Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3670

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
200.066.834-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling van minderjarige van 17 jaar beëindigd. Hijzelf is geen belanghebbende in de zaak van de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen (EVRM en IVRK en artikel 798 Rv): beroep verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.066.834/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-1978

[De minderjarige],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoor houdende te Gouda,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[De vader ] en [de moeder],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de ouders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 26 mei 2010 in hoger beroep gekomen van twee afzonderlijk gegeven beschikkingen van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 april 2010. Eén beschikking betreft zijn ondertoezichtstelling, de andere beschikking betreft de verlenging van de uithuisplaatsing ten aanzien van zes van de in totaal acht minderjarige kinderen van de ouders.

Jeugdzorg heeft op 28 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de minderjarige zijn bij het hof op 10 juni 2010 en 6 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft mr. Klaas een beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2010 aan het hof doen toekomen. Bij die beschikking is mr. Klaas benoemd tot bijzondere curator van de minderjarige.

De raad heeft het hof bij brief van 11 juni 2010 het raadsrapport van 19 september 2008 doen toekomen en medegedeeld niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 7 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de minderjarige, bijgestaan door de bijzondere curator, namens Jeugdzorg mevrouw J. Kradolfer en de heer J. Pappers, en de ouders. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de bijzondere curator onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota. Hetgeen de minderjarige op schrift heeft gesteld en heeft voorgedragen is ter terechtzitting aan het hof overgelegd. Omdat Jeugdzorg bezwaar heeft gemaakt tegen de op 6 juli 2010 ingediende aanvullende stukken van de minderjarige - eerst ter zitting werd jeugdzorg met (de inhoud van) die stukken geconfronteerd - laat het hof die stukken, zoals ter zitting is medegedeeld, buiten beschouwing.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij de bestreden beschikking die ziet op de ondertoezichtstelling van de minderjarige heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd van 14 april 2010 tot 15 augustus 2010, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg.

Bij de bestreden beschikking die ziet op de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de overige zes kinderen van de ouders heeft de rechtbank onder meer de machtiging om die kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, verlengd van 14 april 2010 tot 15 augustus 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten van 14 juli 2009. Voorts is, voor zover in hoger beroep van belang, de minderjarige niet als belanghebbende aangemerkt ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtiging de overige minderjarigen dag en nacht uit huis te plaatsen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is allereerst de ondertoezichtstelling van de minderjarige, geboren [in] 1993 te [geboorteplaats]. De minderjarige verblijft bij zijn ouders, die gezamenlijk het gezag over hem hebben.

Voorts is in geschil de weigering van de rechtbank om de minderjarige aan te merken als belanghebbende bij de verlenging van de uithuisplaatsing van zijn broers en zusjes:

a. [De minderjarige sub a], geboren [in ] 1995 te [geboorteplaats].

b. [de minderjarige sub b], geboren [in] 1996 te [geboorteplaats],

c. [de minderjarige sub c], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats],

d. [de minderjarige sub d], geboren [in] 2000 te [geboorteplaats],

e. [de minderjarige sub e], geboren [in] 2001 te [geboorteplaats], en

f. [de minderjarige sub f], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: de overige kinderen. De ouders hebben het gezag over de kinderen, die in pleeggezinnen verblijven.

Tevens is in geschil de uithuisplaatsing van de overige kinderen.

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot ondertoezichtstelling van hemzelf af te wijzen, hem als belanghebbende bij de verlenging van de uithuisplaatsing van zijn broers en zusjes aan te merken en het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van zijn broers en zusjes af te wijzen.

3. Jeugdzorg verzoekt in het verweerschrift de bestreden beschikking met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige te bekrachtigen en mitsdien het verzoek tot vernietiging van die beschikking af te wijzen. Voorts verzoekt Jeugdzorg om de beschikking, waarbij het verzoek om de minderjarige als belanghebbende aan te merken is afgewezen, te bekrachtigen en mitsdien de minderjarige in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren danwel dat verzoek af te wijzen. Tevens verzoekt Jeugdzorg de beschikking, waarbij de verlenging van de genoemde minderjarigen sub a tot en met f is uitgesproken, te bekrachtigen en mitsdien het verzoek tot vernietiging in zoverre van die beschikking, af te wijzen. Ter zitting heeft Jeugdzorg zich ten aanzien van het verzoek van de minderjarige betreffende zijn ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ondertoezichtstelling

4. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof reden de ondertoezichtstelling van de minderjarige te beëindigen en het hof overweegt daartoe als volgt. Sinds de verlenging van de ondertoezichtstelling is het van de zijde van Jeugdzorg niet of nauwelijks tot inmenging gekomen met betrekking tot de minderjarige in het gezin waarvan hij deel uitmaakt. Het hof weegt voorts mee dat Jeugdzorg ter terechtzitting heeft medegedeeld zich voor te kunnen stellen dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt beëindigd, gelet op de leeftijd van de minderjarige ([in] 2011 wordt hij 18) en de huidige situatie. Jeugdzorg heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat zich thans nog een situatie voordoet waarin de minderjarige in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het enkele feit dat Jeugdzorg het zorgelijk vindt dat de minderjarige opkomt voor zijn broertjes en zusjes, hetgeen op parentificatie zou wijzen, vormt naar het oordeel van het hof geen grond om de ondertoezichtstelling te handhaven.

5. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er niet langer sprake is van een situatie waarin de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Bijgevolg is de grond aan de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige inmiddels komen te ontvallen zodat het hof de bestreden beschikking, die ziet op de ondertoezichtstelling van de minderjarige, zal vernietigen met het oog op de termijn die daarbij is bepaald.

Belanghebbende in de zaak van de broers en zussen

6. De minderjarige stelt dat de rechtbank hem ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt in de procedure betreffende de verlenging van de uithuisplaatsing van de hiervoor genoemde minderjarigen a tot en met f. Hij voert daartoe aan dat hij wel degelijk belanghebbende is omdat hij belang heeft bij hereniging met zijn familie en om die reden rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. De minderjarige heeft cassatie ingesteld tegen de beschikking van dit hof van 10 juni 2009, waarin het hof hem naar zijn mening ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt in een eerdere procedure betreffende de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen. Inmiddels heeft de minderjarige kennis genomen van de uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010, waarin is bepaald dat het hof bij laatstgenoemde beschikking terecht heeft geoordeeld dat de minderjarige geen belanghebbende is voorzover het gaat om de beslissing van de kinderrechter met betrekking tot de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen. De minderjarige handhaaft echter zijn stelling dat hij in de onderhavige procedure alsnog als belanghebbende aangemerkt moet worden met verwijzing naar het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

7. Jeugdzorg stelt dat de minderjarige voorbij gaat aan de inhoud van het begrip belanghebbende zoals omschreven in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv. Bovendien verwijst Jeugdzorg naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010.

8. Het hof overweegt als volgt. De minderjarige heeft zich beroepen op het EVRM, de artikelen 6, 8 en 13 en het IVRK, de artikelen 5, 8, 9, 12 en 16. Hij stelt dat het gaat om het feit dat met de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op family life, zijn recht op een gezinsleven met zijn ouders èn zijn broers en zussen. In zijn visie moet dit er toe leiden dat hij als belanghebbende wordt aangemerkt: op geen andere wijze zou de inbreuk op zijn recht ter beoordeling aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Het hof wijst er op dat, gelijk door de advocaat van de minderjarige ter zitting is onderkend, een op de aan het hof voorgelegde belangen gebaseerde actie uit onrechtmatige daad jegens de Staat denkbaar is. Het is derhalve niet zo dat de minderjarige geen andere weg naar de rechter open zou staan dan de onderhavige. Dat de minderjarige een persoonlijk belang kan hebben bij de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen maakt hem nog niet tot een belanghebbende op wiens rechten en verplichtingen de zaak van zijn broers en zussen rechtstreeks betrekking heeft (artikel 798 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Nu zijn belang ook op andere wijze tot zijn recht kan komen ziet het hof geen aanleiding om overigens af te wijken van hetgeen eerder door de rechtbank, het hof en de hoge raad ten aanzien van de minderjarige in een vergelijkbare zaak is beslist.

9. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling omtrent de uithuisplaatsing van de broers en zussen van de minderjarige. Het hof zal de minderjarige niet, zoals eerder is geschied, niet ontvankelijk verklaren, doch zijn beroep verwerpen, zulks in lijn met het arrest van de hoge raad van 9 juli 2010, LJN: BM2337.

10. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank ’s Gravenhage van 13 april 2010, JE RK 09-1978 waarbij de ondertoezichtstelling van de minderjarige is verlengd, doch uitsluitend voor wat betreft de daarbij bepaalde termijn en, opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de termijn van ondertoezichtstelling van de minderjarige eindigt met ingang van heden;

bekrachtigt deze beschikking voor het overige;

verwerpt het beroep van de minderjarige tegen de beschikking van de rechtbank ‘s Gravenhage van 13 april 2010, JE RK 09-1978 tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen a tot en met f;

bekrachtigt deze bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Bouritius en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.