Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4207

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
22-000773-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als schipper ernstig miskend, door te handelen zoals bewezenverklaard. Ten gevolge van dit aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van de verdachte heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomen, te weten een incomplete dwarslaesie. Blijkens een brief van de revalidatiearts van het slachtoffer zal het slachtoffer rolstoelafhankelijk blijven.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto en een boot terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000773-10

Parketnummer: 11-800541-08

Datum uitspraak: 20 juli 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1953,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 juli 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 8 augustus 2008 te Maasdam, gemeente Binnenmaas, althans in de gemeente Binnenmaas, roekeloos, in elk geval zeer/grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of onoplettend

(terwijl hij verdachte (zwaar) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde)

als schipper van een snelle motorboot (speedboot), daarmee varende op de Binnenmaas en/of de Binnenbedijkte Maas, een opvarende (genaamd: [naam slachtoffer]) niet verboden, althans niet gewaarschuwd om tijdens het varen niet op de punt van de boot te gaan staan

en/of

is hij verdachte - terwijl voornoemde opvarende op het punt van de boot stond - (onverwachts) van koers veranderd, tengevolge waarvan die opvarende in het water is gevallen en/of (vervolgens) onder de boot is terechtgekomen en/of in aanraking is gekomen met de schroef van de snelle motorboot,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een (incomplete) dwarslaesi, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 augustus 2008 te Maasdam, gemeente Binnenmaas, althans in de gemeente Binnenmaas, als schipper van een snelle motorboot daarmede varende op de Binnenmaas en/of de Binnebedijkte Maas, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen, terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaart-politiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan oevers en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht,

immers heeft hij een opvarende (genaamd: [naam slachtoffer]) niet verboden, althans niet gewaarschuwd om tijdens het varen niet op de punt van de boot te gaan staan

en/of

is hij verdachte - terwijl voornoemde opvarende op het punt van de boot stond - (onverwachts) van koers veranderd, tengevolge waarvan die opvarende in het water is gevallen en/of (vervolgens) onder de boot is terechtgekomen en/of in aanraking is gekomen met de schroef van de snelle motorboot en letsel heeft bekomen;

2.

hij op of omstreeks 8 augustus 2008 in de gemeente Binnenmaas op een scheepvaartweg, de Binnenmaas en/of de Binnenbedijkte Maas, een varend schip (snelle motorboot(speedboot)) heeft gevoerd en/of gestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 650 microgram, althans 520 microgram, in elk geval hoger dan driehonderdvijftig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij op of omstreeks 08 augustus 2008 te Maasdam, gemeente Binnenmaas, als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 650 microgram, althans 520 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voor-waardelijk, alsmede tot een geldboete van EUR 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk. Voorts is een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is overeenkomstig de overlegde pleitnota vrijspraak van de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit.

In de kern weergegeven heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat het ongeval niet aan de schuld van de verdachte is te wijten. Er is zijns inziens geen sprake geweest van roekeloos varen door de verdachte maar wel van eigen schuld van het slachtoffer.

Oordeel van het hof

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen staat ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde het navolgende vast.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op 8 augustus 2008 op het water de Binnenbedijkte Maas in de gemeente Binnenmaas als schipper voer met een snelle motorboot, een speedboot. Hij heeft [naam slachtoffer] niet verboden om tijdens het varen op de punt van de boot te gaan staan1

Uit een ademanalyseonderzoek en een daarop volgend onderzoek van het NFI, inhoudende een herberekening van het ademalcoholgehalte, volgt dat het alcoholgehalte van de adem van de verdachte op dat moment 520 microgram moet zijn geweest.2

Op de boot waren toen ook de dochter, schoonzoon en twee kleinkinderen van de verdachte en het latere slachtoffer [naam slachtoffer] aanwezig. Het slachtoffer stond op een gegeven moment met zijn blote voeten op de natte voorplecht van de boot.3

Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat geen van de opvarenden een reddingsvest droeg. Bij het maken van een bocht viel het slachtoffer overboord. De verdachte voelde dat het slachtoffer de schroef van de boot raakte. De verdachte heeft ook verklaard dat hij wist dat het slachtoffer die dag alcoholhoudende drank had gedronken en dat hij niets tegen het slachtoffer heeft gezegd over het feit dat hij op de punt van de boot ging staan.4

Het slachtoffer heeft tegenover de politie verklaard dat hij tijdens het varen op de punt van de boot stond toen hij voelde en hoorde dat de boot snelheid meerderde. Op een voor het slachtoffer onverwacht moment stuurde de verdachte de boot naar links. Het slachtoffer verloor zijn evenwicht en viel van de boot. Het volgende moment kwam hij bij onder water en voelde hij zijn benen niet meer.5

Uit een formulier medische informatie blijkt dat het slachtoffer onder meer een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen.6

Voornoemde feiten en omstandigheden in onderling samenhang bezien brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte in zijn hoedanigheid als schipper van een snelle motorboot aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en dat aan zijn schuld is te wijten dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. In die hoedanigheid van schipper had de verdachte alle voorzorgsmaatregelen moeten nemen die volgens goed zeemanschap zijn geboden teneinde te voorkomen dat die [naam slachtoffer] in gevaar zou worden gebracht, hetgeen de verdachte heeft nagelaten. De eigen onvoorzichtigheid van het slachtoffer om met blote voeten op de natte voorplecht te gaan staan tijdens het varen, doet aan het vorenstaande niet af.

