Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4005

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
200.048.139
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding minderjarigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 juli 2010

Zaaknummer : 200.048.139

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 09-7354 en 09-7356

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. F.C. Frederiks te Zwijndrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 26 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 september 2009 van de rechtbank Dordrecht.

De moeder heeft op 8 februari 2010 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 24 maart 2010 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 6 november 2009, 6 januari 2010, 24 maart 2010 en 26 maart 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 15 april 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – voor zover in dit hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad – de vader veroordeeld met ingang van 1 juni 2008 tot betaling aan de moeder ten behoeve van de minderjarigen: [naam], geboren op [datum] 1998 te [plaats], en [naam], geboren op [datum] 1998 te [plaats], een alimentatie van € 307,- per maand per kind te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook te noemen kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de daarin bepaalde kinderalimentatie betreft en, naar het hof begrijpt, opnieuw rechtdoende, de moeder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie, althans haar verzoek daartoe af te wijzen.

3. De moeder bestrijdt het beroep van de vader en verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel, althans het appel af te wijzen met veroordeling van de vader in de kosten van de appelprocedure, de kosten van de procedure tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad daaronder begrepen. Voorts verzoekt de moeder het hof in incidenteel appel om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de vader veroordeeld is tot betaling van een kinderalimentatie van € 307,- per maand per kind, en, opnieuw rechtdoende, de vader alsnog te veroordelen tot betaling van een kinderalimentatie van € 450,- per maand per kind, ingaand 1 juni 2008, althans tot betaling van een bijdrage van € 350,- per maand per kind ingaand 1 juni 2008.

4. De vader verzet zich hiertegen.

5. De vader heeft zijn verzoek gegrond op het bepaalde in artikel 360 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking op 25 januari 2010 ingetrokken, zodat het hof hier geen beslissing over hoeft te nemen.

Wijziging van omstandigheden

6. De vader stelt dat de weergave door de rechtbank van de vaststaande feiten onvolledig is en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het nadere convenant onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig is. Voorts is de vader van mening dat de rechtbank de moeder ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar wijzigingsverzoek, nu er geen sprake is van relevante juridische wijzigingen.

7. De moeder stelt dat er wel degelijk sprake is van een wijziging van omstandigheden die een wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie rechtvaardigt.

8. Naar het oordeel van het hof is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant dat partijen op 27 maart 2002 hebben gesloten en de aanvulling daarop, welke op 12 oktober 2007 door partijen is ondertekend. Zo is er sprake van wijzigingen met betrekking tot de zorgverdeling van de minderjarigen, de inkomens van partijen, en wijzigingen in de privé-situaties van partijen, waaronder het krijgen van kinderen uit de nieuwe relaties. De gegevens die partijen bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant en de aanvulling daarop tot uitgangspunt hebben genomen bij de vaststelling van de kinderalimentatie zijn derhalve zodanig gewijzigd dat het hof van oordeel is dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een beroep van de moeder op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek rechtvaardigt. Op grond daarvan dient het hof de draagkracht van partijen opnieuw vast te stellen.

Behoefte van de minderjarigen

9. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de kosten van de kinderen met ingang van 2009 € 1.057,- per maand bedragen.

Draagkracht van de vader

Inkomen

10. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een bruto jaarinkomen van de vader van € 54.007,- per jaar, conform de jaaropgave 2008. Hierbij was sprake van een eenmalige provisie van € 2.500,-.

11. In haar eerste grief in incidenteel appel klaagt de moeder erover dat de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat het inkomen van de vader is gedaald nu hij zijn baan heeft opgezegd en ondernemer is geworden. De moeder gaat ervan uit dat de vader als vennoot thans meer verdient dan hij deed als werknemer in dienst van deze onderneming.

12. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot haar oordeel is gekomen; het hof neemt deze over. In de stellingen van partijen ziet het hof geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het hof houdt daarom bij de bepaling van de draagkracht van de vader rekening met een jaarinkomen van € 54.007,-, zoals dit blijkt uit de door de vader overgelegde jaaropgaaf 2008, alsmede met de werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering van € 2.248,- per jaar. Het hof acht het redelijk rekening te houden met de provisie, nu deze feitelijk door de vader is ontvangen.

Bijstandsnorm

13. De vader stelt dat de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de vader ten onrechte rekening heeft gehouden met de bijstandsnorm van een alleenstaande ouder. De nieuwe partner van de vader lijdt aan angststoornissen en kan niet in eigen levensonderhoud voorzien.

14. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft als productie 6 bij zijn appelschrift een verklaring van de huisarts overgelegd waarin staat dat de nieuwe partner van de vader lijdt aan angst- en paniekstoornis. Naar het oordeel van het hof heeft de vader – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder – hiermee onvoldoende aangetoond dat zijn huidige partner in het geheel niet zou kunnen werken. Uit de overgelegde verklaring blijkt dat de stoornis dankzij medicijnen redelijk stabiel is. Het hof gaat er evenals de rechtbank vanuit dat de partner van de vader in eigen levensonderhoud kan voorzien.

Omgangskosten

15. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met omgangskosten ter hoogte van € 60,- per maand per kind.

16. De moeder heeft de hoogte van de door de vader opgevoerde omgangskosten bestreden en stelt de kosten op € 87,50 per maand voor de minderjarigen samen, gelet op de tijd die de minderjarigen bij de vader zijn.

17. Nu de door de vader opgevoerde kosten tot een bedrag van € 87,50 per maand niet worden bestreden, zal het hof met deze kosten rekening houden. Naar het oordeel van het hof heeft de vader de hogere kosten – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder – onvoldoende aangetoond.

