Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3790

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
BK-09/00812
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende stelt dat zij uitstel heeft gevraagd voor de mondelinge behandeling van haar zaak bij de rechtbank. Deze stelling leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep, nu belanghebbende de juistheid van haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt en de juistheid daarvan evenmin is gebleken uit het dossier. De aanslag is tot het juiste bedrag vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00812

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 14 juli 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 september 2009, nummer AWB 09/2147 IB/PVV, betreffende de door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden/ kantoor Den Haag, aan belanghebbende voor het jaar 2006 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij aanslag van 19 december 2008, aanslagnummer [xxxxxxxxxxxx], is door de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.347.

1.2. Het tegen deze aanslag door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is bij uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 2 maart 2009 afgewezen.

1.3. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 2 juni 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 22 april 2010 aan het adres [a-straat 1] te [0000 XX] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij TNT Post ingewonnen inlichtingen (track and trace) is de vorenbedoelde brief op 23 april 2010 op dit adres aangeboden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 gedaan naar een inkomen van € 4.630. Aan ingehouden loonheffing heeft ze een bedrag vermeld van € 1.978 en bij loonheffing artiesten en beroepssporters heeft ze een bedrag vermeld van € 3.987, derhalve in totaal € 5.965 aan loonheffing.

3.2. Bij voorlopige aanslag is een teruggaaf toegekend van de opgevoerde loonheffing van € 5.965 en een vergoeding van heffingsrente van € 223. Dit bedrag is verrekend met een openstaande belastingschuld over het jaar 2002.

3.3. Het inkomen uit werk en woning is gecorrigeerd bij definitieve aanslag en op grond van beschikbare contra-informatie vastgesteld op € 1.347.

3.4. Als gevolg hiervan moet belanghebbende het verrekende bedrag van € 5.965 en heffingsrente van € 724 terugbetalen.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag tot de juiste hoogte is vastgesteld. Tevens is in geschil of de mondelinge behandeling van de zitting bij de rechtbank terecht heeft plaatsgevonden buiten de aanwezigheid van belanghebbende.

4.2. Belanghebbende stelt dat ze niet bij de zitting is geweest door ziekte. Ze heeft uitstel gevraagd, maar geen antwoord gekregen. Verder stelt ze dat ze nooit geld heeft terugontvangen op de voorlopige aanslag.

4.3. De Inspecteur is van mening dat de aanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Belanghebbende stelt dat zij in verband met ziekte uitstel heeft gevraagd voor de mondelinge behandeling van haar zaak bij de rechtbank. Deze stelling heeft zij niet nader onderbouwd met stukken waaruit de juistheid daarvan kan blijken. Uit de dossierstukken die van de rechtbank afkomstig zijn, blijkt niet dat belanghebbende uitstel heeft gevraagd voor de mondelinge behandeling van haar zaak.

Nu belanghebbende de juistheid van haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt en de juistheid daarvan evenmin is gebleken uit het dossier, leidt deze stelling niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

6.2. De voorlopige aanslag is opgelegd conform de aangifte van belanghebbende en leidde tot een teruggaaf aan belanghebbende. Die teruggaaf vond plaats door verrekening met een nog openstaande belastingschuld van belanghebbende; zij kreeg het teruggegeven bedrag dus niet in handen. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag is de Inspecteur van de aangifte afgeweken en dit heeft er in geresulteerd dat belanghebbende de teruggaaf moest terugbetalen. Belanghebbende voert geen grieven aan tegen de correcties op haar aangifte.

Zij is het niet eens met het bij de aanslag vastgestelde bedrag aan te betalen belasting, omdat zij het bij de voorlopige aanslag vastgestelde, terug te betalen bedrag nooit ontvangen heeft.

6.3. In essentie klaagt belanghebbende er over dat zij over het jaar 2006 recht had op een teruggaaf, maar die niet ontving. Naderhand bleek de teruggaaf ten onrechte te zijn vastgesteld en nu moet zij daadwerkelijk terugbetalen.

Het Hof overweegt daarover het volgende. De Ontvanger was bevoegd om hetgeen belanghebbende terug moest ontvangen op de voorlopige aanslag, te verrekenen met een openstaande belastingschuld van haar uit 2002 (artikel 24, tweede lid, van de Invorderingswet 1990). Het begrijpt de klacht van belanghebbende - niet ontvangen, wel betalen - maar is van oordeel dat haar situatie wezenlijk niet anders is dan voorheen. Een (deel van de) belastingschuld over 2002 verdween en werd vervangen door een gelijk bedrag aan belastingschuld over 2006. Overigens is de belastingrechter niet bevoegd over het handelen van de Ontvanger te oordelen.

6.4. Het hieraan voorafgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Voor zover belanghebbende bedoeld op te komen tegen de verrekening die is toegepast bij de voorlopige aanslag 2006 met de aanslagen over de jaren 2002 en 2003, is niet de belastingrechter bevoegd, maar de civiele rechter.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 14 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.