Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3562

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
200.048.282/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over de door de bewindvoerder, tevens mentor, gemaakte kosten. Op grond van de bijzondere omstandigheden gaat het hof voorbij aan de aanbeveling van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK)

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 460
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.048.282/01

Kenmerk rechtbank : 238426 BM VERZ 09-1064

Beschikking op het verzoek in hoger beroep van:

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna ook te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.C. Moree te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[betrokkene]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: betrokkene.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn is opgeroepen:

[instelling]

gevestigd te [woonplaats]

hierna te noemen: de instelling.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 21 oktober 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juli 2009 van de kantonrechter in de rechtbank Dordrecht, locatie Dordrecht.

Op 28 mei 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de echtgenoot van de vrouw [echtgenoot] en namens de instelling [instelling]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. Betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het is gebleken dat betrokkene niet in staat is haar mening kenbaar te maken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw toestemming te geven om een bedrag van € 40.000,- van de bankrekening van de betrokkene te halen voor het doen van diverse uitgaven, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Bij beschikking van 19 april 2000 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en ten behoeve van haar een mentorschap ingesteld, waarbij haar oma (de vrouw) tot bewindvoerder en mentor is benoemd.

Betrokkene is op 19 januari 2000 meerderjarig geworden en zij heeft vanaf die datum een Wajong-uitkering.

Betrokkene is meervoudig gehandicapt en verblijft al sinds haar jeugd in een instelling.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vergoeding van door de mentor gemaakte kosten.

2. De vrouw verzoekt bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog toestemming te verlenen c.q. vast te stellen vergoeding door curanda [betrokkene], haar kleinkind, van de door de vrouw in haar belang gedane uitgaven tot een ten deze beperkt bedrag van € 40.000,-, althans een in goede justitie door het hof vast te stellen bedrag. Ter terechtzitting van het hof heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep gewijzigd in die zin, dat zij vergoeding vraagt van de kosten die zij heeft gemaakt sinds de aanvang van de onderbewindstelling en het mentorschap, te weten 19 april 2000.

3. Het hof begrijpt het verzoek in hoger beroep aldus, dat wordt verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen – uitvoerbaar bij voorraad – dat de vrouw de bij de vervulling van haar taak als mentor noodzakelijk gemaakte kosten aan betrokkene in rekening mag brengen, en/of dat aan haar ten laste van betrokkene een beloning wordt toegekend, voor een bedrag van € 40.000,-, althans een door het hof vast te stellen bedrag.

4. De vrouw stelt ten behoeve van betrokkene kosten te hebben gemaakt. Zij heeft wekelijks kleding voor haar gewassen en gestreken en zij heeft reiskosten gemaakt door betrokkene (eveneens wekelijks) met de auto vanuit [woonplaats] te bezoeken. Zij vraagt vergoeding van deze kosten ten laste van het banktegoed van betrokkene.

5. Het hof overweegt het volgende. Gelet op de overgelegde stukken en de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de vrouw, haar echtgenoot en de instelling staat vast dat de vrouw op 19 april 2000 tot mentor van betrokkene is benoemd en dat zij voordien, maar ook sindsdien betrokkene wekelijks met de auto vanuit [woonplaats] samen met haar echtgenoot heeft bezocht en kleding voor haar heeft gewassen en gestreken. Het hof is van oordeel dat de reiskosten verband houden met de vervulling van de taak die de mentor volgens de wet heeft en dat deze kosten onvermijdelijk en niet onredelijk zijn. Deze kosten komen daarom in beginsel ten laste van betrokkene.

6. Voorts staat op basis van de overgelegde stukken en de verklaringen ter terechtzitting vast dat betrokkene nagenoeg haar gehele minderjarigheid onder voogdij van de vrouw gestaan heeft. De moeder van betrokkene was zelf niet in staat voor betrokkene te zorgen. De zorg- en opvoedingstaken zijn overgenomen door de vrouw. In deze bijzondere omstandigheden van het geval, met name het feit dat de vrouw (ondersteund door haar echtgenoot) al nagenoeg het hele leven van betrokkene voor haar zorgt, eerst thuis in haar gezin, later op afstand in de instelling, ziet het hof aanleiding voorbij te gaan aan de aanbeveling van het Landelijk Overleg van Kantonsectorvoorzitters (LOK), om aan mentoren uit familiekring geen beloning toe te kennen.

7. Het hof acht het redelijk om over de periode vanaf 19 april 2000 tot heden een bedrag van

€ 10.000,- aan noodzakelijk gemaakte kosten ten laste van betrokkene te brengen en daarnaast aan de vrouw een beloning toe te kennen van € 2.650,-. Gelet op het banktegoed van betrokkene enerzijds en haar vaste lasten anderzijds laat de financiële draagkracht van betrokkene dit ook toe.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de reiskosten van de vrouw, gemaakt in de uitoefening van haar taak als mentor en tot op heden vastgesteld op € 10.000,-, ten laste komen van betrokkene;

kent aan de vrouw ten laste van betrokkene een beloning toe van € 2.650,- voor haar werkzaamheden als mentor in de periode vanaf 19 april 2000 tot op heden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Pannekoek-Dubois en Husson, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.