om datgene dat de man ter zake aan haar verschuldigd is te verrekenen met de koopsom van € 151.934,- met veroordeling van de man in de kosten in beide instanties.

De man heeft een memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende wijziging van eis genomen. Uit het petitum blijkt evenwel niet van een wijziging van eis.

Op 10 december 2009 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten, die pleitnota’s hebben overgelegd.

Voorafgaand aan het pleidooi heeft de advocaat van de vrouw een vijftal producties aan het hof gezonden, ingekomen op 4 december 2009, die als bij het pleidooi overgelegd worden beschouwd.

Na afloop van het pleidooi hebben partijen arrest gevraagd; de advocaat van de vrouw onder overlegging van haar procesdossier. Partijen hebben het hof verzocht op de ter gelegenheid van het pleidooi overgelegde stukken en genoemd procesdossier arrest te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten, zoals genoemd in het bestreden vonnis sub 2 nu daartegen geen grieven zijn gericht. Het hof zal het principaal appel en het incidenteel appel gezien de onderlinge samenhang gezamenlijk behandelen.

2. Het gaat om het volgende.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de man veroordeeld om tegen betaling door de vrouw aan hem mee te werken aan de toescheiding aan de vrouw van diverse woningen, die aan partijen gemeenschappelijk toebehoren en wel op verbeurte van een dwangsom.

De man bepleit, dat de woningen aan hem hadden moeten worden toegescheiden.

Hij maakt bezwaar tegen de door de vrouw voorgestane verrekening van de door hem verbeurde dwangsommen met het bedrag dat hem krachtens de verdeling en in verband met de toescheiding toekomt.

Hij maakt bovendien bezwaar tegen toewijzing van de schadevergoeding en de hoogte daarvan, welke schadevergoeding de vrouw heeft gevorderd omdat de man niet op het tijdstip waartegen hij door de notaris was opgeroepen is verschenen en welke schade dit niet verschijnen bij de vrouw heeft veroorzaakt.

3. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de belangen van beide partijen afgewogen en is tot het oordeel gekomen dat de vrouw, mede gelet op de belangen van de kinderen van partijen, het meeste belang heeft om de woningen op haar naam te krijgen.

4. De man heeft zich daartegen verzet in hoger beroep en heeft aangevoerd dat hij in staat en bereid is de vrouw haar aandeel in de woningen te betalen en overigens de woningen te kunnen financieren. Hij heeft aangevoerd dat hij er een groot belang bij heeft dat hij wederom de beschikking krijgt over de onroerende zaken omdat hij dan van daaruit zijn bedrijf kan uitoefenen en daarin gereedschap, bouwmaterialen en machines kan opslaan. Hij heeft deze nu noodgedwongen in zijn huidige woning moeten opslaan en hij beschikt niet over voldoende financiële middelen om voor de opslag bedrijfsruimte te huren. Voorts brengt het belang van de kinderen mee, dat hij weer in de woning kan wonen, zodat hij met zijn zoons optimaal gebruik kan maken van het zogeheten jeugdhonk, dat hij heeft ingericht ten behoeve van de kinderen. Hij stelt dat de kinderen vinden dat de torenflat 50/52 aan hem moet worden toegedeeld en heeft daaromtrent verklaringen van de kinderen overgelegd.

5. Het hof overweegt als volgt.

In hoger beroep staat vast, dat de man inmiddels heeft meegewerkt aan de toedeling en levering van de woningen aan de vrouw. Voorts staat vast, dat de twee kinderen van partijen gescheiden wonen, bij iedere ouder één van de kinderen.

6. De man heeft niet gegriefd tegen de overwegingen van de rechtbank, waarbij de rechtbank een aantal door beide partijen aangevoerde omstandigheden als niet van doorslaggevende betekenis heeft aangemerkt, zodat het hof ook daarvan zal uitgaan.

