Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4015

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
200.037.522-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoefte, behoeftigheid en draagkracht. Rekening houden met aflossing schulden zodanig dat de man voor zijn 65ste levensjaar schuldenvrij zal zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.037.522/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-7231

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 2 juli 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 april 2009 van de rechtbank 's-Gravenhage.

De vrouw heeft op 25 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 1 juni 2010 en 2 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 juni 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Ter terechtzitting heeft de man nog een recente brief van 14 juni 2010 van het ABP overgelegd. Nu de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt tegen indiening daarvan, zal het hof deze brief in de beoordeling van het beroep betrekken.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2009 aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.310,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 27 augustus 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, en opnieuw beschikkende, met ingang van 1 juli 2009 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud vast te stellen op nihil en te bepalen dat de door de man aan de vrouw, op grond van de ten deze door het hof te geven beschikking, te veel betaalde bedragen door de vrouw aan de man dienen te worden terugbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud met ingang van een door het hof te bepalen ingangsdatum wordt vastgesteld op een lager bedrag dan de € 1.310,-- bruto per maand die de rechtbank heeft vastgesteld.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen.

Behoefte en behoeftigheid

4. In zijn eerste grief heeft de man de behoefte en behoeftigheid van de vrouw aan de orde gesteld. De man stelt dat de vrouw de hoogte van haar behoefte, € 1.810,-- per maand, onvoldoende heeft onderbouwd. De man stelt dat vanwege grote huwelijkse schulden het welstandsniveau van partijen de laatste jaren van het huwelijk niet hoog was en dat de behoefte van de vrouw niet hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande. De man stelt voorts dat aan de vrouw een hogere verdiencapaciteit kan worden toegekend. De vrouw kan volledig in haar eigen levensonderhoud voorzien indien zij haar huidige werkzaamheden zou uitbreiden tot een voltijds dienstverband.

5. De vrouw stelt dat zij haar behoefte wel degelijk heeft onderbouwd in de vorm van een behoefteberekening die in eerste aanleg is overgelegd. De vrouw betwist dat aan haar een hogere verdiencapaciteit kan worden toegekend. Zij werkt op dit moment 20 uur per week en is, mede gezien haar gezondheidstoestand, niet in staat om meer uren te gaan werken.

6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie wordt bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde rekening gehouden met alle relevante omstandigheden. De mate van welstand wordt onder meer bepaald aan de hand van het gezinsinkomen en het uitgavenpatroon van partijen ten tijde van het huwelijk. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Uit de overgelegde stukken volgt dat de man in 2008 een jaarinkomen had van ruim € 100.000,--. Het hof is in dat licht van oordeel dat, ook rekening houdend met het feit dat partijen in die periode toen ook al aanzienlijke schulden hadden, de door de vrouw gemotiveerde behoefteberekening van € 1.810,-- netto per maand alleszins redelijk is.

Het hof is voorts van oordeel dat aan de vrouw geen hogere verdiencapaciteit behoeft te worden toegerekend dan zij thans benut. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vrouw thans 58 jaar oud is en de vrouw te maken heeft met geestelijke en lichamelijke beperkingen als gevolg van haar slechte medische situatie, welke situatie overigens op zichzelf niet door de man wordt betwist. Onder deze omstandigheden hoeft van de vrouw niet gevergd te worden dat zij haar huidige werkzaamheden uitbreidt.

7. Uit het voorgaande volgt dat de grief van de man niet slaagt. Het hof zal uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 1.310,-- bruto per maand, zijnde de behoefte van de vrouw minus haar eigen inkomsten.

Draagkracht

8. De man heeft in zijn tweede, derde en vierde grief zijn draagkracht aan de orde gesteld. De man meent dat de rechtbank van een te hoog jaarinkomen aan zijn zijde is uitgegaan. In plaats van een jaarinkomen over 2008 van € 102.071,-- moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 97.443,--. In dat jaar heeft hij namelijk extra inkomsten ontvangen wegens niet genoten, en om die reden uitbetaalde, vakantiedagen, hetgeen een uitzonderingssituatie betreft. Voorts meent de man dat de rechtbank ten onrechte een lager bedrag aan aflossing van schulden in mindering heeft gebracht op zijn draagkracht dan hij had opgevoerd. De man stelt in dit verband dat een aantal schulden ten onrechte niet is meegenomen bij de berekening van zijn draagkracht en dat zijn belang om voor zijn 65ste levensjaar vrij van schulden te zijn, als gevolg waarvan hij een aanzienlijk bedrag aan aflossing per maand betaalt, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij partneralimentatie. Verder stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de advocaatkosten die hij heeft. Door zijn aflossingsverplichtingen is hij niet in staat deze kosten te betalen, maar hij komt evenmin in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand.

9. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw stelt dat van een hoger inkomen van de man als gevolg van het laten uitbetalen van niet genoten vakantiedagen meerdere jaren sprake is geweest en dat dit zijn eigen keuze is. De vrouw betwist de hoogte van de door de man gestelde maandelijkse aflossingen en meent dat de man ook na zijn 65ste levensjaar in staat zal zijn om de schulden af te lossen, aangezien hij dan een behoorlijk inkomen uit pensioen zal hebben. Voorts meent de vrouw dat de advocaatkosten geen prioriteit genieten boven de partneralimentatie.

10. Vooreerst stelt het hof vast dat partijen ter terechtzitting overeenstemming hebben bereikt dat als alimentatieverplichting tot 1 juni 2010 zal gelden hetgeen de man feitelijk heeft betaald. Dit brengt mee dat het hof de partneralimentatie zal beoordelen vanaf 1 juni 2010.

11. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van het inkomen van de man gaat het hof uit van hetgeen de man feitelijk heeft ontvangen. Daarbij merkt het hof op dat hoewel de extra inkomsten die de man heeft ontvangen uit hoofde van niet genoten vakantiedagen niet eenmalig is geweest, het hof van oordeel is dat van de man niet verlangd mag worden dat hij dit ook in de toekomst zal blijven doen, immers, een ieder heeft recht op het genieten van vakantiedagen. Het hof houdt derhalve rekening met een jaarinkomen van de man conform de jaaropgaven 2009 van het ABP, het nieuw te verwerven inkomen via [uitzendbureau] over de periode 15 juni tot en met 31 december 2010 zoals door de man ter terechtzitting gesteld en het inkomen uit [werkgever X]. Het hof houdt dus geen rekening met het inkomen uit [werkgever Y], nu dit dienstverband, zoals door de man gemotiveerd is gesteld en door de vrouw niet betwist, per februari 2010 is geëindigd. Daarnaast zal het hof rekening houden met een verlaging van de ABP-uitkering van 83% naar 73% van de laatstgenoten bezoldiging per 1 oktober 2010, zoals volgt uit de door de man overgelegde brief.

Wat betreft de lasten van de man overweegt het hof als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de door de man opgevoerde aflossingen aan schulden betrekking hebben op huwelijkse schulden, die volgens de man per 1 juni 2010 € 63.383,07 belopen, zodat het hof dit als vaststaand beschouwt. In dat licht is het hof van oordeel dat beide partijen er baat bij hebben dat de schulden, gelet op bijkomende kosten als rente, zo spoedig mogelijk worden afgelost door de man. Het hof acht het daarbij redelijk indien de man voor zijn 65ste levensjaar schuldenvrij zou zijn. Uitgaande van de door de man opgesomde schulden, welke door de vrouw in hoger beroep onvoldoende zijn bestreden, gezien de hoogte van deze huwelijkse schulden, de door de man overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat een bedrag van € 1.660,-- per maand aan aflossing en rente in dit geval aannemelijk is. Het hof zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde advocaatkosten, nu de man naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft gesteld om af te wijken van het uitgangspunt dat dit geen noodzakelijke last betreft die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting.

12. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de man, rekening houdend verder met zijn overige financiële omstandigheden, zoals door de rechtbank vastgesteld en waartegen door geen van partijen bezwaar is gemaakt, alsook zoals door hem in hoger beroep gesteld en door de vrouw niet dan wel onvoldoende bestreden, alsmede rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man uit hoofde van betaling van alimentatie toekomt, naar het oordeel van het hof een partneralimentatie toelaat van € 550,-- per maand vanaf 1 juni 2010 en van € 350,-- per maand met ingang van 1 oktober 2010. Het hof acht voormelde alimentatiebedragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

13. Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking wat betreft de partneralimentatie zal worden vernietigd. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 juli 2009 tot 1 juni 2010 op hetgeen hij feitelijk aan haar heeft voldaan;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 juni 2010 tot 1 oktober 2010 op € 550,-- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 oktober 2010 op € 350,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Husson en Van der Zanden, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.