Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3582

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
200.064.331-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Netwerkplaatsing (bij biologische vader) blijft in casu in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.064.331/01

Rekestnr. rechtbank : 10-69

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.G.H. Janssen te Leiden,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de biologische vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de biologische vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 29 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 maart 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 8 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van Jeugdzorg is bij het hof op 1 juli 2010 een aanvullend stuk ingekomen.

De raad heeft het hof bij brieven van 25 mei 2010 en 10 juni 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen en heeft bij brief van 25 mei 2010 aan het hof het raadsrapport van 13 oktober 2008 doen toekomen.

Op 7 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de moeder en namens Jeugdzorg: de heer [naam] en mevrouw [naam]. De moeder en de biologische vader zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad – Jeugdzorg gemachtigd de minderjarigen [naam], geboren op [geboortedatum in] 2003 te [geboorteplaats] en [naam], geboren op [geboortedatum in] 2005 te [geboorteplaats] (verder gezamenlijk te noemen: de minderjarigen) gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de biologische vader van 31 maart 2010 tot 4 november 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de biologische vader.

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt: opnieuw beschikkende) te beslissen dat het verzoek tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de biologische vader alsnog wordt afgewezen dan wel te beslissen op een wijze die het hof in dezen gerechtvaardigd zal achten.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen aanwezig zijn. Daartoe voert zij het volgende aan. Ten onrechte heeft de kinderrechter op basis van oude feiten en in tegenspraak met hetgeen de ouders ter zitting in eerste aanleg hebben verklaard de uithuisplaatsing uitgesproken. Zo is er geen enkele aandacht geschonken aan het feit dat de thuissituatie bij de moeder de laatste jaren sterk is verbeterd. Daarbij komt dat de ouders inmiddels een zinvolle invulling hebben gegeven aan de wijze waarop zij omgaan met de verschillen tussen hen in de opvoeding van de minderjarigen. Een plaatsing bij de biologische vader geeft geenszins meer zekerheden. De beslissing van de kinderrechter is naar de mening van de moeder ook niet te begrijpen in het licht van de door Jeugdzorg naar voren gebrachte feiten, inhoudende dat de biologische vader de minderjarigen niet zou willen verzorgen en een slechte band met de minderjarigen zou hebben. Voorts is de moeder van mening dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen op geen enkele wijze wordt ingevuld met daadwerkelijke zorg en steun. Als laatste stelt de moeder problemen te hebben met het feit dat er door de gezinsvoogd geen navraag of onderzoek is gedaan naar de verwijten die in de richting van de moeder middels anonieme meldingen zijn gedaan. De moeder vermoedt dat deze meldingen afkomstig zijn van haar ex-partner.

Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

Ter terechtzitting is namens de moeder verklaard dat zij zich niet verweert tegen hetgeen staat vermeld in de evaluatie van de intensieve gezinsbegeleiding van Cardea van 21 juni 2010 met betrekking tot de thuissituatie van de biologische vader.

5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. Jeugdzorg is van mening dat de woonsituatie van de minderjarigen bij de biologische vader positief bijdraagt aan hun ontwikkeling. Zo geeft de vader duidelijkheid, grenzen en structuur aan in de opvoeding, is zijn woning opgeruimd en schoon en is zijn financiële situatie goed, hetgeen niet het geval was en is bij de moeder. Daarnaast is er volgens Jeugdzorg, anders dan de moeder stelt, door de ouders geen zinvolle invulling gegeven aan de wijze waarop zij omgaan met de verschillen tussen hen in de opvoeding van de minderjarigen. Nu de moeder de zorg over de minderjarigen niet meer heeft, is er op dit punt geen sprake meer van spanningen tussen hen. Voorts heeft Jeugdzorg wel degelijk zorg en steun aangeboden aan de moeder, maar kwam zij afspraken met de hulpverlening niet na, waardoor de hulp stagneerde. Uit gesprekken en huisbezoeken is gebleken dat de biologische vader de zorg van de minderjarigen op zich wilde nemen en hij hiervoor geschikte huisvesting had en over voldoende pedagogische vaardigheden beschikte. Ten slotte stelt Jeugdzorg dat zij wel degelijk navraag heeft gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Hieruit kwam naar voren dat iemand uit de omgeving van de moeder de melding heeft gedaan en dat er geen contact is geweest met de ex-partner van de moeder. Aangezien de melding anoniem is gedaan, kon Jeugdzorg hierover geen navraag doen bij de melder zelf.

6. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of in dit geval de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

7. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met het oordeel van de kinderrechter en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt daartoe het volgende in aanmerking. Het hof is uit het beroepschrift van de moeder niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de moeder thans in staat is om de opvoeding van de minderjarigen op zich te nemen. Daar komt bij dat de moeder zonder opgaaf van redenen niet ter terechtzitting is verschenen en zij derhalve haar beroepschrift niet heeft toegelicht of aangevuld. Gelet hierop en gezien de evaluatie van de intensieve gezinsbegeleiding van Cardea van 21 juni 2010, waartegen de moeder zich niet verweert en waaruit naar voren komt dat de minderjarigen zich bij de biologische vader goed ontwikkelen, is het hof van oordeel dat de gronden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarigen bij de biologische vader nog steeds aanwezig zijn, zodat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, De Haan-Boerdijk en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.