Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3432

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
200.068.131-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing aangehouden zaak (deelbeslissing). Toetsing ex tunc en ex nunc: zitting kinderrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 juli 2010

Zaaknummer : 200.068.131/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 10-299, JE RK 10-345 en JE RK 10-346

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.J.M. Habets te Schiedam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 mei 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 12 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 25 juni 2010 en 13 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 21 juli 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en namens de raad : de heer M.C. Dors. De moeder is verder bijgestaan door mevrouw J. Lakja, tolk in de Arabische taal, die daartoe ter terechtzitting de belofte heeft afgelegd. Voorts is verschenen namens Jeugdzorg: mevrouw J. van Woerden en de heer H.T.M. van Dongen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

Mevrouw F. Vreugdenhil, werkzaam bij het Leger des Heils, is gehoord in haar hoedanigheid van degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de kinderrechter, voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad, de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een (crisis)pleeggezin tot 6 augustus 2010 verlengd. De rechtbank heeft de zaak aangehouden en, alvorens verder te beslissen, bepaald dat het nader verhoor van de raad en de belanghebbenden zal plaatsvinden op 30 juli 2010 te 11.00 uur.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 2010 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige. De moeder is van rechtswege alleen belast met het gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, te bepalen dat de uithuisplaatsing van de minderjarige met onmiddellijke ingang beëindigd wordt en dat de minderjarige onmiddellijk aan de moeder wordt afgegeven, althans een beslissing te nemen die het hof passend en in het belang van de minderjarige voorkomt.

3. Jeugdzorg voert verweer tegen het beroep van de moeder en verzoekt het hof het beroep van de moeder af te wijzen.

4. De raad heeft ter terechtzitting het beroep van de moeder bestreden.

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de moeder sprake is van psychiatrische problematiek waardoor zij onvoldoende in staat is de minderjarige een veilig opvoedingsklimaat te bieden nu een diagnose daartoe ontbreekt. Tevens betwist de moeder dat sprake is van een onmiddellijk en ernstig gevaar voor de veiligheid en het welzijn van de minderjarige wanneer deze bij de moeder verblijft. Niet is aangetoond of zelfs onderzocht of de aanwezige hulpverlening voldoende is om een veilige thuissituatie te waarborgen of dat andere hulpverlening deze kan waarborgen. De moeder stelt thans te beschikken over passende huisvesting, waarbij zij intensief ambulant wordt begeleid door een gezinscoach van het Leger des Heils in het project ‘10’voor Toekomst. Nu de minderjarige niet thuis is, kan de moeder niet laten zien dat zij de hulp van de gezinsvoogd accepteert en dat zij in staat is de minderjarige de noodzakelijke structuur, voorspelbaarheid en emotionele beschikbaarheid te geven. Daarnaast betoogt de moeder dat nu een indicatiebesluit ontbreekt en dit niet bij het verzoek tot (verlenging van) de machtiging tot uithuisplaatsing is ingediend, dit gebrek dient te leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

6. Ter terechtzitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verlengd. De raad voert daartoe aan dat de situatie van de moeder op dat moment heel diffuus was en dat er naast huisvestings- en financiële problemen, ernstige vermoedens waren van psychiatrische problematiek. Ten aanzien van het door de kinderrechter gevraagde en door de raad uitgevoerde aanvullend onderzoek heeft de raad ter terechtzitting desgevraagd door het hof verklaard dat het rapport thans wordt afgerond en dat in dit rapport bij de huidige stand van zaken zal worden geconcludeerd dat de raad het mogelijk acht dat de moeder in de toekomst met de minderjarige aan een begeleid-wonen- project zal deelnemen.

7. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de problematiek van de moeder zodanig is dat zij de minderjarige geen veilig en stabiel opvoedingsklimaat kan bieden. Jeugdzorg voert daartoe aan dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat bij de moeder sprake is van psychiatrische problematiek, nu de moeder dit onder meer door haar gedrag heeft laten zien. Voorts is gebleken dat de moeder psychiatrische hulpverlening voor zwangere vrouwen heeft ontvangen en dat zij antidepressiva slikt of heeft geslikt. Daarnaast heeft de moeder, zo stelt Jeugdzorg, problemen met haar woonsituatie. Weliswaar verblijft de moeder thans in een woonhotel in [woonplaats], doch dit is slechts van tijdelijke aard en van passende huisvesting kan derhalve, zo stelt Jeugdzorg, niet worden gesproken. Tevens laat de voorgeschiedenis van hulpverlening zien dat de moeder haar eigen problematiek onderschat en dat zij niet bereid is hulpverlening in een vrijwillig kader te accepteren. Jeugdzorg acht het onder die omstandigheden niet verantwoord dat de moeder de mogelijkheid wordt geboden de zorg voor de minderjarige op zich te nemen. Jeugdzorg betoogt ten aanzien van het indicatiebesluit dat op grond van artikel 1:261 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in acute noodsituaties, waarbij geen tijd is voor een indicatiestelling, mag worden afgeweken van het principe dat de machtiging van de kinderrechter is gericht op effectuering van een indicatiebesluit van Jeugdzorg. Jeugdzorg wijst erop dat het indicatiebesluit op 31 mei 2010 is vastgesteld en onmiddellijk nadien aan de rechtbank is toegezonden.

8. Het hof stelt voorop dat de kinderrechter, op grond van het bepaalde in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW), indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, op verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, een machtiging tot uithuisplaatsing kan verlenen. In weerwil van de door de kinderrechter in het dictum van de bestreden beschikking gebezigde bewoordingen behelst de bestreden beschikking de eindbeslissing op een deel van het bij inleidend verzoek van de raad tot initiële machtiging uithuisplaatsing verzochte, onder aanhouding van de beslissing op dit verzoek voor het overige. Het hof zal in het navolgende oordelen volgens het daarbij passende criterium.

9. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting heeft de kinderrechter naar het oordeel van het hof terecht beslist zoals deze heeft beslist op grond van de op dat moment beschikbare gegevens. Het hof overweegt daartoe dat onomstreden vast is komen te staan dat de moeder een belaste voorgeschiedenis heeft. Daarbij komt dat het het hof is gebleken dat er ernstige zorgen waren over onder meer de huisvestings- en financiële situatie van de moeder en er ernstige vermoedens waren van een psychische stoornis bij de moeder, waardoor zij in haar opvoedkundige capaciteiten en draagkracht mogelijk wordt beperkt. Voorts is in het verleden de aan de moeder geboden hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend gebleken. In het vorenstaande ziet het hof een voldoende sterke aanwijzing om in de aan de kinderrechter bekende omstandigheden rekening te houden met het risico dat het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige ernstige en slechts met een uithuisplaatsing mogelijk af te wenden schade zou leiden. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder met betrekking tot het indicatiebesluit, nu ingevolge artikel 1:261 lid 3 BW juncto artikel 3 lid 5 van de Wet op de jeugdzorg juncto artikel 14 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg een indicatiebesluit in spoedeisende zaken niet is vereist en een dergelijk besluit, zoals in dit geval, met bekwame spoed alsnog kan worden afgegeven. Voor de beoordeling van de huidige omstandigheden acht het hof het van belang dat het nader verhoor door de kinderrechter aanstaande is en dat de raad met het oog daarop zijn rapportage in concept gereed heeft. Vooruitlopend op het definitief aan de kinderrechter te geven advies heeft de raad ter zitting verklaard dat de optie voor de moeder om deel te nemen aan een begeleid wonen project onderdeel van de rapportage zal vormen. Het hof acht het niet in het belang van de minderjarige om vooruit te lopen op de volledige onderzoeksresultaten en zal mede gelet op het aanstaande verhoor van de raad en de belanghebbenden bij de kinderrechter op 30 juli 2010 de beslissing bekrachtigen.

Omgangsregeling

10. Voor zover het verzoek van de moeder moet worden opgevat als verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, wijst het hof op het bepaalde in artikel 1:263a lid 1 BW, volgens welke regel iedere beperking in de contacten geldt als een aanwijzing waartegen de moeder zich kan voorzien op de wijze als is voorgeschreven de artikelen 1:259 en 1:260 BW. Dat betekent dat de moeder daarover in de onderhavige procedure niet kan klagen, zodat haar daarop gerichte verzoek niet zal worden toegewezen.

11. Het hof zal dan ook als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Van Leuven en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr.Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2010.