18. Uitgaande van de hierboven weergegeven inkomsten en lasten, alsmede de niet bestreden lasten, en de bijstandsnorm voor een alleenstaande is het hof van oordeel dat de draagkrachtruimte van de vader € 1.115,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is 70 % beschikbaar voor kinderalimentatie, te vermeerderen met het belastingvoordeel. Het bedrag van € 879,- is beschikbaar voor drie kinderen, zodat per kind beschikbaar is € 293,- per maand.

Draagkracht van de moeder

Inkomen

19. Bij het bepalen van de draagkracht van de moeder gaat het hof uit van de gegevens zoals deze blijken uit de jaaropgave 2008. Het hof is van oordeel dat het de moeder vrij staat minder te gaan werken, doch dat deze keuze niet ten nadele van de minderjarigen of de vader mag strekken.

Aandeel van de stiefvader

20. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de huidige echtgenoot van de moeder onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage te kunnen voldoen. Er zijn geen stukken overgelegd ter zake van de jaren 2008 en 2009. Bovendien beschikt de stiefvader over vermogen.

21. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de moeder uitsluitend rekening houden met inkomsten van haar zijde. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende gebleken dat de inkomsten van stiefvader dusdanig laag zijn dat deze geen bijdrage in de kosten van de minderjarigen toelaten.

Bijstandsnorm

22. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte al per 1 juni 2008 is uitgegaan van een huishouding met een minderjarig kind van de moeder en haar nieuwe partner, terwijl dit kind pas op [datum] 2009 is geboren.

23. Het hof is van oordeel dat zowel bij de bepaling van de draagkracht van de vader als bij die van de moeder uitgegaan dient te worden van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, en een draagkrachtpercentage van 70 en dat de gevonden draagkracht verdeeld dient te worden over alle minderjarigen.

24. Rekening houdend met de inkomsten en lasten van de moeder zoals door de rechtbank zijn vastgesteld en in hoger beroep niet zijn weersproken, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de moeder een bijdrage in de kosten van de minderjarigen toelaat van € 438,-. Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de vastgestelde behoefte van de minderjarigen, zal het hof de door de vader te betalen kinderalimentatie op € 293,- per maand per kind vaststellen.

Ingangsdatum

25. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte een kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2008 heeft bepaald.

26. Het hof acht het redelijk de kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2008 in te laten gaan, nu onweersproken is gesteld dat de vader in april 2008 het overeengekomen co-ouderschap heeft opgezegd en derhalve rekening kon houden met de financiële consequenties daarvan.

Het convenant

27. De vader stelt dat de moeder op grond van de tussen hen gesloten convenanten een schuld van € 11.000,- aan de vader heeft in verband met overbedeling en dat hij een eventuele bijdrage in de kosten van de minderjarigen met deze schuld mag verrekenen.

28. De moeder stelt op basis van het aanvullend convenant ondertekend op 12 oktober 2007 ter finale kwijting € 3.000,- aan de vader te hebben betaald, en daarmee de gehele schuld ter zake van overbedeling te hebben afbetaald.

29. Het hof overweegt als volgt. In het echtscheidingsconvenant dat partijen op 27 maart 2002 hebben gesloten, zijn partijen overeengekomen dat de kosten van de minderjarigen naar rato van de bruto inkomens van partijen zouden worden verdeeld en maandelijks verrekend. Partijen zijn op 12 oktober 2007 een aanvulling op voornoemd convenant overeengekomen. In artikel 1 is bepaald dat de moeder € 3.000,- zal betalen aan de vader. Dit ter finale kwijting van artikel III lid 4 en 5 van het echtscheidingsconvenant. In artikel 2 is bepaald dat de kinderbijslag geheel toekomt aan de moeder. Zij neemt ook de verplichting op zich het aandeel in de kosten van de vader, genoemd in artikel van het echtscheidingsconvenant voor de kinderen te voldoen op basis van een 60% (de vader) – 40% (de moeder) verhouding, tot een bedrag van € 11.000,-. Niet in geschil is dat partijen bij de toedeling van de echtelijke woning aan de moeder zijn uitgegaan van een overwaarde van € 42.000,-, terwijl de woning met € 6000,- verlies is verkocht. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het conflict met de overwaarde is begonnen: nu er geen overwaarde was, is het redelijk tot iets te komen, aldus de moeder. Zij heeft voorgesteld de vader € 8.000,- te betalen, maar volgens haar bleef hij vasthouden aan € 14.000,-. Tegen die achtergrond en gezien de door de vader overgelegde e-mail wisseling (in het bijzonder de mail van de moeder aan de vader van vrijdag 31 augustus 2007, 21.42 uur), kan er voor de moeder geen twijfel over (hebben) bestaan dat de zij na de betaling van € 3.000,- als bedoeld in artikel 1 van het convenant nog € 11.000,- verschuldigd is aan de vader.

Het hof is van echter van oordeel dat, gezien het bepaalde in artikel 6:135 BW in verbinding met artikel 475 c, aanhef en onder f, BW, de bedragen welke de vader op grond van zijn verplichting tot levensonderhoud van de minderjarigen maandelijks dient te voldoen niet mogen worden verrekend met genoemde vordering van de man op de vrouw ter zake van de overwaarde van de echtelijke woning.

Proceskosten

30. Het hof ziet geen aanleiding de vader te veroordelen in de kosten van de procedure zoals door de moeder verzocht.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2008 op € 293,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Stille en Labohm, bijgestaan door

mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2010.