In hoger beroep heeft de man weliswaar aangevoerd, dat hij op de woningen is aangewezen om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen, maar hij heeft niet met voldoende onderbouwing gesteld, dat hij over de daartoe benodigde financiële mogelijkheden beschikt. In dit verband is van belang dat hetgeen de man heeft gesteld over zijn mogelijkheden om de vrouw uit te kopen, in tegenspraak is met zijn stelling dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om voor de opslag van zijn materialen andere bedrijfsruimte te huren. Uit de door hem overgelegde financiële gegevens volgt bovendien niet, dat de man in staat is de vrouw uit te kopen. Hij heeft voorts zijn stelling, dat hij sedert het verlaten van de woningen niet in staat is zijn bedrijf behoorlijk uit te oefenen onvoldoende onderbouwd. Nu de toedeling inmiddels heeft plaatsgevonden verzet de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat gezien het bovenstaande de man de mogelijkheid wordt geboden de woningen aan hem te laten toedelen.

Dit oordeel brengt mee dat het hoger beroep van de man in zoverre faalt. De vrouw heeft geen belang bij haar vordering voor zover deze betrekking heeft op het meewerken van de man aan de toescheiding van de woningen; die vordering zal worden afgewezen.

7. De man heeft zich verzet tegen de stelling van de vrouw dat hij dwangsommen heeft verbeurd. Hij stelt, dat het recht om deze dwangsommen te vorderen is verjaard omdat de vrouw de verjaringstermijn niet heeft gestuit. Voorts stelt hij dat het niet redelijk is dat de vrouw dwangsommen vordert gezien de tussen hen bestaand hebbende relatie en hij niet onwillig is geweest bij de notaris te verschijnen, althans dat de vrouw geen actie heeft ondernomen althans niet heeft laten blijken te volharden bij haar standpunt, dat de woningen aan haar zouden moeten worden toebedeeld. Daarbij beroept de man zich erop dat hij inmiddels hoger beroep had ingesteld en een kort geding tot schorsing van de verklaring houdende uitvoerbaarheid bij voorraad had aangespannen.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat de notaris de man heeft uitgenodigd om mee te werken aan een akte waarbij overeenkomstig het bestreden vonnis de tenaamstelling van de woningen ten behoeve van de vrouw zou worden geëffectueerd en de man alstoen niet is verschenen. Dit brengt mee, dat de man in beginsel dwangsommen heeft verbeurd met ingang van - zo staat tussen partijen vast - 4 juli 2009.

9. Het hof is voorts van oordeel, dat het beroep van de man op verjaring faalt. Niet bestreden is immers dat de verschuldigdheid van de dwangsommen is aangezegd met ingang van 4 juli 2009; evenmin is bestreden, dat de vrouw bij gelegenheid van het kort geding in augustus 2009 bij de voorzieningenrechter heeft betoogd, dat aanspraak werd gemaakt op de dwangsommen en dat de vrouw in december 2009 wederom expliciet de man heeft gewezen op zijn verplichtingen ter zake. De verjaringstermijn is derhalve door de vrouw gestuit.

10. Ten aanzien van de hoogte van de verbeurde dwangsommen overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat de man in gebreke is gebleven gehoor te geven aan de oproep van de notaris voor het verlijden van de akte, tot medewerking waaraan hij - op een redelijke termijn - was veroordeeld bij het bestreden vonnis. Dit brengt mee, dat de man dwangsommen verschuldigd is geworden.

Tussen partijen staat vast, dat de man de voormalige echtelijke woning, die van de woningen deel uitmaakt, reeds had verlaten en de vrouw feitelijk het genot van de woningen had. Het gaat dus louter om een juridische afwikkeling van de boedel.

Het hof is van oordeel, dat het op bovengenoemde gronden redelijk en billijk is, dat de verbeurde dwangsommen worden gemaximeerd en wel tot een bedrag van € 20.000,-. De grief van de man slaagt dus in zoverre.

