Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3434

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
200.066.910/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing van uitvoerbaarverklaring bij voorraad m.b.t. omgangsregeling. Moeder geen belang bij haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.066.910/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-9022

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 28 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 28 april 2010 en heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van die beschikking ingediend.

De vader heeft op 1 juli 2010 een verweerschrift op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring ingediend.

Bij faxbericht van 28 juni 2010 heeft de advocaat van de moeder onder meer aan het hof medegedeeld dat de moeder en zij niet ter zitting van 2 juli 2010 zullen verschijnen en verzocht de zaak op de stukken af te doen.

De advocaat van de vader heeft bij faxbericht van 1 juli 2010 aan het hof medegedeeld dat een mondelinge behandeling niet noodzakelijk zal zijn.

Gelet op de mededeling van beide advocaten is de zaak op 2 juli 2010 niet mondeling behandeld.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking .

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad – een voorlopige regeling met betrekking tot het contact tussen de vader en de hierna te noemen minderjarigen bepaald, in die zin dat de minderjarigen éénmaal per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zijn en de vader de minderjarigen haalt en brengt. Voorts is de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de door de vader verzochte omgangsregeling. Iedere overige beslissing is – in afwachting van de onderzoeksresultaten van de raad – aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE UITVOERBAAR BIJ VOORRAADVERKLARING VAN DE BESCHIKKING VAN 28 APRIL 2010

1. In geschil is de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 28 april 2010, waarbij de hierboven genoemde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen [sub 1], geboren [in] 2001 te [woonplaats] en [sub 2], geboren [in] 2004 te [woonplaats], hierna: de minderjarigen, is vastgesteld.

2. De moeder verzoekt, in afwachting van de uitkomst van het door de raad in te stellen onderzoek, de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen voor zover daarbij tussen de vader en de minderjarigen een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld.

3. De vader bestrijdt het verzoek van de moeder.

4. De moeder verzoekt de beschikking waarvan beroep te schorsen voor zover daarbij tussen de vader en de minderjarige een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld. De moeder voert daartoe - kort weergegeven - aan dat zich na de mondelinge behandeling van 28 januari 2010 twee incidenten hebben voorgedaan die een behoorlijke impact hebben gehad op de kinderen. De vader heeft de moeder twee keer ernstig bedreigd en de moeder vreest voor ontvoering van de kinderen naar Marokko indien de vader in de procedure die daar aanhangig is alleen het eenhoofdig gezag krijgt. De vader brengt de kinderen volgens de moeder in een loyaliteitsconflict en de moeder acht het gelet op de uitlatingen van de vader niet in het belang van de kinderen om de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling toe te staan zolang de onderzoeksresultaten van de raad nog niet bekend zijn.

5. Van de zijde van de vader is betoogd dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen omdat niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen een omgangsregeling verzet. Er is geen sprake van dat de vader plannen heeft naar Marokko te verhuizen dan wel dat hij de minderjarigen daar heen zou willen brengen. De moeder stelt alles in het werk om hem het recht op omgang te onthouden.

6. Schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan slechts plaatsvinden indien tenuitvoerlegging van de betreffende uitspraak misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Daarvan kan sprake zijn indien de bestreden beschikking op een juridische of feitelijke misslag berust of er een noodtoestand ontstaat op grond van na de dagtekening van de bestreden beschikking voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden.

7. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de tenuitvoerlegging van de betreffende uitspraak misbruik van executiebevoegdheid oplevert in bedoelde zin. Vaststaat dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht bij kort geding vonnis van 18 mei 2010 het verzoek van de vader tot nakoming van de bij beschikking van 28 april 2010 vastgestelde voorlopige omgangsregeling heeft afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat zich na de mondelinge behandeling van 28 januari 2010 tussen partijen een aantal incidenten heeft voorgedaan die een behoorlijke impact op de minderjarigen moeten hebben gehad. Voorts is overwogen dat het in het belang van de minderjarigen is dat het wederom meemaken van incidenten tussen partijen moet worden voorkomen, reden waarom nakoming van de omgang in afwachting van het onderzoek van de raad niet in het belang van de minderjarigen wordt geacht.

Aangezien er op grond van voormelde beslissing thans feitelijk geen omgang tussen de vader en de minderjarigen plaatsvindt heeft de moeder naar het oordeel van het hof geen belang bij haar verzoek, zodat het hof het verzoek van de moeder zal afwijzen.

Het hof passeert de stelling van de moeder dat zij wel belang heeft bij toewijzing van haar verzoek omdat de vader een nieuw kort geding aanhangig kan maken. Het hof acht het prematuur om thans met een dergelijke onzekere toekomstige gebeurtenis - waaronder begrepen de uitkomst van een dergelijke procedure - rekening te houden.

8. Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek van de moeder afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Stollenwerck en Mertens-de Jong, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.