Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3373

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
200.062.731-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

UIthuisplaatsing; jongste minderjarige mag terug naar de moeder. Niet is gebleken dat de nog bestaande zorgen niet kunnen worden ondervangen middels de ondertoezichtstelling. Zie ook: zaak met LJNummer: BN3367.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 juli 2010

Zaaknummer : 200.062.731/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-3296

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.G. Nieman te Leiden,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.R. Juriaans te Leiden.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 april 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 januari 2010 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 19 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 19 mei 2010 en op 15 juni 2010 aanvullende stukken ingekomen. De bij het hof ingekomen aanvullende stukken op 15 juni 2010 zijn tevens ter terechtzitting overgelegd door de advocaat van de moeder.

De raad heeft het hof bij brief van 3 mei 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 16 juni 2010 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer: 200.062.730.01 (betreffende de uithuisplaatsing van twee andere minderjarige kinderen van de moeder en de vader, [naam] en [naam]), mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw [naam] en mevrouw [naam]. Voorts is verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. Tijdens de mondelinge behandeling is mevrouw [naam], ambulant begeleider bij de Stichting de Haardstee te Leiden, door het hof als informante gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum in] 2000 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige) verlengd van 20 februari 2010 tot 20 februari 2011 met behoud van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in [naam instantie] van 20 februari 2010 tot 20 februari 2011, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarige. De vader en de moeder hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover bepaald is dat Jeugdzorg is gemachtigd om - uitvoerbaar bij voorraad - de minderjarige uit huis te plaatsen gedurende dag en nacht van 20 februari 2010 tot 20 februari 2011. Ter terechtzitting heeft de moeder haar verzoek aangevuld in die zin, dat zij verzoekt het verzoek van Jeugdzorg om de minderjarige uit huis te plaatsen af te wijzen. Subsidiair heeft de moeder verzocht de behandeling van de zaak korte tijd aan te houden, totdat meer duidelijkheid bestaat over de vervolgplannen en de evaluatie van de hulpverlening.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige aanwezig zijn. Daartoe voert zij het volgende aan. De moeder acht de uithuisplaatsing niet in het belang van de minderjarige. Een uithuisplaatsing is zeer ingrijpend en kan om die reden alleen worden aangewend als ultimum remedium. Dat is hier niet het geval. De minderjarige heeft altijd bij de moeder gewoond en is door haar verzorgd. Daarnaast is niet gebleken dat er onderzoek is gedaan naar alternatieven voor de uithuisplaatsing van de minderjarige. De moeder is van mening dat de kinderrechter zich volledig heeft gebaseerd op het verzoekschrift van Jeugdzorg en onvoldoende aandacht heeft geschonken aan de actuele, sterk verbeterde situatie. Een deel van het probleem is volgens de moeder de gebrekkige communicatie met de gezinsvoogdes van Jeugdzorg. Zij heeft derhalve bij de rechtbank ’s-Gravenhage verzocht Jeugdzorg te ontheffen van de ondertoezichtstelling van de minderjarige en de William Schrikker Groep te benoemen als gezinsvoogdij-instelling, welke is gespecialiseerd in het bieden van zorg aan mensen met een verstandelijke beperking, zoals de moeder. Voorts is de moeder van mening dat de verzoeken van Jeugdzorg en de daarop volgende beslissingen van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en ondeugdelijk onderbouwd zijn. Zo overweegt de kinderrechter dat de problemen in de thuissituatie van grote omvang zijn en dat deze de persoonlijke ontwikkeling van de minderjarige in de weg staan. Voorts overweegt de kinderrechter dat de minderjarige het negatieve gedrag van zijn oudere broers en zussen kopieert en dat hij agressief gedrag vertoont. Uit de stukken blijkt daar echter niet het fijne van. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

5. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan en voert daartoe het volgende aan. De moeder is van goede wil, maar ondanks de geboden hulpverlening is het haar in al die jaren niet gelukt een positieve wending te geven aan de instabiele en onveilige woon- en leefsituatie van het gezin. Een uithuisplaatsing bleek uiteindelijk onontkoombaar. De destijds aanwezige hulpverleners waren het unaniem eens met de uithuisplaatsing van de minderjarige. Van gebrekkige communicatie tussen de moeder en de gezinsvoogdes is volgens Jeugdzorg nimmer sprake geweest. In tegenstelling tot hetgeen de moeder stelt, is Jeugdzorg van mening dat de verzoeken en de daarop volgende beslissingen van de kinderrechter voldoende en deugdelijk onderbouwd zijn en dat voldoende vaststaat dat de uithuisplaatsing in het belang is van de minderjarige. De minderjarige houdt zich goed aan de regels en structuur op zijn huidige verblijfplaats en kan goed meekomen op school. Ter terechtzitting is namens Jeugdzorg aanvullend verklaard dat, hoewel er sprake is van een positieve verandering in de situatie bij de moeder, er nog niet aan alle door Jeugdzorg gestelde voorwaarden met betrekking tot een eventuele thuisplaatsing van de minderjarige is voldaan. Het proces van terugplaatsing van de minderjarige bevindt zich nog in een pril stadium. Jeugdzorg acht het van belang dat de minderjarige naar een blijvende stabiele thuissituatie terugkeert en vindt de uithuisplaatsing derhalve nog immer noodzakelijk.