11. De vermeerdering van eis van de vrouw in hoger beroep betreft de extra kosten die zij heeft moeten maken omdat de man in gebreke is gebleven om op 27 juni 2008 bij de notaris te verschijnen voor het verlijden van de akte.

Haar vordering bestaat uit de volgende onderdelen:

- een bedrag van € 3.960,86, zijnde het verschil tussen de afrekeningen van de notaris voor de passeerdatum 27 juni 2008 en voor de passeerdatum 29 december 2008 dan wel een bedrag van € 3.080,80 betreffende een bereidstellingsprovisie om de oorspronkelijke rente uit de hypotheekofferte te kunnen vasthouden voor de rentevaste periode van 10 jaar.

- ter zake van kosten van de notaris voor de akte van non-comparitie P.M.

- een drietal facturen van haar financieel adviseur voor extra advies na het niet verschijnen van de man bij de notaris op 27 juni 2008, in totaal € 1.772,60;

- een factuur voor een hertaxatie in verband met de verlenging van de hypotheekofferte ad € 357,-;

- een tweetal facturen voor de huur van salonruimte (bedrijfsruimte), in totaal € 749,70.

Het totaal van bovengenoemde bedragen beloopt - behoudens de PM - € 6.840,16. de vrouw vordert in het petitum € 6.483,16.

12. Het hof is van oordeel, dat de man gehouden is op te komen voor de schadebedragen van € 3.080,80, € 357,- en € 749,70. Deze schadeposten zijn het directe gevolg van het nalaten van de man op eerste uitnodiging bij de notaris te verschijnen.

De nota’s van haar financiële adviseur van 24 juli 2008 en 8 januari 2009 zijn niet voorzien van enige omschrijving behoudens “advies”. Daaruit blijkt niet dat deze nota’s verband houden met het gestelde verzuim van de man. De nota van 11 mei 2009 bevat wel een omschrijving van die strekking en het hof is van oordeel, dat deze nota voor vergoeding door de man in aanmerking komt. Het gaat om een bedrag van € 136,85.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de vrouw geen opheldering gegeven over de kosten van de akte non-comparitie van de notaris. Deze kosten waren tot dat moment niet gemaakt en de vrouw heeft geen begroting van die kosten opgevraagd en aan het hof verstrekt, zodat deze kosten - mede gezien het tijdsverloop - niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Toewijsbaar is derhalve € 4.324,35.

Evenwel heeft de man aangevoerd, dat op de schade in mindering strekt het voordeel dat de vrouw heeft genoten door de verlate toescheiding. Zij heeft immers geen kosten gemaakt ter zake de door haar te betalen hypotheekrente. De man heeft dit voordeel becijferd op € 3.912,30. De vrouw heeft noch de verschuldigdheid, noch de hoogte van dit door haar genoten voordeel bestreden, zodat de vordering van de vrouw daarmee wordt verminderd, en aldus een bedrag groot € 412,05, te vermeerderen met wettelijke rente zoals gevorderd, resteert.

13. De conclusie van het bovenstaande is, dat beide partijen gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld. Daarin is voldoende aanleiding gelegen om de proceskosten te compenseren zoals hierna vermeld. Omwille van de leesbaarheid zal het hof het bestreden vonnis integraal vernietigen en voor zover nodig herformuleren.

Beslissing in principaal appel en incidenteel appel

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 19 maart 2008 en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man ter zake van dwangsommen verschuldigd is een bedrag van € 20.000,- en ter zake van schadevergoeding een bedrag groot € 412,05, laatstgenoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2009 tot de dag van de voldoening dan wel van de verrekening, zoals hierna genoemd;

verstaat dat de vrouw gerechtigd is deze bedragen te verrekenen met het aan de man toekomend bedrag van € 151.934,-;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het door partijen meer of ander gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Husson, Van Dijk en Van de Poll en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2010 in aanwezigheid van de griffier.