Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3556

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
200.040.175/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Verschil tussen afwijzing van het verzoek en ontzegging. Rechter kan het recht op omgang niet ambtshalve ontzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.040.175/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-7695

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.D. Gelderloos te ’s-Gravenhage,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

vestiging ‘s-Gravenhage,

locatie Den Haag Centrum/Scheveningen,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.J. Zennipman te ’s-Gravenhage,

2. [grootmoeder],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat mr. M.J. Zennipman te ’s-Gravenhage.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 31 juli 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 mei 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).

Jeugdzorg heeft op 29 september 2009 een verweerschrift ingediend.

De raad heeft het hof bij brief van 15 april 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 11 juni 2010 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.034.532.01, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en namens Jeugdzorg: de heer A.F. Hartjema (gezinsvoogd) en mevrouw N. Peracha. Tevens is verschenen de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat, tevens de advocaat van de moeder. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling van de vader met de na te noemen minderjarigen afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met de minderjarigen, voor de duur van twee jaar na de datum van de uitspraak, ontzegd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats];

[minderjarige 2], geboren [in] 2001 te [geboorteplaats];

[minderjarige 3], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats]; en

[minderjarige 4], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De vader heeft de minderjarigen erkend.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en - hoewel hij goed inziet dat omgang met de minderjarigen geleidelijk dient te worden opgebouwd - verzoekt de vader, (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, te bepalen dat omgang dient plaatst te vinden in overleg met Jeugdzorg en de respectievelijke begeleiders op de uiteenlopende plaatsen waar de minderjarigen verblijven.

3. Jeugdzorg voert verweer tegen het beroep van de vader en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

4. De vader stelt zich in zijn eerste grief op het standpunt dat de rechtbank zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling ten onrechte heeft afgewezen. De vader voert daartoe aan dat zijn verzoek niet kan worden afgewezen nu bij hem sprake is van een positieve ontwikkeling, mede in zijn verhouding tot Jeugdzorg. Daarbij komt dat de minderjarigen het recht hebben om hun ouders te kennen en er geen enkele reden is - zo stelt de vader - om te veronderstellen dat contact tussen de vader en de minderjarigen nadelig zou zijn voor laatstgenoemden. De vader stelt dat een omgangsregeling juist in het belang van de minderjarigen is. De tweede grief van de vader richt zich tegen de ontzegging van het recht op omgang van de vader met de minderjarigen gedurende een tweetal jaren nu daartoe door Jeugdzorg geen verzoek is gedaan.

5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat het aangaan van een omgangsregeling thans een onwenselijke, negatieve, interventie is. Ofschoon de minderjarigen zich goed ontwikkelen, is er nog steeds sprake van een wankel evenwicht. Jeugdzorg acht een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen nu dit hun ontwikkeling kan verstoren. Daarbij komt dat de vader meer in zijn eigen belang lijkt te handelen dan in dat van de minderjarigen en hij zich moeilijk in de behoeftes van de minderjarigen kan verplaatsen. Bij een omgangsregeling komt (te) veel druk te liggen op de schouders van de minderjarigen om tegemoet te komen aan de belangen van de vader. Omgang lijkt voor de minderjarigen op dit moment niet in hun belang te zijn en een opgelegde omgangsregeling werkt slechts contraproductief, zo stelt Jeugdzorg. Ten aanzien van de tweede grief van de vader refereert Jeugdzorg zich aan het oordeel van het hof.

6. Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek de minderjarigen en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van voormeld artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarigen.

7. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarigen heeft afgewezen. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt daarbij nog het volgende. Voorop staat dat de minderjarigen, gelet op hun belaste voorgeschiedenis, behoefte hebben aan een stabiele, voorspelbare en veilige leefomgeving waar zij in rust tot herstel kunnen komen. Deze leefomgeving heeft zich voor ieder van de minderjarigen thans gevormd dan wel is zich aan het vormen. De wens van de vader tot omgang met de minderjarigen is begrijpelijk, doch is, in aanmerking genomen het verwerkingsproces van de minderjarigen ten aanzien van de vroegere opvoedingssituatie en de gedragingen van de vader in het verleden, thans nog te zeer belastend. Het hof is van oordeel dat in de huidige situatie een (opgelegde) omgangsregeling aanmerkelijke spanningen en onrust met zich zal brengen waardoor de inmiddels ontstane stabiele leefomgeving van de minderjarigen en hun herstel worden verstoord. Het hof is onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat zwaarwegende belangen van de minderjarigen zich op dit moment verzetten tegen de omgang tussen de vader en de minderjarigen zodat de eerste grief van de vader faalt. Het vorenstaande wil nadrukkelijk niet zeggen dat een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen in de toekomst niet tot de mogelijkheden behoort.

8. De tweede grief van de vader slaagt naar het oordeel van het hof, nu de rechter niet bevoegd is de omgang ambtshalve te ontzeggen. Het hof acht de beslissing van de rechtbank in zoverre onbegrijpelijk en zal deze beslissing van de rechtbank dan ook vernietigen.

9. Het voorgaande brengt met zich dat het hof als volgt zal beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling;

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de ontzegging van het recht van de vader op omgang met de minderjarigen voor de duur van twee jaar;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Nievelt en Punselie, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.