6. Namens de vader is ter terechtzitting verklaard dat zowel de situatie bij de moeder thuis als de relatie tussen de vader en de minderjarige is verbeterd. De minderjarige lijdt onder de huidige situatie en het gaat niet goed met hem. De vader is dan ook van mening dat de minderjarige moet worden teruggeplaatst bij de moeder.

7. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of in dit geval de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

8. Het is het hof gebleken dat ten tijde van de indiening van het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige sprake was van een situatie waarin de moeder de minderjarige geen veilige, stabiele en gestructureerde opvoedingssituatie kon bieden. De moeder woonde met de minderjarige in een vervuilde en rommelige woning en kon vanwege de slechte financiële situatie niet in de basisbehoeften van de minderjarige voorzien. Voorts dreigde er een ontruiming van de woning vanwege een huurachterstand en was er sprake van vele conflicten en huiselijk geweld. De moeder had ambivalente gevoelens ten opzichte van haar relatie met de vader en zijn rol en aanwezigheid in het gezin. Daarnaast kwam de moeder afspraken met hulpverlenende instanties niet na, waaruit bleek dat zij onvoorspelbaar was voor de hulpverlening en de problemen verergerden. Zij overzag de gevolgen van die problemen niet. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de minderjarige hierdoor niet toekwam aan zijn eigen persoonlijke ontwikkeling. De minderjarige is op 2 maart 2010 uit huis geplaatst. Hij verblijft momenteel in het [naam instelling].

9. Het hof is tijdens de behandeling ter terechtzitting gebleken dat de thuissituatie van de moeder is verbeterd en dat zij aan nagenoeg alle door Jeugdzorg op 6 april 2010 gestelde voorwaarden met betrekking tot een eventuele thuisplaatsing van de minderjarige heeft voldaan. Zo ontvangt de moeder inmiddels leefgeld, krijgt zij voedsel via de voedselbank, betaalt de stadsbank de huur van haar woning en is de bewindvoering ter voorkoming van woninguitzetting geregeld. De moeder beschikt derhalve naar het oordeel van het hof over voldoende financiële middelen om in de dagelijkse behoefte van de minderjarige te kunnen voorzien. Voorts krijgt de minderjarige een eigen vaste slaapplek, is er geen sprake meer van huiselijk geweld en bestaat er duidelijkheid over de relatie tussen de moeder en de vader. Daarnaast krijgt de moeder, nu daartoe een indicatie is aangevraagd, meer dan twee maal in de week ondersteuning van de Stichting de Haardstee. Zo wordt de moeder geholpen met de (financiële) administratie, het huishouden en worden voor haar de contacten met de verschillende instanties onderhouden. Verder is het hof gebleken dat de moeder inzicht geeft in haar situatie, huisbezoeken van de gezinsvoogdes toestaat en de adviezen van de hulpverleners opvolgt. Er wordt maandelijks overlegd met de verschillende hulpverleners, de ouders en Jeugdzorg. De bezoek- en belafspraken met de minderjarige worden door de moeder nageleefd. Het hof constateert dat aan de voorwaarden met betrekking tot de opvoedingssituatie bij de moeder nog niet kan worden voldaan, nu de minderjarige niet bij de moeder thuis woont.

10. Ondanks de positieve ontwikkelingen in de thuissituatie bij de moeder, stelt Jeugdzorg dat nog niet kan worden overgegaan tot terugplaatsing van de minderjarige, omdat het proces van terugplaatsing zich in een pril stadium bevindt en de moeder nog niet aan alle gestelde voorwaarden heeft voldaan. Het hof is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat de nog niet vervulde voorwaarden en de voorwaarden met betrekking tot de opvoedingssituatie bij de moeder niet kunnen worden bereikt binnen het kader van de ondertoezichtstelling. Gebleken is dat de moeder zich niet tegen de ondertoezichtstelling verzet. Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat Jeugdzorg onvoldoende heeft aangetoond dat voortzetting van de uithuisplaatsing van de minderjarige nog steeds noodzakelijk is in verband met de opvoeding en verzorging van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

11. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige onder de huidige omstandigheden niet langer meer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vastgestelde termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige vernietigen, met dien verstande dat overgegaan dient te worden tot een terugplaatsing van de minderjarige. Het hof acht het van belang dat de minderjarige tot aan het einde van het schooljaar in het [naam instantie] blijft en zal de machtiging tot uithuisplaatsing derhalve beëindigen per 1 augustus 2010.

12. Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof niet meer toe aan het subsidiaire verzoek van de moeder.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vastgestelde termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing eindigt op 1 augustus 2010;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Stille en Van der Burght, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010.