Ingevolge het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan naar het oordeel van het hof terzake feiten 2 en 3 met een opgave van de bewijsmiddelen worden volstaan, nu de verdachte de betreffende feiten ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 juli 2010 heeft bekend zoals deze in eerste aanleg bewezen zijn verklaard.

1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 juli 2010.

2. Het proces-verbaal van politie Zuid-Holland-Zuid, nr. PL1830/08-088128, d.d. 11 augustus 2008, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren V. de Jong, M.E. Rek en H. Westerlaken.

3. Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Nederland Forensisch Instituut, d.d. 12 september 2008, opgemaakt en ondertekend door drs. B.E. Smink, apotheker.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen worden ook in onderdelen slechts gebruikt ten bewijze van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud kennelijk betrekking hebben.

De geschriften zijn in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 8 augustus 2008 te gemeente Binnenmaas, aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest

terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde

als schipper van een snelle motorboot (speedboot), daarmee varende op de Binnenbedijkte Maas, een opvarende genaamd: [naam slachtoffer] niet heeft verboden om tijdens het varen op de punt van de boot te gaan staan

en

is hij verdachte - terwijl voornoemde opvarende op de punt van de boot stond - onverwachts van koers veranderd, tengevolge waarvan die opvarende in het water is gevallen en vervolgens onder de boot is terechtgekomen en in aanraking is gekomen met de schroef van de snelle motorboot,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een incomplete dwarslaesie, heeft bekomen;

2.

hij op 8 augustus 2008 in de gemeente Binnenmaas op een scheepvaartweg, de Binnenbedijkte Maas, een varend schip heeft gevoerd en gestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 520 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij op 08 augustus 2008 te Maasdam, gemeente Binnenmaas, als bestuurder van een voertuig, auto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 520 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op grond van de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - ten aanzien van feit 1 in de voetnoten 1 tot en met 6 aangeduide en ten aanzien van feiten 2 en 3 met nummers 1 tot en met 3 opgegeven - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 27, lid 2 van de Scheepvaartverkeerswet.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voor-waardelijk, alsmede tot een geldboete van EUR 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk.

Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde pleitnotities bepleit dat - indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen - bij de strafoplegging rekening zal worden gehouden met de werkzaamheden van de verdachte, welke hem niet in de gelegenheid stellen een werkstraf uit te voeren.

Het hof heeft de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als schipper ernstig miskend, door te handelen zoals bewezenverklaard. Ten gevolge van dit aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van de verdachte heeft [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel bekomen, te weten een incomplete dwarslaesie. Blijkens een brief van de revalidatiearts van het slachtoffer, d.d. 17 juni 2010, zal het slachtoffer rolstoelafhankelijk blijven.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto en een boot terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Aldus heeft de verdachte de verkeersveiligheid op de weg en op het water in gevaar gebracht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Daarnaast acht het hof een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur op zijn plaats.

Vordering tot schadevergoeding [naam slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [naam slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 25.000,-.

Blijkens een fax, d.d. 6 juli 2010, van de raadsman van de benadeelde partij, mr. J.H. van der Wouden, advocaat te Rotterdam, wenst de benadeelde partij zijn vordering niet te handhaven in hoger beroep.

Derhalve blijft de beslissing zoals gegeven in eerste aanleg bestaan. Het hof zal dan ook verklaren dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en bepalen dat zij de vordering slecht bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 308 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 27 en 31 van de Scheepvaartverkeerswet en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 100 (honderd) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgelijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. M.A. van der Ham en mr. M.F.L.M. van der Grinten, in bijzijn van de griffier mr. R. van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juli 2010.

mr. M.F.L.M. van der Grinten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 juli 2010.

2 Het proces-verbaal van politie Zuid-Holland-Zuid, d.d. 11 augustus 2008, PL1830/08-08-088128, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren V. de Jong, M.E. Rek en H. Westerlaken. En: een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het Nederland Forensisch Instituut, d.d. 12 september 2008, opgemaakt en ondertekend door drs. B.E. Smink, apotheker.

3 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 juli 2010.

4 Proces-verbaal van verhoor van de politie Zuid-Holland-Zuid, d.d. 8 augustus 2008, nr. PL1830/08-088117, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.E. Rek en V. de Jong.

5 Een geschrift, te weten een rapport in het kader van het project Victim Impact Statement, inhoudende de verklaring van [naam slachtoffer], opgemaakt door M.E. Rek van de politie Zuid-Holland-Zuid, d.d. 12 september 2008.

6 Een geschrift, te weten een formulier medische informatie, d.d. 13 oktober 2008, ingevuld en ondertekend door de arts A.N.G. van Pruimen-Romijn.