Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3749

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
BK-09/00464 tot en met BK-09/00467 en BK-09/00553 tot en met BK-09/00558
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of navordering mogelijk is, of aftrek van betaalde alimentatie en van gedane giften terecht is geweigerd en of er sprake is van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1956
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-09/00464 tot en met BK-09/00467 en BK-09/00553 tot en met BK-09/00558

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 22 juni 2010

op de hoger beroepen van [belanghebbende], wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) en van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam Belastingdienst Utrecht-Gooi, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2009, nrs. AWB 07/7736 IB/PVV, AWB 07/7737 IB/PVV, AWB 07/7738 IB/PVV, AWB 07/7740 IB/PVV en AWB 07/7742 IB/PVV (hierna: de uitspraak) betreffende na te noemen aan belanghebbende opgelegde aanslagen.

Aanslagen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2001 tot en met 2004 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 20.642, € 30.833, € 32.824 en € 32.936 (aanslagnummers [xxxx.xx.xxx.x.xx], [x.xx], [x.xx] en [x.xx]), en gelijktijdig bij beschikkingen vergrijpboeten opgelegd, alsmede voor het jaar 2005 een aanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.609 (aanslagnummer [xxxx.xx.xxx.x.xx]).

1.2. Bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 september 2007 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag voor het jaar 2001 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.690, en voorts de beschikkingen vergrijpboeten voor de jaren 2001 tot en met 2004 vernietigd. De navorderingsaanslagen voor de jaren 2002, 2003 en 2004 en de aanslag voor het jaar 2005 heeft de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen betreffende de navorderingsaanslagen voor de jaren 2002, 2003 en 2004 gegrond verklaard, de desbetreffende uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslagen voor de jaren 2002, 2003 en 2004 verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 28.160, € 21.916 en € 21.884, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt. De beroepen betreffende de navorderingsaanslag voor het jaar 2001 alsmede de aanslag voor het jaar 2005 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende en de Inspecteur zijn van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier van belanghebbende tweemaal een griffierecht geheven van € 110. Belanghebbende en de Inspecteur hebben een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 februari 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof het onderzoek van de zaak heropend en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een nadere mondelinge behandeling achterwege gebleven.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was gehuwd van [dag en maand] 1967 tot [dag en maand] 1995. De echtelijke woning is in 1997 verkocht. In de hier in geding zijnde jaren bezat belanghebbende geen eigen woning als bedoeld in afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De ex-echtgenote van belanghebbende is op [dag] november 2001 overleden. Belanghebbende heeft in de jaren 1985-1994 een viertal stichtingen opgericht, waarvan hij tevens bestuurder is. In de in geding zijnde jaren heeft belanghebbende geldsommen op de rekeningen van deze stichtingen gestort. Deze geldsommen bestaan uit giften en vanaf 2002 uit bedragen die belanghebbende had bestemd voor alimentatie aan de ex-echtgenote. Deze gereserveerde bedragen zijn niet op een bankrekening ten behoeve van haar of haar erfgenamen overgemaakt.

3.2. Belanghebbende heeft voor de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 19.327, € 27.730, € 21.127 en € 20.836. In de aangiften heeft belanghebbende een bedrag van respectievelijk € 10.224, € 2.673, € 10.908 en € 11.052 aan alimentatie op het inkomen in aftrek gebracht. Belanghebbende heeft voorts giftenaftrek in aanmerking genomen ten bedrage van respectievelijk € 463, € 430, € 789 en € 1.048. De definitieve aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2004 zijn - zonder nader onderzoek - conform de aangiften vastgesteld.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of navordering mogelijk is, of aftrek van betaalde alimentatie en van gedane giften terecht is geweigerd en of er sprake is van behoorlijk bestuur. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en tot het in aftrek toelaten van de alimentatie en de giften volgens aangiften en tot vergoeding van schade en proceskosten.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank met betrekking tot de jaren 2001 en 2005 en tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank met betrekking tot de jaren 2002, 2003 en 2004 en bevestiging van de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2002, 2003 en 2004.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 t/m 2004

6.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan - voor zover hier van belang - de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

6.2. De Inspecteur heeft in eerste aanleg ter zitting verklaard dat de aanleiding voor de controle van de aangiften over de jaren 2001 tot en met 2004 was ingegeven door de bij de aanslagregeling voor het jaar 2005 in het oog springende giftenaftrek. Vervolgens is bij die controle gebleken dat de ex-echtgenote van belanghebbende in november 2001 is overleden. De Inspecteur heeft in dit verband verklaard dat de informatie met betrekking tot dit overlijden omstreeks november 2001, derhalve kort na het overlijden, in de systemen van de Belastingdienst was opgenomen en beschikbaar was voor raadpleging. Het systeem is echter bij de afdoening van de aangiften over de jaren 2001 tot en met 2004 niet geraadpleegd.

6.3. Als regel hoeft de Inspecteur bij het regelen van aanslagen geen kennis te nemen van de binnen de belastingdienst beschikbare gegevens over andere belastingplichtigen of over andere heffingen dan het bij de aanslagregeling aan de orde zijnde middel. Uitzondering op deze regel is mogelijk indien het gaat om samenhang tussen voorheffing en eindheffing bij dezelfde belastingplichtige dan wel wanneer het gaat om gegevens over de echtgenoot van de belastingplichtige. Voormelde uitzonderingen zijn hier niet aan de orde zodat heeft te gelden dat de Inspecteur bij het regelen van de aanslagen IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 geen ambtelijk verzuim heeft gepleegd door niet eerst informatie over de ex-echtgenote van belanghebbende te raadplegen. Aldus vormde de in 2005 verkregen informatie een nieuw feit dat grond oplevert de te weinig geheven belasting na te vorderen.

