Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4407

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
BK-09-00541
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de waarde van de woning op volstrekt overtuigende wijze aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00541

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 28 juli 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juni 2009, nr. AWB 08/6006 WOZ, betreffende na te noemen beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwkoop, hierna: de Inspecteur, heeft ten aanzien van belanghebbende ter zake van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z], hierna: de woning, een beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) gegeven, waarbij de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2005 is vastgesteld op € 572.952. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen over het jaar 2007 bekendgemaakt.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Het bezwaar wordt gelet op artikel 30, tweede lid van de Wet WOZ, geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Op het beroep van belanghebbende heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding In hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

6 juli 2010, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een vrijstaande woning met agrarische bestemming. De inhoud van de woning is ongeveer 500 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 2.676 m².

3.2. De Inspecteur heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 19 oktober 2008 door [A], WOZ-taxateur te [P]. In dit taxatierapport is de waarde van de woning getaxeerd op € 572.952,-. Naast gegevens van de woning, bevat dit taxatierapport gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep nog van belang het volgende overwogen. Daarbij dient onder "eiser" te worden verstaan: belanghebbende, en onder "verweerder": de Inspecteur:

"3.8 Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

3.9 Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit het taxatierapport is de waarde van de woning bepaald met behulp van de vergelijkingsmethode. De in het taxatierapport genoemde vergelijkingsobjecten zijn vergelijkbaar met de woning. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning wat betreft onder meer inhoud, kaveloppervlakte, ligging en kwaliteit van de opstallen, is in het taxatierapport in voldoende mate rekening gehouden. Deze verschillen zijn niet van een zodanige omvang dat de genoemde vergelijkingsobjecten te dezen niet goed bruikbaar zijn. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

3.10 Eiser heeft aangevoerd dat de aan de woning toegekende waarde niet in een juiste verhouding staat tot de waarde die voor het vorige tijdvak aan de woning is toegekend. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige tijdvak vastgestelde waarde is daarom slechts van belang of de aan de woning toegekende waarde in overeenstemming is met het wettelijk waardebegrip, zoals bovenstaand weergegeven. Aan de verhouding tussen voor twee opvolgende tijdvakken vastgestelde waarden komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

3.11 Bij de taxatie van de woning heeft verweerder rekening gehouden met de agrarische bestemming van het object, waarbij een lagere waarde van de grond en de opstal ten opzichte van vergelijkbare percelen met burgerbestemming is gehanteerd. Dit resulteert in waardevermindering van € 200.000.

3.12 Eiser heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat er onvoldoende rekening is gehouden met het verschil in waarde, maar hij heeft naast persoonlijke omstandigheden geen nadere stukken ingebracht om zijn standpunt te onderbouwen. Met de ligging, grootte en bestemming van het perceel is naar oordeel van de rechtbank voldoende mate rekening gehouden. De persoonlijke omstandigheden waarop eiser zich beroept, hebben geen betekenis bij het vaststellen van de waarde van de woning volgens het wettelijk stelsel.

3.13 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog is vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard."

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld de vraag of de Inspecteur de waarde van de woning naar een te hoog bedrag heeft vastgesteld, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de beschikking tot een naar een waarde van

€ 550.0000 en een overeenkomstige vermindering van de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

7.1. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de waarde van de woning per de waardepeildatum niet op een te hoog bedrag is vastgesteld, deze waarde op volstrekt overtuigende wijze aannemelijk heeft gemaakt. Het in dit verband overgelegde taxatierapport, de aldaar vermelde vergelijkingsobjecten en hetgeen de taxateur ter zitting aan toelichting heeft verstrekt, bevestigen dat aan de woning ten minste een waarde van € 572.952 dient te worden toegekend.

7.2.1. Hetgeen belanghebbende daartegen over heeft aangevoerd heeft naar 's Hofs oordeel op geen enkele wijze de beschikte waarde aangetast. Daarbij is het Hof uitgegaan van de huidige bestemming als bedrijfswoning. Dat de Inspecteur deze waarde met een bedrag van € 200.000 heeft afgewaardeerd ten opzichte van een waardering van de woning als burgerwoning acht het Hof eerder meer welwillend dan juist. Dat deze afwaardering ten minste € 220.000 dient te bedragen, zoals belanghebbende heeft gesteld en de Inspecteur gemotiveerd heeft bestreden, acht het Hof, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.1 is overwogen, niet aannemelijk geworden.

7.2.2.Voorts is de waarde per de vorige waardepeildatum niet van belang voor de huidige vaststelling van de waarde, nu de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen om de waarde per waarderingsronde opnieuw vast te stellen, dit op basis van op of rond de waardepeildatum gerealiseerde transactieprijzen van vergelijkbare woningen.

7.2.3. Hetgeen belanghebbende nog overigens of anderszins heeft aangevoerd vermag de vastgestelde waarde niet te verminderen.

7.3. Ten overvloede overweegt het Hof dat, in het l