Alimentatie

6.4. De Inspecteur heeft de correctie van de aftrek ter zake van betaalde alimentatie over 2001 teruggenomen zodat thans aan de orde is de aftrek van alimentatie over de jaren 2002 tot en met 2005. Op grond van artikel 6.3, lid 1, aanhef en onder a van de Wet IB 2001 worden als onderhoudsverplichtingen aangemerkt, de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. Voor aftrek komen uitsluitend in aanmerking de betalingen die gedaan zijn om te voorzien in het levensonderhoud van de ex-partner. Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren geen betalingen aan zijn ex-echtgenote gedaan, maar bedragen gereserveerd voor het geval de ex-echtgenote later alsnog betaling van alimentatie zou vorderen. Een dergelijke reservering kwalificeert niet als een betaling aan de ex-echtgenote. De door belanghebbende gereserveerde bedragen komen dan ook niet voor aftrek als onderhoudsverplichting in aanmerking, zodat de Inspecteur terecht de door belanghebbende in aanmerking genomen aftrek heeft geweigerd.

Giften

6.5. Belanghebbende heeft in de in geschil zijnde jaren giften gedaan aan een viertal stichtingen waarvan hij bestuurder was. Gesteld noch gebleken is dat de door belanghebbende gedane giften periodieke giften zijn als bedoeld in artikel 6.34 van de Wet IB 2001.Voor de aftrekbaarheid van een gift, anders dan vorenbedoeld, is vereist dat de gift ten goede is gekomen aan een instelling als bedoeld in artikel 6.33, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001. Behoudens de Stichting [A], waarvan de Inspecteur heeft erkend dat dit een instelling is als bedoeld in artikel 6.33, aanhef en onder b van de Wet IB 2001, heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de overige drie stichtingen zijn aan te merken als zodanige instelling. De giften aan laatstbedoelde drie stichtingen komen dan ook niet voor aftrek in aanmerking.

6.6. Ten aanzien van de Stichting [A] heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende enig bestuurder van deze stichting is, en heeft daaraan de conclusie verbonden dat er geen sprake is van een onafhankelijk bestuur en dat moet worden aangenomen dat de door belanghebbende op de bankrekening van deze stichting gestorte bedragen het vermogen van belanghebbende niet hebben verlaten. Om deze reden stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de aan deze stichting gedane giften niet voor aftrek in aanmerking kunnen komen. Met deze stelling miskent de Inspecteur dat het zijn van enig bestuurder niet voldoende is om het vermogen van de stichting te vereenzelvigen met het vermogen van belanghebbende. Daartoe is tevens vereist dat belanghebbende ook feitelijk heeft beschikt over het vermogen van de stichting voor privédoeleinden. Dit laatste heeft de Inspecteur niet gesteld en zulks is ook overigens niet gebleken.

6.7. Blijkens de nader door belanghebbende bij brief van 30 maart 2010 verstrekte informatie, heeft belanghebbende aan de Stichting [A] giften gedaan en wel in het jaar 2001 ƒ 79, in het jaar 2003 in totaal € 426 en in het jaar 2004 € 75. Deze niet door de Inspecteur weersproken bedragen komen, gelet op het hiervoor onder 6.5 en 6.6 overwogene, in principe voor giftenaftrek in aanmerking. Gelet op de voor die jaren geldende drempels voor giftenaftrek leidt slechts de in het jaar 2003 aan de Stichting [A] gedane gift van in totaal € 426 - minus de voor dat jaar geldende drempel van € 328 - tot een aftrek van € 98. Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond.

6.8. Voor zover belanghebbende zich beroept op in rechte te honoreren vertrouwen met betrekking tot de giftenaftrek, faalt dit beroep. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de stichtingen waaraan belanghebbende zijn giften heeft overgemaakt niet eerder zijn beoordeeld op het punt van de giftenaftrek. Voorts kan, anders dan belanghebbende meent, aan uitlatingen van derden geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat giften aan deze stichtingen voor aftrek op het belastbare inkomen in aanmerking komen. Het gelijk is ook in dezen aan de zijde van de Inspecteur.

Behoorlijk bestuur

6.9. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij door het handelen respectievelijk niet handelen van de Inspecteur in ernstige mate is benadeeld. Belanghebbende heeft daartoe, zakelijk en kort weergegeven, aangevoerd dat hem eerst in 2007 is medegedeeld dat zijn ex-echtgenote in november 2001 is overleden, dat hem een bezoek aan de Belastingdienst is geweigerd, dat een nadien alsnog gevolgd gesprek het karakter had van een verhoor, dat onvoldoende rekening is gehouden met de geestelijke gezondheidstoestand van belanghebbende, alsmede dat het verslag van het hoorgesprek onvolledig is.

6.10. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er ten opzichte van belanghebbende is gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

6.11. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende en van de Inspecteur gegrond is.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3,20 wegens reiskosten. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 39 alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 220 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraken van de rechtbank;

- bevestigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2001, 2002, 2004 en 2005;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2003;

- stelt de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2003 vast op een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.726;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3,20;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 259 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 22 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.